Tirade, december 2013

Ze lieten haar alleen het schap met toiletpapier bijvullen, daar kon niks kapot vallen. Verpakte vleeswaren mocht ze ook soms doen, en de zakken pasta. Geen spaghetti. Geen flessen of potjes. Ze had al drie keer de mop met het karretje moeten halen.
De manager zei: Soms maakt een mens vergissingen.
Zij was zo’n vergissing. Haar deze zomer aannemen was een vergissing geweest. Maar ze was niet gek. Ze zei: Dan ga ik maar.
En ze liet de stalen kar met pleepapier en keukenrollen in plastic verpakkingen staan, trok haar witte jas uit, gaf die aan de manager en liep de winkel uit.
Ze fietste door het dorp. Het was niet warm, geen zwemweer, en toch fietste ze door de polder naar de zandafgraving die beschut werd door struiken en daarachter een rij hoge populieren en waar op mooie dagen gezwommen werd.
Drie jongens zaten op het grasveld, verder was er niemand. Een van de jongens had een spinneweb op zijn elleboog getatoeëerd. Een andere jongen droeg een pet. De derde jongen vroeg haar of ze er bij kwam zitten. Goed, zei ze. Misschien konden ze aan haar zien dat ze net haar baantje kwijt was, want die derde jongen vroeg haar wat er was. Wat is er? Hij zag het aan haar.
Ze zei: Ik ben weggelopen bij mijn werk. Die baas was een lul.
Nou, zei hij. Goed dat je weg bent daar.
De jongen met het spinneweb vroeg haar of ze wat wilde drinken. Ze kende hem wel uit het dorp maar ze wist zijn naam niet.
Heb je cola? zei ze.
Ze hadden cola en bacardi en bier. Ze wilde alleen cola. De jongen gaf haar cola, ze dronk uit de fles. Het was lauw maar prikte wel.
De jongen heette Cor. Ze zaten naast elkaar in het gras, vlakbij de verkoolde zwarte plek in het gras waar soms vuur werd gestookt.
De andere jongens rookten. Cor rookte niet. Ze zat naast hem en toen het donker werd zaten ze er nog. Ze praatten over het werk van een van de jongens, die begon om zes uur in de ochtend bij de pindafabriek. Hij had een brommer. Cor had een auto. Hij bracht haar terug naar het dorp, haar fiets paste achterin de wagen, met de klep open. Het voorwiel stak eruit en het wiel draaide toen de auto de provinciale weg afreed.
Hij tilde haar fiets eruit en ze bedankte hem en liep met de fiets in haar hand naar de brandsteeg.
De volgende avond ging ze weer naar de zandafgraving. De jongen van de pindafabriek was er. Hij zei dat Cor nog wel zou komen. Hij rook naar nootjes. Hij was aardig.
Cor kwam inderdaad. Hij had blikjes bier mee en chips. De andere jongen was er niet maar wel een blonde jongen uit een ander dorp, hij had groene voetbalkousen aan, die hadden ze in haar dorp niet.
Ze hoorde dat Cor in het leger zat. Hij wachtte op uitzetting. Hij ging naar Libanon. Ze wist ongeveer waar dat lag. Hij zei er verder niks over. Libanon of de pindafabriek, het leek allemaal hetzelfde. Het rook misschien zelfs hetzelfde. Cor zou terugkomen uit Libanon en dan rook hij misschien ook wel naar nootjes.
Hij bracht haar weer terug naar het dorp en zei dat hij haar wel op zou halen de volgende keer, dan hoefde zij niet te fietsen en dan hoefde hij niet die fiets steeds in de bak te tillen.
Goed, zei ze.
De volgende keer kuste ze hem op zijn wang. Toen hadden ze wat. de andere jongens wisten het, of ze namen het gewoon aan. Ze zeiden er niks over.
Die zomer was mooi tot haar geld op was en haar moeder haar niks wilde geven. Die zei: Had je maar bij de supermarkt moeten blijven. Haar pa zei dat ze dan maar weer iets moest zoeken. Ze had er weinig zin in. Vergissing, dacht ze.
Cor leende haar honderd gulden. Ze tracteerde op bier en cola bij de zandafgraving op een avond dat er vuur was. Cor zat tegen haar aan. Hij zei: Over drie weken ga ik.
Dat klopte. Op een maandag moest hij zich melden op de kazerne. Ze wilde hem wegbrengen, of met hem mee. Hij zei: Ik ga met de bus anders staat mijn auto daar die hele tijd.
Zijn broer wilde in zijn auto rijden als hij weg was.
Dan ga ik mee, met de bus, zei ze.
Eerst was het nog warm en zonnig. Ze reden in de auto van Cor naar de zandafgraving en de raampjes stonden open en ze legde haar blote voet tegen de zijspiegel.

Op de dag dat hij vertrok regende het. Ze stonden bij de bushalte, ruim op tijd. Een keer in het uur reed de bus het dorp in. Lijn 128. De bus zou het dorp door rijden en de dijk volgen naar de rivier en van daar de brug opzoeken.
Hij vertelde dat hij er al vaak geweest was, hij kende dat stuk. Zij was nog nooit met de bus geweest. Niet naar school, dat was de andere kant op, in een ander dorp. Ook niet voor haar werk, dat was altijd in het dorp geweest, bij de drogist en bij de supermarkt. En ook nog een keer bij de kapper, waar ze de vloer aanveegde en haren waste als de kapper haar dat vroeg.
De bus kwam, iets te laat. Cor was bang dat hij helemaal niet meer zou komen. Hij keek steeds op zijn horloge. Hij kwam toch. De bus was geel en er stonden rode banken in. Achterin zaten twee oude vrouwen, net achter de deuren. Cor en zij gingen voorin zitten, waar twee banken tegenover elkaar stonden. Hij zette zijn schoenen op de bank die achteruit reed. Zij keek in de spiegel naar de chauffeur.
Ze gingen het dorp door. De regen tikte op het dak van de bus. Als de bus bij een halte stopte en even stil stond hoorde ze dat het beste. Ze zaten dicht tegen elkaar aan. Ze zei niets. Het voelde alsof er iets heel gewichtigs ging gebeuren en alsof ze iets moest zeggen, maar hij zei niets en zij wist niet wat ze wilde zeggen.
De ruitenwissers piepten over de voorruit, twee hele grote ruitenwissers die het water amper aankonden. Ze dacht aan tranen, ze dacht aan een zakdoek, ze dacht aan haar moeder die ze ooit zag huilen op de begrafenis van opa. Maar zelf huilde ze niet en Cor ook niet, die ging gewoon.
Hij had zijn zware schoenen aan en zijn groene broek. Niet zijn jas, die zat in de rugzak. Hij droeg zijn egen leren jas.
Hij wees haar de pont en in de verte de brug. Ze vond de uiterwaarden mooi en de bus reed er hoog doorheen en ze kon de rivier zien en die vond ze klein maar ook mooi. Ze was hier eerder wel geweest, maar vaak in het donker, als ze met de pont naar een van de discotheken gingen aan de Brabantse kant. Dan was het donker en leek het water erg breed. Nu leek de rivier een soort kanaal.
De brug over.
Meer bebouwing hier en veel bomen die allemaal netjes op een rij stonden, als soldaten.
Toen zei Cor dat ze bij zijn halte waren. Er was ergens een jongen ingestapt die ook zware schoenen aan had en die naar hem knikte en achter hen ging zitten, misschien omdat zij erbij was.
Ze stapten uit.
Hij zei: Je kunt ook blijven zitten, hij rijdt tot het eindpunt en komt dat terug. Je kunt hem ook zometeen weer terug nemen. Er zit weinig tijd tussen.
Oké, zei ze. Ik zie wel. Ik loop wel mee naar het hek.
Ze had de poort al gezien. daar nam hij afscheid. Hij wilde haar niet helemaal het terrein op hebben, dacht ze. Dat mocht misschien niet. Oké, zei ze. Dag. En ze kuste hem. Hij kuste haar. Op de mond. Ze voelde zijn tong. Ze kreeg het warm.
Toen zei hij ook dag. Met zijn rugzak aan één band over zijn schouder liep hij de poort door, naar de ingang. Hij keek niet om.
Ze ging terug naar de bushalte. Ze wachtte een uur en toen kwam de bus, met een andere chauffeur. Hij stempelde haar kaart, die helemaal nieuw was. Cor had de heenrit betaald. Ze zat aan het raampje en nog steeds regende het. Ze dacht aan de avonden bij de zandafgraving en aan de baas van de supermarkt toen ze hem ontmoet had. Als hij niet zo’n lul was geweest had ze Cor nooit ontmoet, dacht ze.
Nu reed ze terug door de regen, de dijken nat, haar straat in het dorp nat. Ze liep door de brandgang naar de achtertuin en toen ze de keuken binnenkwam zei ze tegen haar moeder dat ze hem weggebracht had en haar moeder zei: Hopelijk gaat het goed.
Weer dat gewicht.
Ze knikte.
De weken daarna, de maanden daarna voelde ze dat steeds. De mensen in het dorp vroegen aan haar hoe het ging, en dan bedoelden ze hoe het met Cor ging. Hij had haar drie keer gebeld en een keer een kaart gestuurd, vanuit Beiroet. Er stond een strand op en hij had op de achterkant geschreven: Net als thuis.
De buurvrouw zei anders nooit iets tegen haar, alleen tegen haar moeder, en nu stopte ze als ze met de hond liep en vroeg ze naar hem. Ze las erover in de krant.
Ze was de vriendin van iemand in de krant.
In september was het een week lang heel warm en zocht ze de zandafgraving weer op. De jongen van de pindafabriek was er en zijn vriend met het spinneweb ook. Ze ging bij hen zitten en ze dronken bier. Ze zeiden niet veel. De jongen van de pinda’s vroeg alleen: Nog iets gehoord?
Ja, zei ze. Gaat goed.
Mooi.
Ook nu was ze de vriendin van en ze was trots en ze dacht aan Cor en aan de ruitenwissers van de bus die traag over het glas heen en weer bewogen.
Ze wilde naar de supermarkt, op dit moment. Ze kwam daar wel maar ze wilde aan de man van de supermarkt laten zien dat ze geen vergissing was, dat ze het allerzwaarste wat er was mee kon dragen, gewoon de winkel in. En dat ze bier kon kopen en chips en gewoon met contant geld af kon rekenen en de winkel weer uit kon lopen. Er was vast wel iemand die iets aan haar zou vragen en die vrienden van Cor zouden buiten op haar wachten en samen terug hierheen fietsen en de mensen op straat zuden haar zien en ze zouden hier de blikjes opdrinken en als het donker is naar huis gaan. Er zou verder niks gebeuren. Het zou alleen herfst worden en koud en de regen zou weer vallen en dan zou ze hem op een gegeven moment weer op gaan halen, met de bus.
Ze wist niet wanneer. Een jaar, had hij gezegd. Het maakte niet uit. Ze had de tijd. Een jaar duurde heel lang en ook gaat het snel voorbij.
Soms dacht ze dat hij nooit meer terug zou komen. Dat was geen angst. Het was bijna een wens. Als hij terug was zou ze niet meer de vriendin van die jongen in Libanon zijn. Dan zou ze dat gewicht niet meer voelen, dat was er niet meer.
Ze had wel eens op het journaal berichten gehoord over bermbommen en mijnen. Bommen. Ze hoopte stiekum op zo’n bom. Eerst hoopte ze stiekum. Na een maand geloofde ze in die bom en zei ze: Cor komt niet terug.
En de mensen troostten haar dan en ze zeiden dat ze niet bang moest zijn en dat deed haar goed. Ze merkte dat ze bang mocht zijn, dat was normaal, ze mocht het laten merken. Ze leerde dat ze kon huilen, gewoon op straat. In de winkels. De mensen waren lief voor haar.

Na de winter schreef Cor dat hij in juni terug zou komen. Een maand eerder dan gepland. Het was vreselijk saai, ze vochten nooit, er gebeurde niks. De zandafgraving was spannender.
Ze wachtte tot juni en ze wachtte tot hij er weer was en ze haalde hem op met de bus, het was droog. Het was zonnig. Cor was bruin geworden. Hij had heel kort haar. Hij was blij haar weer te zien en terug te zijn en zij zei: Ik ook.
In de bus terug, op de dijk, vertelde hij dat er één jongen van zijn peloton was verongelukt en er brak iets in haar. Ze vroeg hem hoe die jongen heette, en hij zei: Patrick. Het was een Surinamer.
Altijd als ze die zomer met Cor bij de zandafgraving was of gewoon bij zijn ouders in de achtertuin zat dacht ze aan Patrick. Hij was niet gesneuveld in een gevecht, hij was aangereden door een van de zware voertuigen, vertelde Cor. Een van hun eigen voertuigen. Het maakte haar niks uit. Ze wilde hem vragen of ze een foto van Patrick had maar dat durfde ze niet. Ze vroeg alleen of ze foto’s had van zijn tijd in Libanon en die had hij, zijn moeder had ze in een fotoalbum geplakt. Hij liet ze zien en ze bladerde door de foto’s en toen ze een groepsfoto zag stond er één donkere jongen op de foto, helemaal rechts. Hij had een zwaar geweer in zijn handen en hij lachte. Hij had witte tanden. Ze zei niks tegen Cor. Ze dacht heel vaak aan Patrick.
Ze deed niks. Ze ging niet weg bij Cor. Ze trouwden op een regenachtige dag in april en hij ging nog een keer op missie. Niet naar Lebanon. Zonder Patrick.
Ze kwam er nooit achter of Patrick een vriendin had. Ze dacht aan hem, niet uit medelijden, gewoon voor zichzelf. Patrick had van haar de vrouw kunnen maken die ze zo graag was, een vrouw die af en toe huilde maar waar iedereen toch van zei: Wat een sterke vrouw.
Nu huilde ze nooit meer en zelden vroeg iemand haar iets, zeker niet toen Cor ook van zijn tweede missie terug kwam.
Hij bleef in Nederland en werd weer lid van de voetbalclub.