Op zo’n regenachtige dag wil hij toch graag naar buiten. Ondanks de wind en de spetters die hij al zag tegen het raam. Ik vraag hem of hij ergens naartoe wilde, naar de molen, een stukje wandelen, naar de winkel, en hij zegt: Molen! Jas aan, schoenen aan en we stappen op mijn nieuwe fiets, het zadel eigenlijk nog te laag en het stuur ook, dat stel ik straks wel af als we weer terug zijn, nu trap ik tegen de wind in met die jongen voor me in het zitje en hij beweegt zijn armen in rondjes langs zijn lijf en zegt: Draaien draaien draaien. Hij doet de molen na. Het waait zo hard dat ik bang ben dat de molen niet draait, maar als we de hoek van de kade om gaan ziet hij de wieken al draaien in de wind. Hij lacht. We gaan de sluis over en bij de molen stop ik even en hij draait nog steeds met zijn armen. De regen wordt heftiger. We rijden door het oude dorpje naar huis. Het is geen dag bij de kinderopvang voor hem maar als we die opvang passeren zwaait hij en roept: Hallo hallo.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen