DW B, september2013

Ik moet nog heel vaak denken aan het eendenkuiken dat door een snoek gegrepen werd, en opgegeten. Ik zag het vanaf de kant, en in het water dreef een kano, dat kwam in die tijd net op, kanovaren. Nu had je bij ons een klein riviertje, en verder wat kanalen, en niemand van ons kwam op het idee om daar met een kano doorheen te gaan. We kenden de omgeving, die zag er vanaf het water net zo uit. En voor de ontspanning hoefden we het ook niet te doen. Dat bestond daar niet, ontspanning. Bijna alles wat we deden was erop gericht de spanning te verhogen: met buksen schieten, appels jatten, ’s nachts over de dijk scheuren, ruzie zoeken in een van de boerendisco’s in andere dorpen, behalve misschien vissen, maar ook daar vonden we wel iets van spanning in, zeker toen die snoek dat eendje greep. De mensen in de kano waren verbijsterd. Dat waren een man en een vrouw, een gillende vrouw. Ik zat daar met een vriend langs de kant en die jongen zei tegen die vrouw dat ze niet zo moest schreeuwen, daar hielden wij niet van en de vissen ook niet. En de man stampte met zijn gehuurde pedel in het water om de snoek te verdrijven – die natuurlijk al lang en breed vertrokken was – en met dat gestamp verjoeg hij nu de rest van de vissen, dus dat we nog iets vingen konden we hier wel vergeten, en dus gooiden we kluiten losse aarde naar de kano, of beter nog, vlak ervoor.

*

Ik doorkruiste de uiterwaarden in de richting van de rivier die daar achter de wilgen lag, het was warm, er waren veel vliegen en een enkele vlinder, en de koeien stonden in de verte, in de schaduw. Ze zagen me. De eerste zette zich in beweging, liep op me af, en de andere koeien volgden, heel rustig. Ik wachtte tot ze bij me waren. Ze begroetten me met hun staarten en de voorste snuffelde aan mijn hand. Ze waren heel zachtmoedig. Drie keer per dag werden ze gemolken. Ik zag ze nooit naar de boerderij lopen en ik zag ook nooit een mobiele melkwagen die ik bij andere boeren wel eens gezien had, handig als de koeien ver weg grazen. Deze koeien leken bejaarden. Ze waren er, ze stonden hier en dat was het. Ik kende ze al lang, ze stonden al jaren in deze uiterwaarden. Je kon zwemmen bij de rivier, op de strandjes tussen de golfbrekers, er was haast nooit iemand. Als je er ’s avonds kwam dan stonden de koeien dicht tegen elkaar aan of lagen ze te slapen. Er werd verteld dat je ze om kon duwen als ze stonden te slapen, maar dat heb ik nooit geprobeerd. Een koe omduwen, daar zag ik niks in.

*

De opgedroogde koeienvlaaien lagen her en der in het weiland, ik ontweek ze, het gras hoog, windstil, een paar koeien stonden onder een boom. Ik kwam prikkeldraad tegen en volgde die draad tot de boom. De prikkeldraad was daar ooit aan vast genageld, met krammen, en nu was de draad compleet vergroeid met de boom, alsof hij uit de boom kwam en van daar twee richtingen op ging, naar het oosten en naar het westen. Er kwam een koe naar me toegelopen, heel langzaam. Ze wuifde vliegen weg en bleef een meter van me vandaan staan en snoof. Ze was bruin met wit. Roodbont, heet dat eigenlijk. Maar ze zijn bruin. Ik keek naar haar neus, daar zaten sproeten op. Ze likte haar neusgat, met een hele lange tong. We stonden daar zo een tijdje. De koe kwam niet dichterbij en ik stak mijn hand niet uit, daar had ik geen zin in. Ik heb het idee dat koeien dat niet waarderen of niet begrijpen, of niet nodig hebben. Het zijn geen honden. Verderop begon een andere koe te pissen. Ik stapte over de draad en liep naar de rivier die heel rustig stroomde, er waren geen schepen.

*

Ooit hoop ik nog eens in een luchtballon zat zitten, als het weer rustig is, op een avond, ergens bij de rivieren en uiterwaarden waar koeien lopen die dan wegrennen als de man van de ballon aan de hendel trekt en de gasvlam blaast en het vuur omhoogschiet, en de ballon ook maar dan iets langzamer. Ik denk dat ik niet goed tegen die hoogte kan. In zo’n mandje gaat het misschien nog wel. Op school moesten we vroeger ooit een papieren ballonnen maken met een waxinelichtje eronder en een paar van die ballonnen deden het echt goed. Het was windstil, dat kaarsje brandde gewoon en de ballon ging de lucht in, hoger dan de boven, en dan toch wat wind, lichtje uit, of scheef, en dan stortte de ballon naar, ook dat was mooi. Het voedde het besef dat je eigenlijk niet in de lucht thuishoort, ook niet met eenvoudige middelen die natuurkundig kloppen – een zak met hete lucht, de lucht eromheen kouder, en een vuurtje, gas, hitte. We zijn geen vogels, we zijn geen berggeiten, we kunnen alleen nadenken. Ik ben ooit eens een berg opgeklommen, vreselijk ver lopen, en het uitzicht viel tegen, een kaal gebied, ik wilde mensen zien. Ik wilde zwaaien naar iemand op een andere berg. Of op een vrachtschip.

*

Met de kano peddelde ik over hele grote bladeren die als eilanden in het water lagen. Ik dacht aan de poster die vroeger in mijn kamer aan de muur hing. Er stond een doorsnede op van een Hollandse sloot. Met vissen, planten, kleine beestjes. De sloot op de poster leek helemaal vol leven te zitten. Dat kende ik niet, want in de sloten bij ons in de polder leek vooral kroos te groeien. Er zat wel wat vis, kleine visjes, maar dat was het wel. Ik voer ook langs mooie witte waterbloemen. Later heb ik opgezocht hoe ze heten. Ik voer naar het kanaal. Daar tilde ik de kano van het riviertje in het kanaal, bij het betonnen aquaduct. Ik peddelde het rechte uitgegraven kanaal uit. Gegraven door machines, hoopte ik, want ik had wel eens gehoord dat werklozen ingezet werden kanalen te graven en de klei is hier zwaar en na een paar steken zit je hier op het grondwater en dan loopt ieder gat vol en wordt het nog zwaarder. De bruggen hebben gele relingen hier. Betonnen bruggen met asfalt erop. Het geel steekt af tegen de lucht, vanaf het water gezien, en tegen het gras en het water als je op de weg staat. Ik rookte een sjekkie, zittend op die reling.

*

Ik hing aan het touw dat een eindje overboord bungelde. Ik moest me goed vasthouden, het schip was leeg en lag hoog en had veel snelheid. Het was een zomerdag en erg warm, maar het water was nog koud en ik hing er half in en de kou van het water was lekker. Ze schipper kon me niet zien, dat was een geluk. Als ik los zou laten dan moest ik meteen een paar slagen maken de rivier op, want de schroef was niet ver en bij deze snelheid was het echt gevaarlijk. Er ging het verhaal rond dat een jongen uit een ander dorp een been verloren was, maar ik had nog nooit iemand met één been gezien, ook niet in een ander dorp. Ik bleef hangen tot we bij de sluis waren. Het schip minderde vaart. Ging de sluis in en net daarvoor liet ik los. Ik zwom naar de kant, er was een trapje. Op de sluis liet ik me drogen en ik wachtte tot er een ander schip kwam, dat de weg terug nam. Dit keer vroeg ik gewoon of ik mee kon varen. Het eerste bootje was van Duitsers, die zeiden nein. Ik vroeg het aan een ander bootje en mocht mee, en ik zat voorop en voer terug naar het strandje waar mijn handdoek lag, en mijn kleren. Ik zei de mensen gedag. Het waren oude mensen, heel bruin, de man in korte broek en de vrouw in bikini.

*

Aan dek. Ik voelde dat de pont vaart minderde, de motoren maakten minder geluid. De pont draaide. Het was geen rivierpont zoals verderop aan de Afgedamde Maas, die plat zijn en waar auto’s op kunnen en die aan een ketting zitten. Dit was een voetgangersveer dat de rivier een heel stuk in de lengte afvaart, vanaf Gorcum, tegen de stroom in. Ik stond buiten. De schipper had een hulpje die het touw in zijn handen had en het om een paal slingerde, altijd op dezelfde en altijd op dezelfde manier. Hij had een sjekkie in zijn mond. Hij zei nooit iets. Ik wilde dat baantje van hem overnemen. Hij pakte de loopplank, deed de kettingen los en schoof de plank de kade op. Mensen stapten uit het overdekte deel van het veer, andere mensen namen hun fietsen en liepen de plank over. Ik bleef staan. Ik ging als laatste de kade op en liep daarna onder de toren door het plaatsje in. Het is een mooi oud plaatsje maar daar heb ik eigenlijk nooit goed naar gekeken. Ik wist niet beter dan dat het mooi en oud was en verderop in de nieuwbouwwijk was alles van gele bakstenen en lelijk, daar keek ik ook zelden naar.

*

Ik probeerde een Amerikaan uit te leggen hoe een molen werkt, een molen die water naar een hoger gelegen sloot of vaart pompt. We zaten in de trein en ver beneden ons lagen weilanden, een polder met slootjes. Dat water is het laagste punt. Regenwater dat op de weilanden valt wordt via drainagebuizen naar die slootjes geleid, althans dat is de bedoeling, en dan pompt de molen het water uit die sloot naar een andere sloot, en dan naar een vaart en dan weg. Naar een rivier of naar zee, dat wist ik niet precies. Drainage, dat vond hij bijzonder. In Amerika kennen ze dat niet. Daar slijt het water gewoon de rotsen uit, zoiets. Rotsen kennen we hier weer niet, zei ik. Wij kennen alleen klei en zompige moerassen die we een beetje droog probeerden te houden. Moerassen, dat wist hij wel. Dat hadden ze in Florida. Hij was er nooit geweest, hij vond het niks, en eigenlijk vond hij het ook niks dat we stonden te praten op een meter onder zeeniveau. Twee dagen later zou hij terug vliegen naar Idaho.

*

Stenen in het water gooien, platte stenen die hoog tegen de oever lagen en daarboven was een weiland en daar stonden een paar hele forse koeien die langzaam naar me toe liepen, weer bleven staan, weer iets verder liepen. Op doe plek daalden ze niet af naar de rivier, daarvoor was het te steil en ik had al gezien dat ze verderop dronken, waar het talud flauw was en waar veel koeienvlaaien lagen, uitgedroogd door de zon, en ook verse kak. Er waren geen kano’s die dag, geen wind, een heel licht zonnetje kwam door de bladeren van de bomen, net genoeg zonlicht op mijn armen en in mijn nek om het nog aangenaam te hebben. Ik liet die stenen over het wateroppervlak tetsen. Sommige stenen maakten drie of vier sprongen en gingen dan onder, andere stenen bleven gaan, steeds met kortere tussenpozen, tot ze aan de overkant in het zand of in het gras verdwenen en de cirkels op het water erachter groter werden, tot ook die verdwenen waren. Daar wachtte ik op, dan gooide ik opnieuw. Ik verwachtte dat ik alle stenen weg kon gooien, maar dat kon niet, alsof er vanuit de bodem nieuwe stenen de oever opgedrukt werden. De volgende dag lag het weer helemaal vol met verse stenen.

*

Het was een dorp van niks maar de uiterwaarden achter de dijk, dat was een magnifiek gebied: een brede strook tussen de winter- en zomerdijk, en achter die laatste hobbel nog een paar weilanden en dan de strandjes met golfbrekers ertussen en op het einde van iedere stenen golfbreker een paal met een bord erop, ik meen een groene driehoek. De polder kwam in de winter onder water te staan. Het voetbalveld van NOAD (Nooit Opgeven Altijd Doorgaan) lag in de uiterwaarden en toen we daar een keer aankwamen voor een uitwedstrijd zagen we vanaf de dijk dat het water bijna tot de lat stond. Wisten we niet. Op andere momenten was dit gebied ook verrassend, in de zomer als er gezwommen werd en meisjes er opeens heel anders uit zagen vergeleken met het jaar ervoor. Er veranderde niets, of alleen in detail. Dan stonden de koeien in de schaduw en liepen wij naar het water en leek de hitte de polder groter te maken, een lange tocht langs koeienvlaaien en over prikkeldraad, en dan was het water van de Maas fris en de schepen waar er probeerden op te klimmen om er weer vanaf te duiken als de schipper eraan kwam met een bezemsteel in zijn handen, dat waren drijvende gebouwen, groter dan welk gebouw in het dorp dan ook, op het zwembad na.

*

Ik stond op de brug over de rivier en keek naar de schepen die onder me door gleden, die naar het westen dreven en die naar het oosten ploeterden, tegen de stroom in. Ik keek naar de torens op beide oevers, naar het kasteel op het punt van het moerasgebied en naar het pontje dat vocht tegen de golfslag van een enorm zandschip. Ik zat op mijn fiets, een voet op de reling, en waarschijnlijk rookte ik. Ik groette de schippers. Een jongen die bij me in de klas zat was bij me komen staan. Hij zei niet veel, maar bij iedere vrachtwagen die over de snelweg reed maakte hij het gebaar van de claxon, met zijn hand in de lucht alsof hij aan een touw trekt, en de meeste vrachtwagen reageerden door daadwerkelijk aan de claxon te trekken, of erop te drukken. Getoeter en schippers die hun hand naar me opstaken. Dat was het contact dat we hadden met vrachtverkeer, met mensen die ons land passeerden, op doorreis. Ik wist het toen niet, maar we stonden op die brug voor het contact. Buiten het uitzicht op de rivier was het er lawaaierig en het stond er naar uitlaatgassen en vissen kon je er niet, de brug was te hoog. We stonden daar voor het contact.

*

Grote brokstukken, bijna zwart, die op de pier lagen, en helemaal aan het einde van de pier stond een paal met een driehoekig bord erop, en toen ik geen zin meer had in het stenengooien ging ik tegen de paal zitten en keek naar het water dat naar het westen stroomde, naar de zon toe die daar al laag boven het water hing, en bijna de brug raakte. Een paar wolken, langerekt. Over de brug een onophoudelijke stroom auto’s en vrachtwagens, ze wisselden elkaar af in een afgemeten ritme, een paar auto’s, dan een vrachtwagen, weer een paar auto’s, dan weer een vrachtwagen. Er kwam een boot voorbij, een soort cruiseschip, maar dan eentje voor op de rivier, met twee verdiepingen, in het midden een groot glazen raam, daarachter een grote ruimte met een bar, misschien ook een dansvloer. Laatst zag ik zo’n schip op het Amsterdam-Rijnkanaal, in het donker, alle lichtjes aan. Een enorm schip, het voer heel langzaam, en ik fietste met haar langs het water. Aan de rivier zag ik destijds mensen op het dek staan. Twee oude mensen die elkaar vasthielden en tegen de reling stonden. Het zag eruit alsof het hun laatste reis was. De rivier af. Die nacht laatst zag ik niemand op het schip. Het kanaal leent zich ook niet voor pleziertochtjes op zo’n boot. Misschien ging dat schip gewoon naar een andere plek, zonder mensen. Ik hield haar hand vast. Zij hield mijn hand vast. Langs het rechte fietspad van de kade stond het gras hoog in de berm, de halmen hingen krom van de regen eerder die avond, en nu was het droog en hing er mist boven het water en tussen het gras.

*

Ik dacht niet alleen aan de bloem die op het water dreef, wit en mooi, ik dacht ook aan de zanderige bodem en aan de vissen die onder de brug doorschoten, in groepjes, en ik dacht aan het bankje waarop we zaten, dicht tegen elkaar aan, even zitten om een sigaret te roken. Eigenlijk was het te koud om te gaan zitten, en het was in een periode waarin ik weer rookte, dat gebeurt soms. We zaten zwijgend naast elkaar, heel even een hand op haar knie, even elkaar aankijken en dan een kleine reactie, van de mond, van de ogen, of een lach. In stilte roken, kijken naar het water, naar de vissen, de wind die fijne golfjes maakte in het wateroppervlak, de wind die koud was, de kraag omhoog, de zwarte mouwen van haar trui onder de jas uit, om haar handen, en toen drukte zij de sigaret uit tegen de rand van de bank en die van mij was ook op en ik gooide hem op het pad en zette mijn schoen erop, en daarna liepen we langs het riviertje naar de bushalte. Ze ging niet met de bus, ze werd opgehaald door haar vader.

*

Het water stroomde eindeloos langs, ik had mijn hengel niet mee en die miste ik nu. Het water was hier anders dan het water van de kanalen en sloten uit mijn jeugd, dat alleen door de wind in beweging komt en amper stroomt, dat in feite alleen naar een hoger niveau gepompt wordt, ergens een eind weg. Hier bewoog alles en zou ik nerveus worden van de dobber die steeds meegesleurd wordt. Er lagen grote stenen aan de oever en verderop was een stukje zand waar pootafdrukken van koeien in stonden, diepe gaten. Daar lag ook koeienstront. Ik wist dat er kano’s te huur waren in het dorp en dat halverwege de ochtend de rust voorbij was, dan kwamen die boten langs, vol mensen die peddelen en naar elkaar roepen. Nu was het nog vroeg en stil. Ik at het brood dat ik meegenomen had en dronk wat water. De vliegen zoemden. Ik zag vissen voorbij schieten. Ik denk dat ik maar een minuut of tien aan die rivier gezeten heb, maar omdat mijn gedachten kalm waren en ik me niet alleen voelde op dat moment leek het wel een halve dag. Voor de eerste kano’s kwamen liep ik alweer door het bos de heuvel op, over een zandpad.