In Vraag het aan het stof (jammer dat de roman in de Nederlandse titel veel meer woorden nodig heeft dan in het Amerikaanse Ask the dust) weet John Fante opnieuw heerlijk te vertellen. Nu is zijn alter ego Arturo Bandini aan het woord. Zijn huurbaas wil geld zien.
‘Het liep op als de nationale schuld, ik moest betalen of vertrekken – tot de laatste cent, vijf weken achterstallige huur, twintig dollar, en zo niet, dan zou ze beslag leggen op mijn koffers; maar ik had helemaal geen koffers, ik had maar één valiesje en dat was van karton zonder zelfs een riem erom, want de riem zat om mijn buik teneinde mijn broek op te houden, maar dat was niet zo moeilijk omdat mijn broek ook al weinig meer voorstelde.’
Van een huurbaas naar geld, naar koffers, een riem, een broek, en zelfs die schamele broek stelt weinig meer voor. De weg van armoede en ellende, verteld door een kerel die schrijver wil worden. Je weet meteen dat hij dat zal worden, hij is een schrijver. Het moet alleen even mee zitten.
Schitterend is ook het gevecht dat Bandini aangaat met zijn schrijven, dat lukt totaal niet meer na een positieve reactie van een uitgever. Hij zit in zijn gehuurde hotelkamer naar een palmboom te kijken ‘maar het ging niet, het was het langste gevecht van keihard doorzetten van zijn leven, en er kwam geen regel, niet één, alleen maar één woord dat steeds weer, over de hele bladzijde stond: palmboom, palmboom, palmboom, een gevecht op leven en dood tussen de palmboom en mij, en de palmboom won: kijk, daar stond hij buiten in de blauwe licht te wuiven, zoetjes te kraken in de blauwe lucht. De palm won na twee dagen strijd, en ik klom naar buiten en ging onder de boom zitten. De tijd ging voorbij, een minuut of wat, en ik viel in slaap terwijl kleine bruine mieren carnaval vierden in het haar op mijn benen.’
Lees dat nog maar eens terug. Herhalingen, ritme, beelden, even helder als koortsachtig.
De passages waarin Fante zijn alter ego laat zwelgen in zelfmedelijden zijn minder. ‘Ik was Gods meest deerniswekkende schepsel…’ Dat geloof ik wel. Dat soort opmerkingen maken Bandini passief. Als hij ‘denkt aan spaghetti, zwemmend in de heerlijkste tomatensaus…’ zie ik wel zijn leed en de heimwee voor me.
Vaker gezien, een roman over een man die schrijver wil worden. In De helaasheid der dingen laat Dimitri Verhulst zeer overtuigend zien hoe een jongen zich ontworstelt aan zijn armoedige gezin, door het schrijven. De slotscène van de verfilming is ontroerend: hij rijdt op zijn brommer als hij weet dat zijn boek gepubliceerd gaat worden.
Het is niet vreemd dat Charles Bukowski er geen geheim van maakte dol op Fante te zijn, ook Bukowski schreef vaak over een schrijver die aan het aanklugelen was, vanuit een woede tegen de klippen op tikken.
Toch hebben deze schrijvende hoofdpersonages een nadeel: het proza wordt zo naar binnen gekeerd. Een schrijver die vertelt over een schrijver die vertelt… Ik heb het nooit goed aangedurfd en gaf mijn hoofdpersonages al gauw een behapbaar beroep. Of moet je hier juist lef voor hebben? Gewoon schrijven over een schrijver? Die vraag houdt me bezig terwijl ik deze tweede roman van John Fante lees dit jaar. Het sluit ook aan bij mijn nieuwe roman, met daarin een grote rol voor een schrijfster. Niet de hoofdrol, die heb ik vergeven aan de vrouw van een vijverbouwer.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen