monoloog voor Drieons, november 2011

Ik hoest geen bloed meer op maar lig inmiddels wel plat. Ik lig er bij zoals de kreeften in het ruim. Ik heb hier een doek liggen die vol zit met rooie vlekken, ergens. De vloer werkt niet mee. Die deining voel je niet als je staat, dan heb je houvast. Dan zijn je ogen het waterpas. Zelfs in bed voel je het amper, maar op zo’n koude houten vloer is het verschrikkelijk, alles draait.
Eerst draaiden die lichtjes van de radar voor mijn ogen. Normaal gesproken draaien ze ook, die hele schijf draait, maar nu was het echt iets anders. Het draaide in mijn hoofd, achter mijn ogen. Ik weet het allemaal nog wel.
Als die jongen me zo maar niet ziet.
Ik hou het wel vol tot vrijdag, dacht ik. Als we vannacht een paar goeie netten binnen zouden halen en morgen ook nog dan kunnen we donderdag al terug. Dan kan ik ze in ieder geval uitbetalen voor deze week.
Ik had eerst het idee dat het los kwam, die hoest. Vanochtend. Maar dat was niet zo. Dat bloed is gestopt, dat is goed. Of dat is niet goed. Ik weet het niet. Die vloer is verdomme hard als steen.
Maandag was al een drama en toen we maandagnacht bij een goeie plek kwamen en aan de slag gingen bleek daar niet veel te zitten en die jongens gingen weer terug naar bed, met een klotegevoel. Als je maar een paar bakken binnengehaald hebt slaap je slecht, en ik maar hoesten.
Ik weet nog dat ik een keer bij die ouwe Lancaster een hele week iedere nacht aan de netten heb gestaan en er helemaal niks binnenkwam en we kwamen terug in de haven en hadden niks verdiend. Dat was nog met die ouwe schuit van hem. Normaal drinken we dan een borreltje van wat we verdiend hebben. Toen dronken we dubbel zo veel en lieten we het opschrijven.
Het komt niet meer los, het zit muurvast in mijn longen, wat het ook is. En die vloer helpt ook niet mee. Zo moeten die kreeften in die bak liggen, beneden. Al zijn die nooit alleen.
Als die jongen maar niet naar boven komt. Ik moet Mitch zeggen dat hij niet naar boven moet komen.
Ik denk dat die jongen nu een half jaar mee gaat. Een week of twintig. Ik had liever gezien dat hij naar school zou gaan, maar met school bereik je hier ook niet veel en als je een beetje mazzel hebt dan kun je met een weekje kreeft meer verdienen dan met twee maanden op kantoor of in een magazijn. Hij slaapt nu, hoop ik.
Als we straks een goeie plek te pakken hebben moet Mitch hem en de anderen maar wakker maken, en beneden houden. Ik hoop dat we wat tegenkomen. Voor hij me hier ziet liggen. Als hij me ziet vermoordt hij me. Als hij alleen die lap met bloed ziet vermoordt hij me. Hij weet dat ik niet terug ga voor het ruim vol zit. Hij weet dat ik hier blijf zitten hoesten tot vrijdag als het moet, tot we voldoende gevangen hebben. Als hij me ziet gaan we terug, dan draait hij het roer om en vaart hij me naar de ziekenpost en laat een helikopter bellen.
Mitch weet het. Die houdt zijn mond wel.Ik hoefde niks tegen hem te zeggen vanochtend, toen hij me hoorde hoesten. Voor ik plat ging was dat. Voor het duizelde, of hoe noem je dat?
Hij zag me het bloed wegvegen. Hij zei: Dat gaat niet goed ouwe.
Dat wist ik ook wel.
Toen zei hij: Als je mijn vader zou zijn en ik zou je hier zo zien zitten, wat denk je dan dat ik zou doen?
Ik weet wat jij zou doen, zei ik. En ik weet wat hij zal doen.
Verder zei Mitch niks. Hij wil ook terug, zodat ik naar de dokter kan of het ziekenhuis, maar ik ben hier de chef. Die jongen van me denkt dat ook. Net achttien.
Mitch weet dat ik de boot niet omdraai.
Als die jongen boven komt en me hoort roggelen, dan ontploft-ie. Dan is hij in staat me de deur uit te werken en zelf het roer om te gooien. Dan zegt hij: Pa, als jij hier blijft zitten ga je eraan. Stomkop.
Hij lijkt op me.
Ik hoor de deur beneden. Mitch, waarschijnlijk. Ga zitten, op die kruk. Ik kan niet bij die kruk komen. Ik heb geen grip. Het zit muurvast in mijn lijf, maar ik heb geen grip op de vloer.
Ik herken het geluid van die voetstappen. Het is Mitch. Hij zal wel vloeken, nu wel. Hij zal contact opnemen met de haven. Ik moet hem zeggen dat het wel gaat. Me even overeind helpen, ik ben nog bij. Als ik nog iets kan zeggen.
De bovenste tree.
Die arme jongens, geen klote verdiend.
Die verrekte deur gaat open.