Das Magazin, oktober 2012

1

Het is de derde dag dat ik hier zit en ik heb nog geen koffie gekregen of niks. Dat heb je in Zuid. Ik hoor het mijn broer nog zeggen. Hij zit al weken in Ilpendam en hoeft echt zelf geen eigen koffie mee te nemen. Die mensen daar beginnen de dag met koffie, tussen de middag weer, en ’s middags geven ze hem een koud blikje bier.
Hier krijg je niks.
Het is een mooie brede straat, een beetje druk maar wel mooi, en het is een prachtig huis. Zestien kozijnen, met die dakkapel erbij. Als de steigerboer er is dan kan ik volgende week die verdieping doen maar eerst maar eens die kozijnen beneden.
Klotewerk. Schuren is ellendig en het schilderen is niet veel beter. Mijn broer heeft makkelijk praten, die kan niks anders, die wil niks anders. Schuren, lakken.
Die eerste dag was eigenlijk alleen kijken en met die mensen praten en gisteren heb ik alleen mijn spullen een plek gegeven en de ramen aan de achterkant geschuurd. Enorme tuin. Die tuinstoelen zijn duurder dan al mijn meubels mij elkaar, en dan tel ik ons nieuwe bed ook mee. Grasveld lijkt wel een voetbalveld. Wembley. Daar hebben ze waarschijnlijk iemand voor in dienst, zei mijn broer. Nou, daarvoor hebben ze er wel twee in dienst.
Nu de straatkant en vanmiddag die kleine raampjes bij de voordeur. Ik denk dat ik hier wel twee weken bezig ben. Minstens. Mijn broer zei zeven dagen, maar tegen die mensen heeft hij twee weken gezegd. Tegen die vrouw, want die man is er nooit. Zij kwam vroeger wel eens op TV, zei mijn broer, hij werkt bij een bank. Hier en ook in Londen. Ze gooien met geld, die mensen, maar koffie heb ik nog niet gehad.
Eerst dat raam en dan vanaf de hoek naar de andere hoek toewerken. Alles systematisch, zegt mijn broer. Dan weet je waar je bent, dan weet je wat je doet. Als zelfs schuren al systematisch moet.
Ik klem een vers stuk schuurpapier in de machine, haal het verlengsnoer uit de schuur en brommen maar.
Ik ben nog geen tien minuten bezig en er komt een man aan lopen. Hij heeft een opvallend vest aan: wit, erg ruim, het hangt open. In zijn handen heeft hij een fiets, allebei zijn handen aan het stuur, alsof hij er op leunen moet. Hij is erg mager, ook in zijn gezicht.
Bij de oprit blijft hij staan, vlak naast mijn busje.
Wat moet je? vraag ik.
Hij kijkt om zich heen. Dan kijkt hij naar de fiets. Hij zegt iets. Ik kan hem niet verstaan en zet een hand aan mijn oor.
Hij zegt weer iets.
Ik zet de schuurmachine uit en hij zegt: Kopen?
Wat? vraag ik, maar ik begrijp wel dat hij de fiets wil verkopen.
Ik ben aan het werk, zeg ik.
Hij kijkt weer om zich heen. Dan doet hij een paar passen de oprit op, met de fiets, en zegt: Een goeie fiets.
Ziet er inderdaad goed uit die fiets, een mountainbike. Stevig. Hij heeft drie tandwielen voor, en zeven achter. Eenentwintig versnellingen. Dat is veel. Hij heeft van die hendels aan het stuur om te schakelen. Het stuur is recht. Wel wat roest hier en daar, maar een stevige fiets.
Echt een goeie fiets, zegt hij.
En die scheur in het zadel dan? vraag ik.
Als dat zadel nat wordt dan zuigt dat spul zich vol en dan wordt je broek nat.
Gewoon een plastic zakkie er overheen, zegt hij. Twintig euro.
Dat is niet veel.
Ik sta daar met die schuurmachine in mijn handen. Dan leg ik het apparaat op de tegels. Het frame van de fiets is paars. Ik kan er in het dorp zo honderdvijftig voor vragen.
Ik zeg: Ziet er wel goed uit, maar ik weet het niet.
De man zegt: Anders ga ik weer door.
En dan zie ik het. Ik zie het aan zijn gezicht. Hij heeft geld nodig. Niet zoals junks, die direct geld nodig hebben, maar gewoon op iets langere termijn.
Ik zeg: Ik geef je er vijftig voor.
Hij is te verbaasd om te knikken. Hij kijkt alleen maar, met zijn holle ogen.
Dan zeg ik: Als jij die ramen even schuurt.
Hij kijkt naar de ramen aan de voorkant van het huis. Het zijn er drie en ze zijn niet al te groot.
Vijftig, zegt hij.
Ja, zeg ik.
En opeens klinkt mijn plan heel goed. Ik zeg hem nog dat die schuurmachine oud is en dat hij daar geen drie euro voor kan vangen, en dat verlengsnoer is ook gaar.
Dus die vijftig kun je krijgen, dan probeer ik even die fiets.

2

Ik fiets de straat uit. Het zadel hoef ik niet omhoog of omlaag te draaien, het staat precies goed. Op de pedalen zitten ijzeren tandjes die in de zolen van mijn werkschoenen prikken. De ketting heeft wat roest en ratelt maar loopt verder prima. Bij het kruispunt stop ik voor rood. Een moeder met een kind voorop in een zitje rijdt achter me langs. Het kind heeft een fietshelm op. Als de auto’s gepasseerd zijn en het licht groen is steek ik over. Het fietspad heeft hobbels, van boomwortels. Ik ga langs de benzinepomp, zie dat er een winkeltje bij is en daar koop ik een flesje water. Met het flesje in de kontzak van mijn broek ga ik verder, een brug over, een buurt in met hoge huizen, vier verdiepingen. Dan zie ik de bidonhouder op de stang. Ik steek het flesje water erin.
Een ander kruispunt, trams, auto’s, fietsers, een vrachtwagen van een meubelbedrijf. Ik wacht tot ik verder kan, ik heb de tijd. Het is niet heel warm, maar de lucht voelt goed, de wind.
Ik kies een lange rechte straat waar dezelfde hoge huizen langs staan, hier met kleine balkons aan de voorkant. IJzeren hekwerkjes. Op een van de balkons zit een jongetje. Hij kijkt door de spijlen van het hek naar me, ik steek mijn hand op.
Helemaal aan het einde van de straat ligt de Amstel. Dit moet de Amstel zijn. De zon staat achter me en werpt zijn licht op het water en op de huizen aan de overkant. Langs het water, tegen de fietsrichting in. Ik omzeil andere fietsers, een postbode, een man in een grijs kostuum, twee meisjes met schooltassen. Ik kom bij een brug. Het wegdek is opengebroken. Mannen zitten op hun knieën tussen de rails, een van hen heeft een laskap voor. Een andere man in een oranje hesje kijkt of er een tram aankomt.
Werken moeten ze.
En ik fiets.
Verder over het fietspad tot ik bij een park kom met smalle asfaltpaadjes. Heel rustig hier. Alleen een vrouw met een herdershond. Na het park neem ik een weggetje langs een spoorlijn. Ik zie een station en grote vierkanten gebouwen. Kantoren. Werk. Een betonnen gracht waar in twee zwanen zwemmen. Niet mooi die gracht, zoals die in de stad. Ik ben er niet vaak geweest, alleen die keer met de vrijgezellenavond van mijn broer en een keer met twee vrienden die naar Bolle Jan wilden. De gracht hier is lelijk, maar toch is het de gracht van die zwanen. Hun gracht. Ze zwemmen heel rustig, ik peddel heel rustig.
Ik voel de wind in mijn haar, tegen mijn gezicht. Ik wil mijn ogen dicht doen. Wat ze zeggen over fietsen, over de wind en de lucht en het rijden, dat klopt allemaal.
Zal die gast echt aan het schuren zijn?
Ik had hem dat geld moeten laten zien. Gewoon een briefje van vijftig voor zijn neus houden. Dan werken ze wel. Hij doet het vast wel, hij was ok.
Ik kom bij een ander park. Daar ga ik op een bankje zitten en neem een slok water. Ik heb zin in koffie en ik heb ook zin in een sigaret. Niks bij me, al jaren gestopt. En toch zin. Ik wacht af, kijk naar de bomen, naar het grote grasveld. Dan komt er een man aan die rookt. Achter hem loopt een klein hondje.
Ik vraag hem: Sorry, heeft u misschien een sigaret voor mij?
Ik vraag het hem gewoon.
En hij zegt: Ja hoor.
Ik zeg dat ik de mijne niet bij me heb. Hij zegt: Nou, ik heb genoeg voor de hele dag.
Hij reikt me zijn pakje sigaretten aan. Net zo makkelijk. Ik haal er een uit en hij heeft me een vuurtje.
Dank u wel.
Graag gedaan.
Ik ga weer op het bankje zitten. Ik inhaleer diep. De rook slaat op mijn longen en direct voel ik me licht worden in mijn hoofd. Alsof ik een joint opsteek. Mijn benen voelen slap. Weer een slok water, dat is beter. Ik rook de sigaret niet helemaal op. Voel nu mijn keel en longen al, en het voelt lekker.
Ik leg mijn voeten op het achterwiel van de fiets. Dat ik deze dag zo door zou komen. Dat zoiets zou kunnen.
Maar toch.
Ik pak de fiets en ga het park door. Moet de weg terug maar eens zien te vinden. Voor mijn gevoel heb ik een soort rondje gefietst, maar dat weet je nooit in Amsterdam. Ik kom bij een brede vaart met gras aan de oevers. Eerder een kanaal dan een gracht. Ik ga een betonnen brug over en herken de hoge gebouwen links van me. Die straat door, stukje naar rechts tot de trambaan en daar is dat huis al.

3

De man van de fiets is er niet. Mijn broer zit bij de voordeur op het stoepje. Hij heeft de schuurmachine in zijn handen. Het verlengsnoer ligt voor een van de ramen. Ik stap van de fiets en loop naar het huis. Hij zegt: Waar zat je?
Ik zeg: Fietsen.
Hij vloekt. Fietsen, zegt hij.
Ik zeg niks. Ik weet dat hij gaat zeggen: Je hebt hier goddomme je werk, en ik kom hier en er is een of andere kerel en jij bent weg.
Dat zegt hij ook, in bijna dezelfde woorden.
Hij zegt: Er was een of andere vent hier.
Ja, zeg ik. Nu pas zie ik zijn witte busje. Het staat naast het huis, achter een andere auto.
Ik heb hem de tering geslagen, zegt mijn broer.
Waarom? wil ik vragen, maar ik doe het niet.
Mijn broer zegt: Hij zat hier met een blikje bier en hij zei dat hij zou gaan schuren. Hij heeft een stukje gedaan, moet je kijken hoe dat eruit ziet.
Hij wijst naar de voorkant van het huis. Ik kijk niet. Ik zeg: Is-ie weg?
Ja, zegt mijn broer. Wat denk je? Hij zei dat hij jou een fiets had verkocht en dat hij nog meer geld kreeg. Hij wilde geld hebben.
Dat klopt, zeg ik.
Dat klopt, zegt mijn broer. Nou, ik geef niemand mijn geld, en zeker niet voor zo’n brik en zeker niet het geld waar we zelf voor werken. Dus ik heb hem weggestuurd.
En die fiets dan?
Ik wist niks van een fiets, zegt hij. Hij wilde vijftig euro. Hij wilde niet weg. De stomme klootzak.
En toen?
Nou, toen heb ik hem de pad af geslagen.
Ik sta hier nog steeds met de fiets in mijn handen, tegen mijn heup aan. Ik denk aan het park, aan de sigaret en aan de wind.
Nou, zeg ik.
Ik zet de fiets tegen de schutting naast de oprit, gebaar dat ik de schuurmachine over wil nemen. Hij geeft me het ding. Het schuurpapier is amper gebruikt, maar het is wel gebruikt. Het had allemaal kunnen werken.
Ik ga verder, zeg ik.
Hij zegt: Hé.
Ik blijf staan. Mijn oudere broer, met zijn bedrijf, met zijn stomme schilderwerk, met zijn schuren en lakken en schuren en lakken.
Hij zegt: Ik wil hier niet komen en dan dit zien, jij weg, een gast wil geld en dreigt met dat apparaat en ik moet het uit zijn klauwen slaan. Wat is dat allemaal?
Ik zeg niks. Ik denk aan de stad en aan de rivier en aan het zonlicht op de huizen. Op de daken en de gevels. Ik denk aan het park. Aan die hond. Ik wil weer roken.
Dan zeg ik: Ik dacht dat je koffie kwam brengen.
Hij zegt: Koffie, koffie. Ik wil dit niet meer zien. Ik moet godver die schuurmachine tegen die gast zijn nek zetten en hem wegtrappen hier vandaan.
Ik draai me om en loop naar het verste raam. Het hout net boven de vensterbank is geschuurd, heel slordig. Op sommige plekken in het midden te ver, aan de randen amper.
Weer zegt mijn broer iets.
Ik steek de stekker van de schuurmachine in het verlengsnoer en zet het ding aan.
Godver, hoor ik mijn broer zeggen, boven het geluid van de schuurmachine uit. We leven hiervan, roept hij. En jij gaat fietsen en laat een of andere mongool je werk doen. Ik neem de mensen aan. Hoor je? Ik bepaal wie er voor me werkt.
Ik zeg: Maar ik heb nu wel een fiets.
Wat?
Ik herhaal: Ik heb wel een fiets.
Ik zeg het op normale toon, de schuurmachine overstemt me maar mijn broer hoort het toch en dan zet ik de schuurmachine op het hout en voel het trillen in mijn hand en in mijn arm en ook in mijn hoofd. Ik kijk niet meer om, maar weet dat mijn broer naar zijn auto loopt en wegrijdt.
Als er genoeg tijd verstreken is druk ik weer op die ronde oranje knop en ga ik op een van de stoeptegels zitten die hier in de tuin een paadje vormen. De tegels zijn koud.
We leven hiervan, zeg ik.
Ik ga zo sigaretten halen, en een aansteker.


Tien geboden

Das Magazin, juni 2012

1 Geef
De basis van alles: Deel wat je hebt met anderen, maakt niet uit wat. Geld, sigaretten, bier, sokken. Een verhaal geven aan mensen kan ook. Je fiets. Je bank als de ander geen slaapplek meer heeft.

2 Neem
Het gevolg van nummer 1 is dat door te geven er van alles terug op je af komt. Het is zaak dat te nemen, zonder pardon. Anders heeft het geven geen zin. Dan is er geen evenwicht. Nooit een rondje geven in de kroeg en dan naar huis gaan. Het volgende rondje eerst even aanpakken.

3 Vraag
Als je de weg niet weet, niet zelf gaan zoeken maar gewoon vragen, liefst aan iemand met een hond, want die komen uit de buurt en weten altijd de weg. Je niet te groot voelen, te trots. Gewoon vragen. Gaat ook op in andere situaties. Heb je geen geld, vraag iemand om geld. In bed ook heel belangrijk. Niet afwachten, gewoon vragen: Wil je dit doen? Wil je dat doen? Het werkt.

4 Doe
Volgende punt sluit aan op nummer drie. Als iemand jou iets vraagt, gewoon doen. Wederom zonder pardon. De weg wijzen. In bed alles wat je gevraagd wordt gewoon doen. Niet over nadenken. Uitgangspunt: iets doen is altijd beter dan niets doen.

5 Maak
Dit is iets anders dan doen. Het verschil: er is hier een eindproduct, vaak. Mensen die niets maken tellen niet mee als het er echt op aan komt. In barre tijden. Iets maken is essentieel, al is het een boek, een muurtje, een tekening, paperclips. Kaas maken is mooi. Bier brouwen. Zelfs een gedicht maken telt.

6 Vloek
Het leven gaat allemaal niet vanzelf en als er iets niet lukt of mis gaat dan is een verbale uitlaatklep noodzakelijk. Loopt je ketting van je fiets, vloek dan flink. Dat is niet verkeerd. Ook als je vrij staat voor het doel en de ander gaat voor eigen succes. Vloeken!

7 Drink
Een vriend zegt altijd: ‘Drink niet meer dan strikt noodzakelijk.’ Drinken is geen doel, het is een middel, de grens bepaal je zelf. Drinken is een versneller. Emoties en gedachten worden opeens helder. Echt.

8 Voel
In de zin van: fysiek contact. Uiterst belangrijk, want we kunnen kletsen tot we een ons wegen, op het juiste moment de juiste persoon stevig vastpakken geeft het leven wat schwung, doet je bloed stromen en zet zaken in beweging die door honderd verhalen niet in beweging te krijgen zijn. Tevens: Ruik, hoor, zie, proef.

9 Zing
Op de fiets, onder de douche, tijdens Carnaval. Laat die stem galmen. Verlies je stem en schaam je niet. Zingen is geen wedstrijd, het is naar buiten stampen van een gevoel. Kies wel de juiste liedjes, aub.

10 Geniet
Slotpunt en eigenlijk een samenvatting van het voorgaande. Maak je leven niet te zwaar. Een som van de negen voorgaande punten helpt daarbij.