Een klein vogeltje fluit een liedje in een boom. Ik fiets er onderdoor, samen met mijn zoontje. De lucht voor ons is oranje, de zon komt op boven de dijk. Mijn zoontje heeft zijn wantjes aan, het is koud.
Ik hoorde het vogeltje al fluiten, nu is-ie even stil en net als we passeren fluit hij weer hetzelfde riedeltje – hij fluit ons terug. Ik voel het, ik keer om.
Het is een koolmees. Ik wijs.
Kijk, een koolmees. Dat zijn kleine vogeltjes.
Hij knikt. We wachten tot het vogeltje weer fluit.
Weet je wat hij zegt? vraag ik.
Hij schudt zijn hoofd.
Dat de lente eraan komt.
Hij knikt.
De koolmees laat ons nog een paar keer zijn korte gezang horen en dan fietsen we verder naar de opvang, en ik neurie zachtjes:
Det duit um ’t veurjaor, det leet aan ’t lintewaer
want al wat jônk is, och det vrejt zoë gaer.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen