Toch nog even over het artikel dat afgelopen week in NRC gepubliceerd werd over inkomsten van schrijvers. De stelling: slechts weinig schrijvers kunnen leven van de opbrengsten van hun boeken. Dat is de meest gestelde vraag van mensen die onbekend zijn met deze materie aan schrijvers: Kun je ervan leven?
Er zijn in Nederland erg veel mensen die willen schrijven: naar schatting 1 miljoen. De krant heeft tussen 2013 en 2017 alle mensen geteld die een boek hebben gepubliceerd: 27 duizend. Daar zitten schrijvers bij die meerdere boeken hebben uitgebracht, dus het aantal boeken is veel hoger, maar toch een flink aantal. Misschien zelfs een verontrustend aantal, als je bedenkt dat er iedere dag ongeveer 20 duizend politiemensen op straat lopen. Er zijn meer schrijvers dan politiemensen! Geen wonder dat niemand zich meer veilig voelt.
Nu zijn er van die 27 duizend schrijvers slechts 115 die zich door hun boek boven de bestaansminimum uit worstelen. Het valt dus wel mee met die onveiligheid: de meeste schrijvers verdienen niks. De meeste schrijvers doen dat schrijven waarschijnlijk gewoon naast hun vaste baan.
Een onderzoek naar muzikanten zal dezelfde cijfers laten zien. Een paar miljoen mensen spelen piano of lopen mee met de fanfare of drummen in een bandje in de garage, ieder jaar zullen een paar duizend muzikanten een plaat uitbrengen, slechts een paar honderd muzikanten verdienen hun dagelijks brood met muziek.
Het percentage mensen dat een boek uitgeeft is zelfs om 2,5 procent, als je uitgaat van ongeveer een miljoen aspirant schrijvers. Dat is redelijk hoog. Iets meer dan de helft van alle Nederlanders speelt een muziekinstrument, of heeft gespeeld. Acht miljoen! Ik denk niet dat er 27 duizend muzikanten zijn die een plaat hebben uitgebracht. Stel dat het er tienduizend zijn – kan ik me niet voorstellen – dan heeft nog maar 0,01 procent daadwerkelijk een plaat uit. Schrijnende cijfers!
Ik denk dat die honderd schrijvers die ervan kunnen leven een aardige schatting is. Laat het er tweehonderd zijn, en je hebt ze allemaal wel bij elkaar. Veel schrijvers produceren te weinig om van hun boeken te kunnen leven. Een flink aantal wordt gesteund door het Letterenfonds met een werkbeurs die verstrekt worden om literaire boeken te kunnen schrijven. Dat is een volledig openbaar circuit, en een zeer belangrijk circuit omdat schrijvers de erkenning krijgen voor kwaliteit. Iedereen kan aanvragen, een paar tientallen schrijvers ontvangen een beurs, uitgeverijen hoeven minder hoge voorschotten te verstrekken, schrijvers krijgen in feite tijd om te schrijven: ze hoeven het geld van zo’n beurs niet bij te verdienen.
Tijd is cruciaal. Ook voor de 27 duizend schrijvers die in de afgelopen vijf jaar een boek hebben uitgegeven. Doe je dat naast je werk, dan komt het neer op schrijven in de avonduren, in weekenden. Het komt neer op keuzes maken. Blijkbaar is de drang te schrijven zo groot dat toch zeer veel mensen het aandurven en dat ook een flink aantal het lukt. Bewonderingswaardig. Maar er geld mee verdienen, nee.
Toen ik in 2000 mijn debuut schreef en die roman een jaar later verscheen deed ik dat niet om geld te verdienen. Wel wilde ik graag zien of ik zoiets kon: een boek schrijven. Ik had al tien jaar alles gelezen wat ik te pakken kon krijgen. Ik kwam via via bij uitgeverij Meulenhoff binnen en mijn redacteur zei meteen: We gaan een oeuvre opbouwen. Daar ben ik hem nog steeds dankbaar voor. Geen schieten met hagel en hopen dat een hagelkorreltje in de roos komt en even knallen en wat geld verdienen, maar schrijven en bouwen aan proza. En zeker ook niet stoppen met lezen, iets waar veel aspirant schrijvers geen tijd meer voor hebben. Wel kiezen voor het schrijven. Dat deed ik in 2005, dat was het eerste jaar waarin in alleen maar schreef. Ik bracht ook nog drie maanden de post rond. De kachel moet branden.
Een eerste werkbeurs hielp mee, verder was het vooral de kans die zich voordeed en de keuze om voor het schrijven te kiezen, met of zonder post. Ik had een vaste baan en vertrok daar. Met volgend jaar erbij – ik heb de zekerheid dat ik dat jaar ook nog wel ga redden – leef ik vijftien jaar van het schrijven. Niet alleen van de verkoop van boeken: romans en thrillers. Om te kunnen leven van de verkoop moet je zeker meer dan 30 duizend boeken verkopen. Dat betekent een week of tien in de bestsellerslijst. Het afgelopen jaar staan er maar een handjevol Nederlandse literaire schrijvers in die lijst. De eventuele werkbeurzen die zij hebben ontvangen worden netjes teruggevorderd, ze zullen boven de inkomensgrens zitten. Een net systeem.
Opbrengst van boeken: dat is het percentage van de daadwerkelijke verkoop, het voorschot dat daar misschien aan vooraf ging, maar ook de werkbeurs, want zonder boeken te schrijven krijg je helemaal geen beurs. Optellen dus. Ook komen hierbij de in december verstrekte uitleenvergoedingen van bibliotheken, verstrekt door Lira. Ieder jaar een mooie kerstbonus. Ook komen daarbij vergoedingen voor deelnemen aan jury’s, het geven van workshops aan mensen die vertrouwen hebben in wat ik over schrijven te zeggen heb omdat ik boeken schrijf, vergoedingen voor lezingen, interviews met schrijvers die graag in gesprek gaan met mij als schrijver, redactievergoedingen voor een tijdschrift, een verhaal voor een zomerbundel, een artikel in een maandblad…
Alles wat ik doe is ooit van start gegaan met het lezen van heel veel boeken, met het schrijven van mijn debuut, en met de keuze om voor het schrijven te kiezen. Toch zal het percentage van mijn inkomen dat direct uit verkoop van mijn boeken bestaat ongeveer 35 procent zijn, met de werkbeurs erbij 50 procent. Een mooie basis, de rest zijn opbrengsten indirect uit de boeken.
Misschien geeft dat een iets vollediger beeld. Als 27 duizend mensen boeken publiceren is het niet vreemd dat slechts een handjevol hier een inkomen uit kan persen. Het overgrote deel zal ook nooit kiezen voor het schrijven.
Op de sociale media maakte ik al de vergelijking met voetballers. Iedere week gaan ongeveer een miljoen Nederlanders de wei in. Ongelofelijk aantal, en slechts een paar duizend kunnen hier wat geld mee verdienen. Het grootste deel voetbalt gewoon naast hun baan, en ben niet bang dat ze allemaal prof worden.
Reacties op het artikel in NRC waaruit blijkt dat vrijwel niemand met schrijven zijn geld kan verdienen gaven blijk van de teneur: Niet de meest opbeurende cijfers, geen goed vooruitzicht, wat een ellendig bestaan roep je over jezelf af als je gaat schrijven.
Dat is niet zo. Schrijven is veel groter dan inkomen. Die miljoen schrijvers in Nederland, al krabbelen ze zo maar iets in een dagboek, leveren allemaal tekst, met of zonder publiek, en daarmee vormt proza en schrijven een belangrijke overdrachtelijke kunstvorm die – en dat is bepalend – bewaard wordt. Publiceren is vereeuwigen, maar niet publiceren ook en dan doel ik niet alleen op bekende dagboeken die niet in eerste instantie geschreven zijn om gepubliceerd te worden maar wel heel beroemd geworden zijn. Ik doel op de eeuwigheid van pen en papier. Thuis piano spelen vangt even het moment maar de meeste muziek verdwijnt en komt nooit meer terug. Papier blijft. Dat is de basis.
Er is niks, geen woorden, geen geld, alleen een beetje tijd, en die tijd wordt gevuld met schrijven. Dat is alle begin, voor het gemak door kranten en onderzoekers overgeslagen. Je maakt iets en misschien zal over honderd jaar iemand het lezen. Die overdrachtelijkheid is groter dan het inkomen dat je op dit moment uit een vaste baan haalt. Hier begint de drang, het maken, het werk, het tot leven wekken en het verzinnen. Hier begint alle kunst. Dat terugbrengen tot een onderzoek naar inkomsten is begrijpelijk maar zegt helemaal niets over schrijven, ook mijn hier toegevoegde nuances niet. Schrijven is de tijd maken iets te geven zonder te weten wat je ervoor terug zult krijgen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen