De Revisor, januari 2015

Ik leunde tegen de motorkap van mijn taxi en wees Theo en Omar de kinderen die het grasveldje oprenden, kinderen van de school op de hoek, een jaar of tien, schatte ik. Ze hadden bijna allemaal donkere kleren aan, zwarte en blauwe jassen, mutsen, sjaals.
Ze gingen het plantsoen in. Ze riepen en gilden en zwaaiden met hun armen. Toen zag ik dat ze achter iets aanrenden. Het was een hond.
De hond was niet zo snel meer, hij oogde oud en grijzig. Hij sjokte als een hyena. Hij verschool zich achter het standbeeld en achter het beeld rees het hotel op met de grote letters aan de dakrand. De eerste kinderen kwamen bij het standbeeld en joegen de hond verder het plantsoen in.
Oom zei: Ze jagen dat beest de stad uit.
Theo zei niets. Hij stak een sigaret op.
De hond was nu iets dichterbij onze standplaats en een paar jongens die het hardst konden rennen waren ook dichtbij, en ze schreeuwden en ik stond in de rook van Theo en Omar at zijn broodje, en tussen ons en de hond zat de straat en een stukje gras en toen de hond verder liep in de richting van de beplanting aan de oostkant van het plantsoen riep Theo: Blekkie.
De hond hoorde het. De kinderen hoorden het ook. Ze stopten, de meisjes die achteraan liepen bleven staan toen ze bij de voorsten waren.
Oom zei tegen Theo: Jij kent die hond?
Het is die hond van Astrid, zei Theo. Volgens mij is het de hond van Astrid.
De hond had door dat de kinderen hem niet meer volgden. Hij liep nu rustig over het kronkelpaadje, over de kinderhoofdjes, net zo slungelig maar langzamer.
Theo gooide zijn sigaret op de stenen en stak de straat over. De kinderen stonden bij elkaar op het gras. Een van de jongens zei: Hij zat bij onze school, meneer.
Theo stond eerst tussen de kinderen en de hond in. Toen naderde hij langzaam de hond. Blekkie. Zijn staart hing omlaag, hij leek op zijn gemak. Hij was grijs en boven zijn achterpoot een beetje kaal, kon ik zien. Zijn snoet was grijs.
Blekkie, zei Theo weer.
De oren van de hond gingen omhoog.
Een meisje vroeg: Is hij van u meneer?
Iets dat Oom en ik ook hadden kunnen vragen.
Nee, zei Theo.
De kinderen vroegen niks meer. Even keek ik naar Omar. Hij bewoog niet, leunde tegen de wagen.
Blekkie, klonk het weer.
De hond bleef staan en keek naar Theo. Die deed een paar passen in zijn richting en de hond bleef nog steeds staan tot een van de kinderen boe riep en de hond wegschoot, het grasveldje over, naar de straat.
Theo vloekte. Hij liep naar de kinderen en zei dat ze moesten oprotten, naar school jullie. Ze renden gillend naar het grijze schoolgebouw, even grijs als het hotel en de ABN aan onze kant van het plantsoen.
De hond was de zijstraat al overgestoken en sjokte nu op de strook gras tussen de twee rijbanen, bij een beeld. Theo ging terug naar de taxi’s en zei tegen Oom: Geef mij eens een stukkie.
Omar scheurde een stukje brood af. Theo hield zijn hand op. Met het brood ging hij achter de hond aan.
Blekkie, riep hij. Niet hard genoeg. Hij keek even in de richting van de school. Hij wilde die kinderen niet terug zien hier. Hij stak weer over, voor een auto langs die groen had. Niet toeteren, dacht ik, dan schrikt die hond. Maar dat deed de auto niet.
Blekkie.
Theo zei het niet luider, wel was hij dichterbij nu en de hond bleef weer staan, zijn oren omhoog. Hij keek om. Theo hield het stukje brood in zijn hand, stak zijn hand uit. Blekkie. Hij keek steeds naar de hond.
Toen kwam de hond naar hem toe, voorzichtig. Hij rook het brood misschien. Theo hield zijn hand stil. De hond liep langzamer nu maar hij kwam wel dichterbij, nog een paar passen, het leek wel sluipen, zijn kop laag bij de grond, en toen rook hij aan het brood, of aan Theo’s hand of aan dat alles samen, ik wist het niet, en Theo zei weer: Blekkie.
Zachtjes.
Blekkie keek op.
Ja, zei Theo. Ik ben het.
De hond knabbelde aan het brood.
Theo brak het stukje brood in tweeën, de hond schrok er haast van, en toen stak hij weer zijn hand uit en at Blekkie verder. Hij had dan misschien erge honger maar hij schrokte niet. De hond at heel beheerst en keek steeds naar Theo die hem aan het andere stukje brood liet ruiken maar het hem nog niet gaf. Eerst aaide hij de hond over zijn kop, heel voorzichtig. Blekkie huiverde weer maar deed verder niks. Weer aaien. Toen hield Theo zijn hand bij zijn neus, hij wilde de vacht van de hond ruiken, en die was vetting en hij stonk, merkte ik later.
Wat doet die hond hier? moet Theo zich afgevraagd hebben. Waarom ziet hij er zo beroerd uit?
Theo gaf hem nog een stukje brood, bukte licht. Even keek hij naar de taxistandplaats, naar ons, en net op dat moment zag Oom een klant aan komen lopen met een rolkoffer en zijn wagen stond vooraan. Ik zat tegen de motorkap, mijn voeten op de straat, mijn benen gekruist, zoals ik dan sta.
Weer een stukje brood. Weer zei Theo zijn naam en toen klopte hij tegen zijn bovenbeen en het zag eruit alsof hij dat al veel vaker had gedaan en de hond kende het gebaar, zo van: we gaan lopen. Kom. En Blekkie reageerde, een klein sprongetje, een versnelling, en Theo liep naar de straat en de hond volgde. Er waren geen auto’s. Ze staken de eerste weg over en in het plantsoen gaf hij hem een laatste stukje brood en toen ze de weg naar de standplaats overstaken vroeg ik: Lukt het?
Jawel, zei Theo zacht.
Ik vroeg wat hij ging doen met die hond. Hij zei niks terug. Hij wist waarschijnlijk niet wat hij ging doen met die hond.
Hij zei: Dit is de hond van Astrid.
Ik dacht aan Astrid. Hoe lang was dat geleden? Tien jaar? Twaalf? Ze kwam wel eens mee naar het station als we daar stonden en dan pakte ze de trein en ging Theo aan het werk hier in de stad.
Theo zei: Hij lag altijd bij haar op een kleedje, nooit op de bank.
Ik was nooit bij hen thuis geweest maar wist dat het achter het Mirandabad was. Het De Mirandabad, moet je eigenlijk zeggen. Maar dat doet niemand. Vlakbij het Amstelpark.
Theo hield de hond in de gaten.
Heb jij nog wat te eten?
Voor die hond?
Anders loopt-ie misschien weg.
Alleen een saucijzenbroodje, zei ik.
Kom maar dan.
En ik pakte het papieren zakje met de vetvlekken van mijn dashboard, haalde er een saucijzenbroodje uit en brak er een klein stukje af. Er zat amper vlees in. Ik gaf het aan Theo. Hij liet de hond er aan ruiken.
Wat wil je doen met die hond? vroeg ik weer.
Ik weet het niet. Hij was van Astrid.
Wil je hem naar haar terugbrengen?
Misschien.
Allebei keken we naar de hond. Hij zag er smerig uit nu we bij de auto’s stonden. Ik kon de bekleding van Theo’s wagen ruiken, alles net nieuw. Hij zei: Ik wil alleen die hond niet op mijn achterbank.
Ik twijfelde ook, maar mijn wagen is oud en ik was ook nieuwsgierig en ik wilde helpen, en ik zei: Kom maar, en ik trok het achterste portier van mijn auto open en ging er naast staan. Theo keek me aan, het saucijzenbroodje in zijn hand.
Zeker weten? vroeg hij.
Ja, knikte ik.
En ik zei: Wie weet hoe lang hij al buiten is.
Ik kende wel die posters in de stad, op bomen en lantaarnpalen, van vermiste dieren. Meestal katten. Dat had Astrid misschien ook wel gedaan.
Maar Theo zei: Astrid zou hem nooit alleen buiten laten. Of weg doen.
Blekkie keek naar mij en naar Theo, naar zijn hand vooral.
Stop dat eens weg, zei hij.
Hij hield het zakje met de rest van het saucijzenbroodje achter mijn rug en Theo zei: Blekkie. En hij klopte tegen zijn bovenbeen en de hond deed een paar kleine pasjes naar hem toe, weer met zo’n sprongetje, naar zijn uitgestoken hand. Toen hij bij het portier was liet Theo de hond even ruiken en toen gaf hij hem een paar kruimeltjes en Blekkie at en toen gooide Theo het laatste stukje van het saucijzenbroodje op de achterbank en eerst snuffelde de hond aan het leer van mijn bank, zette zijn voorpoten er traag op, rook weer, en toen sprong hij naar binnen.
Theo deed het portier dicht.
En nu? vroeg ik.
Hij eet vast al die kruimels op, zei Theo.
Dat bedoel ik niet, ik bedoel: Waar moet-ie naartoe?
Ik rij wel mee, zei Theo en hij liep om de auto heen want hij weet ook wel dat wij nooit een ander in onze auto laten rijden.
Ik ging achter het stuur zitten, zag de hond eten in de spiegel. Theo stapte in, aaide hem, trok met zijn andere hand het portier dicht. Alles heel zachtjes. Ik draaide het raampje iets naar beneden en startte de motor. Ik zei: Bijzondere klant.
Nou, zei Theo.
Ik breng hem wel even terug, zei ik. Zeg maar waar we heen moeten.
Je bent een lieve collega, zei Theo.
Zeg dan.
Hij wees recht vooruit en we reden weg.
Blekkie had het saucijzenbroodje op en werd al onrustig. Hij stond op de achterbank. Theo haalde hem aan. Rustig maar, zei hij. Het was alsof de hond zijn stem herkende. De hond ging zitten.
Hij meurt wel hè, zei Theo.
Ik reageerde niet. Ik reed de straat uit, door het groene licht naar de Apollohal. Daar weer groen. Blekkie piepte een beetje.
Rustig maar, zei Theo.
De Churchilllaan uit. Die straat naar het zwembad rechts, zei Theo. Het was een stukje van niks. Het huisnummer wist hij niet meer maar wel herkende hij de voordeur, net voorbij een hoek. Een opvallende rode deur met drie bellen. Theo wees hem aan. Astrid zat op de eerste verdieping.
Ik zette de auto op de stoep voor het fietsenrek. Blijf, zei Theo tegen de hond en hij piepte maar ik geloof niet dat hij de auto uit wilde of dat hij langs hem heen zou springen, en dat deed hij ook niet. Theo stapte uit. Blekkie stond wiebelig op de achterbank en volgde hem steeds.
Blijf, zei Theo tegen de auto.
Toen liep hij naar de deur, de rechter. De onderste van de drie bellen. Op het zwarte naamplaatje stond alleen haar achternaam, vertelde Theo later. Het zat er nog steeds.
Hij belde aan.
Het duurde even voor de deur opengetrokken werd. Theo keek naar boven. Hij zei iets. Hij schudde nee. Er stond een andere vrouw bovenaan de trap, vertelde hij later, niet Astrid. De vrouw had een klein kindje op haar arm.
Theo vertelde haar dat hij een hond gevonden had en dat zijn baasje hier eerst woonde, Astrid.
Zegt me niks, zei de vrouw. En ze vertelde dat ze hier nog maar net woonde, dat ze blij was dat het hier vrij was gekomen, en dat er soms post kwam voor de vorige bewoner.
Theo vroeg haar wie die bewoner was en de vrouw noemde Astrid haar naam en achternaam, en de vrouw zei: Met een A inderdaad.
Dat hoorde ik allemaal later. Op dat moment zat ik samen met die hond in de wagen te wachten tot Theo weer naar de auto liep was hij veranderd, en aan zijn houding kon ik al zien dat Astrid er niet was en dat het erger was dan dat.
Hij stapte in. Blekkie kwam iets naar voren en likte zijn hand. Theo zei: Ze was er niet.
Verder zei hij niks maar de toon verklaarde veel. Hij zei niet alleen dat ze (hier) daar niet meer woonde, hij wist dat ze er helemaal niet meer was.
Rijden maar, zei ik.
Ik draaide het raampje iets verder open, niet om de lucht van de hond. Die leek minder sterk, of wende ik er aan? Ik had zelf frisse lucht nodig.
Ik reed de straat uit, om het blok heen, terug naar de Churchilllaan. Waar moeten we met die hond naartoe? vroeg ik me af. Naar mijn huis? Dat zou Lin niks vinden, dat kon ik wel voorspellen. Het asiel? Het was een straathond, zo te zien. Al een tijdje.
Theo voelde aan wat ik dacht. Hij zei: Ga je terug naar het Hilton?
Ik knikte.
En jij?
Theo dacht even na. Toen zei hij: Rij even langs de Amstel. Langs het park.
Goed.
Ik maakte een rondje door de buurt. De hele dag nog geen klant gehad. Ik reed richting de snelweg en voor de brug over de Amstel sloeg ik rechtsaf, langs het water. Ik zette de auto op het gras. Wat wilde hij doen? Loslaten, die hond? Hem even uitlaten?
Blekkie piepte. Hij moest piesen natuurlijk.
Theo had geen riem of wat dan ook en de hond had geen halsband om en Theo kon hem niet vasthouden. Ik zag hem twijfelen. De deur open doen of toch niet?
Toen stapte Theo uit en opende hij het achterste portier en Blekkie sprong uit de wagen. De hond liep naar een boom die vlakbij stond en piste tegen de boom. Toen keek hij om zich heen. Theo zei niks. De hond keek even naar hem en liep toen het grasveld op. Her en der stonden bomen. Blekkie snuffelde, liep rustig verder en Theo keek hem na.
De hond liep weg, wist ik. Op zijn gemak. En toen hij een flink stuk het gras op was ging Theo weer in de auto zitten, naast me, en hij keek nog steeds naar de hond en hij zei: Die Astrid.
Blekkie liep met zijn schouders hoog en zijn rug aflopend. Hij liep helemaal naar de andere kant van het park, tot we hem bijna niet meer konden zien. Het was alsof hij even een ritje in mijn taxi gemaakt had en nu weer verder liep, gewoon naar huis of naar de trein. Hij leek volkomen op zijn gemak.
Ik reed terug naar de standplaats bij het Hilton. Omar was er niet. Alleen Theo’s wagen stond halverwege de standplaats. Ik zette de mijne er achter en we bleven nog even zitten.