Bunker Hill, maart 2008

Deze Droë Rooi (Cinsaut en Cabernet Sauvignon) wordt gekenmerkt door zijn fruitigheid en toegankelijkheid. Het is een milde wijn met duidelijke aroma’s van bessen en rood fruit. Door een korte gisting wordt een fruitvolle en robijnrode wijn verkregen waarbij het soepele karakter van de Cinsaut wordt ondersteund door wat stevigheid van de Cabernet Sauvignon. Bewaarpotentieel tot 3 jaar na het oogstjaar.

Het eerste dat Leo hem vroeg was of hij daar bij de witten of bij de zwarten hoorde.
Daar moest hij om lachen.
Niemand had hem dat ooit gevraagd, en omdat Leo het gewoon wel vroeg brak dat zo’n beetje het ijs, of hoe zeg je dat?
Marc was een beetje schuchter, eerst. Hij kwam gewoon op het werk ’s ochtends, en dan zat-ie op zijn plek achter zijn tekentafel, maar hij zei niet zo veel. Hij zat gewoon te werken. Deed gewoon de dingen die hem gevraagd werden. Eigenlijk heel normaal, want als ze allemaal zo druk zouden zijn als Leo of als Simon, dan wordt er weinig meer gewerkt.
Eerst dachten we dat hij geen Nederlands kon, maar dat kon hij wel. Hij kon notulen en bestekken lezen en hij gebruikte met de computer Nederlandse programma’s.
Maar toen Leo hem dat vroeg in de rookpauze, bij ons achter het gemeentehuis, kwam hij wat los. Hij zei: We hadden een zwembad.
Nou, toen wisten we het wel.
Hij liet foto’s van zijn huis zien. Of eigenlijk was dat huis van zijn ouders, want hij woonde bij zijn ouders, toen. Heel veel foto’s en op werkelijk iedere foto niks dan zon en blauwe lucht.
Later vertelde hij dat ze twee kindermeisjes hadden toen hij klein was, en een tuinman en iemand die het huis schoonmaakte. Allemaal zwarten. Daar verdienen de zwarten hun geld mee. Zijn vader en zijn moeder werkten dan weer op kantoor om hen te betalen, dus hij groeide op met de zwarten. De zon deed de rest.
Beetje bij beetje vertelde hij meer over Zuid-Afrika. Over het Krugerpark en over de achterbuurten van Johannesburg. Daar vroeg Leo altijd naar. Die townships, zoals Leo dat noemde. Of er geschoten werd en of nou echt iedereen daar AIDS heeft. Dan vertelde hij daarover.
Hij zei: Je ziet hier altijd maar één ding op TV. Over ons horen jullie natuurlijk niks.
En wij luisteren, want dingen die ze je op TV niet vertellen, maar er wel zijn, die horen we graag.
Ze hebben een keer zijn autoruit ingeslagen terwijl hij in de auto zat. Hij stond voor het stoplicht. Hij was met een meisje naar de film geweest en daarna nog wat drinken of zo, en ze reden terug en moesten wachten voor het stoplicht, sloegen ze zo die ruit in. Met een knuppel. Hij trapte meteen het gas in. Rood of geen rood. Wegwezen. Zo gaat dat daar.
Ze hebben er een keer eentje gearresteerd bij hun in de tuin. Die was achter het tuinhuis gekropen. De politie kwam met een heel peloton die tuin doorstampen en toen hebben ze hem in de boeien geslagen. Zijn moeder stond er naar te kijken. De tuinman heeft een halve dag werk gehad om haar bloementuin weer op orde te krijgen en hij moest het daar achter dat tuinhuis met de hogedrukspuit schoonmaken, want die gast had het in zijn broek gedaan.
En toen kwam hij bij ons werken.
Hij zat hier op een flatje vlakbij het klaverblad. Heel iets anders dan dat huis met dat zwembad, daar.
Hij keek uit op de snelweg. Dat zijn de goedkoopste flats van de stad, en hij wou wel dichter bij het centrum wonen of hier achter bij het gemeentehuis. Maar daar had hij niet echt haast mee. Hij vond het wel best.
Alleen dat fietsen vond hij geloof ik maar niks. De stad door. Hij hoefde maar een minuut of tien eigenlijk, maar hij was het niet gewend. Je had hem moeten horen als hij de brug over zou moeten, twee keer op een dag. Zoals Simon doet. Die had eerst een brommertje, maar sinds hij iedere dag met de fiets naar het werk komt is hij tien kilo afgevallen.
Marc hoefde niet af te vallen. Die was zo mager als een lat. Daarom wilde Leo ook weten of hij geen zwarte was, want daar zit weinig vet aan natuurlijk.
Nou, zei Marc, aan de vrouwen zit anders genoeg.
Dat was goed. Want dat zie je altijd op TV als ze daar filmen of als er weer eens iets is. Dan rennen ze zo weg, die zwarten, en dan loopt er altijd wel eentje tussen met zo’n dikke kont.
Hij vertelde dat een vrouw met een dikke kont daar wél nagefloten wordt op straat. Dat kunnen ze daar wel waarderen. Zo’n kont als die rooie van de receptie, zei Marc, dat zou daar iets geweldigs zijn.
Dat was de eerste keer dat hij over die rooie begon. En toen ging het al over konten. Zat wel wat in, vonden wij. Waarom niet? Die rooie was niet heel erg dik. Wel stevig. Dat wel. Maar dik?
Leo zei dat we dat hier ook wel konden hebben hoor, een beetje vlees om in te knijpen.
Gelukkig maar, zei Marc.
Nog geen week later zag ik hem bij die rooie aan de receptie staan. Hij had een stapel papier bij zich. Schetsen. Daar moest die rooie nooit iets mee, maar toch keek ze naar het papier dat hij liet zien. Marc was met de herprofilering van dat plein voor het station bezig. Dat weet ik nog. Daar moesten andere stenen in en de bussen moesten meer ruimte krijgen. Hij vertelde die rooie dat haar bus op een andere plek zou stoppen, als het allemaal klaar was. En zij maar lachen en knikken.
Volgens mij kreeg ze het aardig warm van hem, want ze had flinke zweetvlekken onder haar oksels.
Maakte hem allemaal niks uit, een beetje vet en een beetje zweet. Dat is toch een cultuurverschil, niet?
Die week erop vroeg hij haar mee uit en ze zei natuurlijk ja. We zagen het aan haar kop, ze glom gewoon.
Nou, nog geen twee maanden later woonde ze bij hem op die flat.
Ze kwamen samen naar het werk, hij bij haar achterop de fiets. Zo’n opoefiets. Tegen haar kont aan. Met zijn handen om haar middel.
Toen het winter was had hij een enorme muts op zijn kop. We zagen ze een keer voor het gemeentehuis langsfietsen, door de sneeuw. Die rooie had geen eens handschoenen aan en hij was helemaal ingepakt. Net een sneeuwpop. Grote sjaal om. Dat was hij niet gewend. Bij hen was het toen zomer. Lag hij iedere dag in het zwembad. Met de kerst staan ze daar twee dagen rond de barbecue.
Het was vlak daarna dat we bij hem en bij die rooie van hem thuis die avond hadden. In die flat. Hij vroeg Leo en Simon en mij om te komen drinken op een van die avonden na oud en nieuw. Dat is nou drie jaar geleden. In december drie jaar. Wij hadden allemaal onze vakantiedagen opgenomen en dat was maar goed ook want het was op een woensdagavond en de volgende dag hoefden we niet te werken. Ik was net terug van vakantie. Lanzarote, dat weet ik nog. Ik was ook een beetje bruin.
Dus ik daar naartoe.
Zij had toastjes gemaakt. Met Franse kaas en paté. Marc had Zuid-Afrikaanse wijn in huis. Droë Rooi, heette die. Op de fles stond: Groot Geluk.
Hij zei: Hier wordt een mens gelukkig van.
Droë Rooi, herhaalde Leo. Het zei het alsof hij achterlijk was.
Die uitdrukkingen die ze daar gebruiken, daar hebben we de hele avond om moeten lachen.
Een metro noemen ze daar een moltrein. Die heb ik nog altijd onthouden.
En de Rooi-strik koors. Weet je wat dat is? Dat is AIDS. Snap je? Daar hebben ze toch zo’n symbooltje voor. Zo’n strik. Hier kwam die ziekte en toen hebben ze daar die strik voor getekend. Daar had je eerst de strik en daarna begrepen ze dat het een ziekte was. De Rooi-strik koors. Echt grappig.
En zo had hij er een heleboel, van die woorden. Ik weet ze niet allemaal meer. Ja, een rol pleepapier. Dat noemen ze een holrol. Zo simpel kan het zijn.
Een lift noemen ze geloof ik een hysbakkie. Alsof hij alleen maar omhoog kan.
Nou, we zaten daar in de woonkamer aan tafel die wijn te drinken en toen het al laat was en Marc nog een fles openmaakte zei die rooie dat ze moe was en dat ze ging slapen.
Dat was geen probleem.
Wij bleven nog wat hangen. Marc liet ons weer foto’s zien van zijn huis in Zuid-Afrika. Echt een enorm zwembad.
Ook had hij een foto van de twee kindermeisjes. Hij wees de linker aan, eentje met een flinke bos van dat kroeshaar, en hij zei dat die hem ontmaagd had.
Hij zei dat bijna alle jongens in Zuid-Afrika ontmaagd waren door hun kindermeisje. Daar hoefde bijna niks voor te gebeuren. Zit in de cultuur ingebakken, als het ware.
Hij was vijftien of zo, en hij vroeg haar gewoon even mee te komen naar het huisje in de tuin. En zij ging gewoon mee. Echt een knap ding, op de foto. Niet zo oud nog. Een knap gezicht.
Nou, en toen heeft hij haar gepakt in dat huisje.
Hij vertelde dat een jongen die bij hem op school heeft gezeten op zijn twaalfde al gepijpt werd door de oppas. Die was wat langer dan de rest, die jongen. Vandaar.
Marc vertelde er nog bij dat die jongen van zijn klas eerst met de oppas ging en later met de moeder van die oppas. Die wou ook nog wel. Toch een heel ander land, hè.
Nou, daar kwamen we achter.
Toen er een stuk of zes lege wijnflessen op de tafel stonden zette hij de televisie aan. Hij liet een video zien van een feest daar ergens in een huis waar ze ook een zwembad hadden. Allemaal blote wijven in dat zwembad. En Marc loopt met de camera dat huis door, zo de trap op en de eerste de beste deur die hij daar boven open doet, wat denk je? Liggen er twee te neuken in die kamer. Gewoon op de vloer. En de volgende deur ook.
Leo moest er geweldig om lachen en Simon en ik ook.
Marc zei dat het er zo ieder weekend aan toe ging. Er was verder geen klap te doen daar, dus maakten ze zelf feestjes, thuis, als de ouders weg waren, en er was altijd wel iemand van wie de ouders weg waren. Iedereen had een tweede huis, aan zee. Dus.
Verderop op die band kwam er nog zoiets, maar dan van hem zelf. Hij moest een heel stuk natuurfilm doorspoelen, iets met leeuwen en gazellen. Camouflage, zei hij. Die natuurfilm.
Daarna kwam Marc zelf. Nou, dat was gewoon porno. Liet-ie gewoon zien. Had-ie ook zelf gefilmd. Twee zwarte meisjes die eerst elkaar bewerken en daarna hem. Dat waren weer anderen dan die kindermeisjes.
Leo schoof zo van de bank, zo op zijn knieën over het tapijt naar de TV. Hij likte zo het stof van de buis. Die had het niet meer.
Simon was wat rustiger, maar die moest wel zijn pik even goed doen in zijn broek. Leo zag dat en zei dat hij zijn hand uit zijn broek moest halen. Daarna nam hij nog een flink glas wijn.
Toen zei Marc: Zou die rooie van mij nog wakker zijn?
We keken hem zo’n beetje aan en we wisten niet wat we moesten zeggen, maar hij liep al naar de gang en deed daar ergens een deur open.
Ze slaapt, zei hij en hij kwam in de deuropening staan en gebaarde zo’n beetje dat wij mee moesten komen. Leo ging natuurlijk eerst. Met zijn grote bek. Simon achter hem aan en ik als laatste. Marc duwde me gewoon die slaapkamer is.
De gordijnen waren dicht. In het licht van de gang dat door de deur kwam stond een heel groot bed. En die rooie lag daar te slapen.
Ik dacht dat we zachtjes moesten zijn, maar Marc riep: Die slaapt overal doorheen. Echt waar.
Hij praatte gewoon hard.
Leo riep natuurlijk ook iets. Over snurken of zo. Daar moest ik ook nog wel om lachen.
Toen schoof Marc dat dekbed opzij. Hij liet haar benen zien, mooie benen wel, en hij schoof dat dekbed nog verder. Ze lag op haar buik. Haar handen zo naast zich, langs haar lijf. Ze had een witte onderbroek aan.
Marc zei zoiets als: Wat een kont hè, en hij pakte met twee handen haar billen en kneedde ze.
Die andere lachen natuurlijk. Leo het hardst.
Ik dacht: Die wordt wakker, maar ze sliep gewoon door.
Marc vroeg Leo toen of hij ook wel eens een keer in die dikke billen wilde knijpen.
Leo keek ons eerst aan, om de beurt, en toen ging hij naast dat bed staan en hij drukte zijn wijsvinger zo tegen haar linkerbil. Zijn vinger prikte in haar vlees en haar kont deinde en wij moesten weer lachen.
Marc moedigde hem aan. Hij zei: Ga er maar op zitten, op het bed.
Leo durfde eerst niet. Hij liep de slaapkamer uit, maar dat was voor de grap, want hij kwam weer terug met zijn glas wijn.
Eerst nog een slokkie, zei hij. Eerst nog een slok Droë Rooi.
En hij dronk zijn glas leeg en klom over het voeteneinde van het bed.
Simon hielp hem. Die zei: Stijve hark.
Dat kun je wel zeggen, zei Leo. Hij hield zijn hand voor zijn kruis. Weer lachen. God, wat waren we bezopen.
En zij maar slapen, die rooie.
Leo zat op zijn knieën op haar rechterbeen. Marc kwam achter hem staan en duwde hem tegen zijn rug.
Doe maar, zei Marc.
Hij trok zo haar onderbroek naar beneden. Het elastiek scheurde bijna. En zij sliep gewoon door.
Toe maar, zei Marc en Leo maakte nog wat opmerkingen, hij kneep zelfs in zijn neus en maakte snurkgeluiden, maar toen zette hij toch zijn handen op die kont.
Het was nogal donker in die kamer, maar ik zag haar witte billen schudden. Eerst deed hij het nog zachtjes, maar Marc zei: Knijpen man. Je bent toch geen homo.
Nou, dat was Leo niet. Hij pakte haar beet. Eerst nog steeds kijken of ze niet wakker werd, ook naar Marc kijken, maar die zei: Ze slaapt heel vast. Toe maar.
Ik weet niet meer of Simon nou zelf naast dat bed ging staan, of dat Marc hem ernaast zette. Ik denk dat Marc van alles tegen hem gezegd heeft, dat denk ik, want voor ik het wist had Simon zijn broek losgemaakt en hij stond daar met die dikke van hem zo in de lucht.
Marc zei toen een paar keer: Lekkere rooie. Wat een lekkere rooie hè. En hij zei: Dat had je niet gedacht hè.
Leo kneep in haar kont en Simon duwde hem opzij en ging zo op haar liggen.
Droë Rooi, zei Leo.
Hij zat nog steeds op dat bed. En ze lachten hard. Ik moest er ook om lachen, ik was hartstikke bezopen.
Droë Rooi, zei Marc en hij spoog in zijn handen en wreef toen met zijn hand tussen haar benen. Nou niet meer, zei hij.
Nou, het was eerst Simon en toen Leo en toen die klaar was keken ze naar mij.
Ik had de hele tijd bij die deur gestaan. Ik had de hele tijd naar haar gezicht gekeken en ik wist zeker dat ze niet sliep.
Ik zei dat ik niet wilde. Dat ik wilde gaan. Maar ze bleven maar tegen me praten en Marc trok aan mijn arm en Leo hielp hem en voor ik het wist lag ik op haar.
Ik had een spijkerbroek aan met knopen die heel strak zaten en daar had ik geluk mee, want ze trokken aan mijn broek maar die knopen gingen niet open.
Ze drukten me tegen haar aan en ik kwam met mijn gezicht naast haar gezicht te liggen.
Ik zei: Word wakker.
Ze reageerde niet. Ze kneep haar ogen stijfdicht en wachtte gewoon af, die stomme rooie.
Toen beet ik in haar oor.
Dat was het enige dat ik kon verzinnen. Ik beet echt hard en zij schreeuwde, niet normaal. En die anderen ook schreeuwen. Leo het hardst. Die schrok echt.
Simon rende de slaapkamer uit.
Ik kroop van haar af, zo heel onhandig. Ik stootte mijn knie tegen de rand van het bed.
Marc zei tegen haar: Waarom deed je dat nou? Dat herhaalde hij een heleboel keer.
Wij bleven eerst nog even in de woonkamer staan. We hoorden hem roepen. Schelden en zo. Toen pakten we onze jassen en gingen we naar buiten, de galerij op. We zeiden niks meer tegen elkaar. Het was al laat en het was heel erg koud, ook in dat trappenhuis. Wij gingen naar beneden. Met de hijsbak.


Oom Ed

Bunker Hill, november 2008

Hij zit op een bankje een sigaret te roken en hoort vanuit de hoogte twee meisjesstemmen roepen: Ome Ed. Ome Ed.
Boven de muur die de speeltuin afscheidt van het pannekoekenhuis komen donkere wolken aandrijven. Die ziet hij eerst. Dan draait hij zijn hoofd en ziet tegen die wolkenlucht twee meisjes tegen de touwen van het klimrek opklimmen. De oudste heeft net zulke krullen als haar moeder. Angelique. Ze draagt een naveltruitje en een rode broek. De jongste volgt haar zus, in haar gele rokje. Hij kent haar niet anders, of ze draagt een geel rokje. Ook zij heeft lang haar, krullend, pluizig van het wassen en van het borstelen dat haar moeder ’s ochtends doet.
Ome Ed, roept de jongste, en ze kijkt omlaag.
Ik zie het, zegt hij.
Moet je kijken, Ome Ed.
Ik zie het hoor.
Ik ga net zo hoog als Angelique.
Goed vasthouden hoor.
Ja, zegt het meisje.
Ze klimt hoger. Ze heeft een rode onderbroek aan.
Goed vasthouden, zegt hij weer, iets zachter nu, en hij neemt een trek van zijn sigaret, inhaleert diep en gooit dan de sigaret op de tegels. Hij ziet een mier lopen. De meisjes roepen: Ome Ed. Vanaf het klimrek schalt het door de speeltuin, en hij kijkt naar de mier die een stoeptegel diagonaal oversteekt, een tijdje de groef volgt en dan blijft zitten. De rook van de sigaret verwaait boven de tegels. Hij zet zijn schoen erop.
De meisjes zitten nu bovenop het klimrek. Angelique houdt zich vast aan de hoogste houten dwarsligger, ze staat op een van de blauwe touwen. Haar krullen waaien voor haar gezicht. Haar zusje is op een groen touw gaan zitten. Haar benen bungelen in een schacht van touw.
Ed zet zijn handen op zijn ellebogen en laat zijn hoofd rusten. Hij sluit zijn ogen.
Een kindje huilt. Even kijkt hij op, maar hij weet dat zij het niet zijn. Verderop bij de zandbak ligt een jongetje op de tegels. Een moeder snelt toe. Ze troost hem. Hij ziet dat ze haar armen om de jongen slaat en dat ze hem op haar knie laat zitten. Ze strijkt door zijn haar. Hij wijst naar zijn been en ze doet voorzichtig zijn broekspijp omhoog en bekijkt zijn been.
Hij heeft zin in een sigaret, maar steekt er geen op. Straks wel, als ze weer beneden zijn.
Hebben jullie dorst?
Wat zeg je? vraagt Angelique.
Willen jullie al iets drinken?
Straks.
Ik wel, zegt de jongste.
Dan wil ik ook.
Kom maar naar beneden dan.
Goed, zeggen de meisjes en langzaam zoeken ze hun weg langs de touwen naar beneden. Het duurt lang. Hij pakt zijn tas en haalt er twee pakjes drinken uit. Godver, zegt hij. Hij zet de pakjes op het bankje.
Ik heb appelsap en sinaasappelsap, zegt hij en hij straat ernaar, naar het groen en oranje en naar de rietjes in het folie.
Ik wil appelsap, zegt een van de meisjes. De jongste zo te horen. De andere zegt dat zij ook appelsap wil en voor ze beneden zijn roepen ze allebei dat ze eerst waren en dat ze mogen kiezen.
De meisjes komen bij hem staan. Hij schuift de pakjes sap naar zich toe, schermt ze af. De meisjes verdringen zich, de jongste schuurt langs zijn been.
Als jullie nou ieder de helft doen.
Nee, zegt de jongste. Angelique wacht af.
Doe nou maar.
Ze geven toe. Ze nemen weer afstand. Hij geeft hem allebei een pakje drinken en als ze de rietjes uit het folie peuteren en door het gaatje drukken zegt hij: Als het half op is, dan ruilen.
Hoe kun je dat dan zien.
Dat moet je voelen.
De meisjes drinken. Angelique gaat naast hem op de bank zitten. De jongste blijft staan, het rietje in haar mond.
Er komt een groep kleine kinderen de speeltuin binnen. Een vrouw loopt voorop en een man gaat als laatste door het hek en doet het hek achter zich dicht. Hij is blond en heeft kort haar. Hij heeft een pet op. Een shirt met een opdruk. De kinderen blijven bij de eerste zandbak staan. De vrouw zegt iets, dan rennen de kinderen de speeltuin in. De man lacht. Hij gaat op de rand van de zandbak zitten, haalt twee appels uit zijn tas, geeft er een aan de vrouw en bijt dan in zijn appel.
Drie jongens zoeken het hoge klimrek op. De jongens kijken naar de pakjes sap, naar de meisjes.
Doorlopen, zegt Ed.
Wat? vraagt een van de jongens, een blonde met een T-shirt waar een vlinder op staat.
Je hoorde het wel.
De jongens gaan aan de andere kant van het klimrek staan. Een van hen pakt een touw vast, maar ze klimmen niet. Ze kijken naar Ed.
Zijn jullie op de helft?
Ik wil niet meer ruilen.
En jij? vraagt hij aan Angelique.
Ik ook niet.
Drink dan maar door.
Hij kijkt naar de bomen die net buiten het hek in het plantsoen staan. De takken wiegen heen en weer. In het westen wordt de lucht zwart.
Het gaat regenen, zegt hij.
Gaan we naar huis? vraagt Angelique.
Misschien even wachten. Die bui is zo hier. We wachten wel even tot-ie over is. Doe jij je jas maar aan.
Hij geeft de jongste haar jas.
Je moet me helpen.
Hij houdt haar jas voor en ze steekt haar arm door de mouw. Daarna de volgende arm.
En de rits, zegt ze.
Hij doet de ritssluiting dicht. Ze staat tegen zijn been aan en legt een hand op zijn spijkerbroek.
Waar is jouw jas?
Die heb ik niet, zegt Angelique.
Hij is even stil.
Zo, zegt hij. Kijken wat die bui doet.
Mogen we nog even daarin?
De jongste wijst naar het speelhuisje.
Goed. Ga maar.
De meisjes rennen naar het speelhuisje.
De jongens staan nu bij een van de staanders van het klimrek. Ze kijken naar hem en ze praten zacht met elkaar. Een van hen lacht.
Wat is er? vraagt Ed.
Niks, zegt de blonde jongen en de andere jongens herhalen dat. Niks hoor.
Ze lachen.
Kunnen jullie niet een eindje verderop gaan staan?
Jij hebt lang haar, zegt de blonde jongen dan.
Ja en? zegt Ed.
De jongens lachen. Dan zegt een van hen nog iets dat hij niet kan verstaan en rennen ze naar de andere kant van de speeltuin. Hun leidster en de man zitten nog altijd op de rand van de zandbak. Drie meisjes in prinsessenjurken staan voor hen. De man wijst naar een van de meisjes, raakt haar arm aan.
Angelique staat naast het speelhuisje, verdwijnt er dan onder, waar haar zusje ook moet zijn.
Hij steekt een sigaret op. Af en toe kijkt hij naar het speelhuisje. Angelique klimt tegen de glijbaan op en gaat onder het dakje zitten. Hij ziet haar benen over de rand hangen, bewegingloos, witte sokken, de schoenen met klitteband en sterren die haar moeder voor haar kocht in Londen, toen hij drie dagen op de meisjes paste. Drie lange dagen.
Hij rookt. Dan hoort hij een van de meisjes huilen, het gaat direct over in schreeuwen. De jongste. Hij staat op en met de sigaret in zijn hand loopt hij naar het speelhuisje.
Wat is er gebeurd?
De jongste huilt. Zand, zegt ze. Angelique kijkt toe.
En zat jij beneden? Hij gaat voor haar staan, gaat door zijn knieën. De jongste knikt. Ze huilt harder nu.
Is er zand in je ogen gekomen?
Ja, zegt Angelique.
Laat haar even wat zeggen.
De jongste wrijft in haar ogen en knikt.
Hij zegt: Even wijd open houden en dan gaat het er met huilen wel uit.
Het meisje drukt haar gezicht tegen zijn schouder. Hij houdt een hand aan de grond. Kom even, zegt hij. Zijn andere hand tegen haar wang. Kom. Hij drukt haar gezicht van zich af. Hij voelt haar adem in zijn hals. Even je ooglid vastpakken en dan komt het zand er wel uit.
Hij helpt haar. Ze huilt en ze kijkt hem aan. Ze heeft helderblauwe ogen. Hij wrijft haar tranen weg.
Zo beter?
Ze knikt.
Het begint te druppen. Kom, zegt hij, en hij pakt de jongste bij de hand, slaat de tas om zijn schouder en zegt tegen Angelique dat ze onder de luifel van het gebouw kunnen gaan staan. Ze lopen erheen. Het gaat harder regenen. De kinderen van de groep verzamelen zich bij het hek. De man kijkt of ze er allemaal zijn en dan gaan ze de poort door. Ze lopen snel. De man met de pet neemt een jongen en een meisje bij de hand. De leidster als laatste. Ze houdt haar jas boven haar hoofd. De man is al bij de hoek. De kinderen roepen naar hem, hij kijkt om, zegt iets terug, ze lachen en lopen door de regen, zijn shirt plakt aan zijn borst en Ed staat met de meisjes onder de luifel en hij kijkt naar de wolken en naar de bomen die bewegen door de wind en de wind doet de regen langs de muur slaan en hij moet met zijn rug naar de regen toe gaan staan en de meisjes staan allebei voor hem. Spetters op hun gezichten. Op hun blote benen.
Het wordt daar al lichter, zegt hij. Hij wijst. Boven de huizen in de verte is de lucht blauw, de bui schuift traag door de lucht, de regen wordt feller en lijkt dan wat af te nemen.
Angelique gaat tegen zijn been staan. Ze slaat een arm om zijn dij, de hand precies op zijn knieschijf. Haar zusje zoekt beschutting naast haar. Hij legt een hand tegen haar achterhoofd. Het is koud, zegt ze.
Kom maar, zegt hij en hij gaat op zijn hurken zitten en hij doet zijn jas open en laat de meisjes op zijn bovenbenen zitten, slaat de flappen van de jas om hen heen.
Beter zo?
Angelique knikt.
Hoe maar vast, zegt hij en hij heeft haar de uiteinden van de jas. Hij ruikt hun haren. Hij ruikt iets van zeep, shampoo.
De jongste stopt haar duim in haar mond. Hij steunt met zijn rug tegen de muur. De regen wordt weer heviger. Dikke druppels teisteren de plassen. Dan vallen er kleine druppels uit de lucht en verschijnen er putjes op het water, dan enkel spetters.
Zien jullie dat? Het wordt droog.
Ze blijven tegen hem aan zitten. Zijn bovenbenen doen pijn en zijn kuiten tintelen. Toch blijft hij zitten en pas als het helemaal droog is zegt hij dat ze kunnen gaan staan en dan staat hij ook op en houdt hij van beide meisjes een hand vast en lopen ze naar de poort. De speeltuin is verlaten. Alleen de fiets van zijn broer staat nog op de stoep. Met de kinderzitjes. Hij maakt de zittingen schoon met de mouw van zijn jas.
Wil jij die aan? vraagt hij, en hij trekt aan de mouw van zijn jas.
Angelique knikt. Hij doet zijn jas uit en slaat hem om het meisje. Haar krullen plakken op haar voorhoofd. De jongste heeft nog altijd haar duim in haar mond.
Hij helpt de meisjes de fiets op, eerst die kleine, dan Angelique. De jongste komt met haar knieën tegen het stuur. Hij slaat zijn been over de stang, schuift op het zadel en rijdt naar de kade. Hij gaat de hoek om en volgt de weg met de tramsporen. Angelique zit tegen zijn rug aan. Als ze bij de fontein zijn begint het weer harder te regenen. Hij trapt door. We zijn er bijna, zegt hij, en ze slaan een zijstraat in en bij nummer 34 stopt hij, stapt af en zet de fiets voor het huis. Hij tilt Angelique uit het zitje en daarna de jongste. Hij zegt dat ze bij de deur kunnen gaan staan. Hij legt het slot om de fiets. Dan doet hij de voordeur open en de meisjes gaan hun huis binnen. Hij drukt de deur dicht, zet zijn tas in de gang en volgt de meisjes naar de kamer.
Doe die jas maar uit, zegt hij tegen de jongste. Hij helpt haar.
Ik heb het koud, zegt Angelique. Haar broek is nat en ook haar truitje is nat.
Droge kleren moeten jullie hebben. Waar liggen die?
In mijn kamer, zegt Angelique.
Ze gaat hem voor en wijst hem de kast. Doe de natte kleren maar uit, zegt hij en hij kijkt op de stapels kleren. Pakt een hemd, de bovenste broek, de bovenste trui. Sokken.
En voor je zusje?
Dat ligt daar.
Uit de andere kast haalt hij droge kleren voor de jongste. Angelique wurmt zich uit haar truitje. Ze staat in haar onderbroek voor hem. Ze rilt. Ze slaat haar beide armen om haar lijf en staat te draaien op haar benen. Kom, zegt hij en hij geeft haar een hemd en een broek en een shirt.
Doe snel aan, zegt hij. Dan help ik je zusje.
Ze zit op de bank en kijkt voor zich uit. Ben je ook moe? vraagt hij.
Ze knikt.
Kom, even droge kleren aan doen. Anders wordt je ziek.
Hij pakt haar hand en ze schuift van de bank en staat voor hem. Hij gebaart dat ze haar armen omhoog moet houden en trekt haar natte shirt uit. Doet haar een hemd en een jurkje aan. Bloemenmotief, een roos. Angelique zit op de vloer en probeert haar broek aan te trekken. Wil je me helpen, Ome Ed.
Ja. Ga maar staan.
Ze houdt zich vast aan zijn schouder. Hij trekt de broek over haar billen. Dank je, zegt ze.
Goed zo, zegt hij. Het meisje gaat tegen hem aan staan. Ik ben ook moe, zegt ze. Haar hand tegen zijn borst, haar gezicht tegen die hand.
Zal ik wat drinken maken, en kijken of er koekjes zijn? Ga maar zitten. Ik zal ook de televisie aanzetten.
Hij schenkt appelsap in en geeft de meisjes een beker en hij haalt een pak koekjes uit de keuken. Ze drinken en kijken naar tekenfilms. Ze zitten vlak naast elkaar op de bank. Hij scheurt het pak koekjes open, geeft de meisjes een koekje en eet er zelf ook een paar. Hij probeert een boek te lezen dat op tafel lag. Een boek over de Falkland-oorlog. Op televisie vechten drie meisjes met een vrouw die onwaarschijnlijk sterk is en die eruit ziet als een bejaarde. De stemmen schallen door de kamer. De meisjes kijken naar het beeld. Hun schouders tegen elkaar.
Om vijf uur komt hun moeder thuis. Ze vraagt hoe ze het gehad hebben. De meisjes vertellen van de speeltuin en van de regen. Ome Ed was heel lief, zegt de jongste.
Angelique zegt: We waren in de regen.
Ik zie het. Jullie hebben andere kleren aan.
Angelique knikt. Ze zegt: We hebben koekjes op.
De moeder gaat bij de meisjes op en bank zitten.
Wil je nog wat drinken? vraagt ze.
Nee, ik ga zo maar.
Ze bedankt hem en hij gaat naar huis, loopt de straat uit naar de tramhalte en als hij op het bankje zit en zijn hoofd tegen het trillende raam legt voelt hij dat hij moe is omdat hij heeft gevochten met zijn gedachten en hij voelt zich goed, want hij heeft dat gevecht weer gewonnen.