Vrij Nederland, december 2006

Ze borstelt haar lange donkere haar. Ze houdt haar hoofd scheef, de borstel strijkt van boven naar beneden, tot haar hand die de uiteinden bundelt loslaat, de borstel laat ontsnappen en de beweging van beide handen zich herhaalt.
In de besloten ruimte van de binnentuinen hoort ze slechts af en toe een stem, muziek, geluiden uit een keuken. Iemand die dezelfde zin een paar keer zingt. Achterin de tuin, bij de brandnetels en de verwilderde bramen, staat een hoge boom die de woningen aan de andere kant van het blok aan het oog onttrekt. Ze is die boom dankbaar. Dankbaar dat hij nu weer bladeren heeft en ze de huizen achter de boom niet kan zien. Dankbaar dat niemand haar kan zien.
Ze zit onder het balkon van éénhoog, op het koude metalen deksel van de vuilnisemmer. Er zijn geen meubels in de tuin. Het bankje dat er stond heeft hij meteen toen ze hier kwamen wonen weggehaald. Het is verrot, zei hij. Maar dat was niet zo. Ze haalt het niet in haar hoofd een van de stoelen die bij de eettafel horen buiten te zetten. Ook niet voor even. Hij zal merken dat de poten vies zijn. Dat de zitting koud is. Hij merkt alles.
Ze zit op de vuilnisbak en ze laat de stugge borstel door haar haar gaan. Dan kijkt ze naar de borstel. Om de speldenkoppen zitten haren gewikkeld. Ze trekt ze los, houdt ze in de lucht en laat ze los, laat ze meevoeren met de bries die door de binnentuin waait, die om de boom cirkelt. Ze ziet de haren opstijgen tegen het bladerdak van de boom, tegen het blauw van de lucht, tegen de wolk die juist over de dakrand van de huizen aan de andere kant van het blok komt.
Er beweegt iets op de schutting, op de bovenste plank die groen uitgeslagen is. Ze kijkt. Niets. Ze wacht. Dan ziet ze op de hoekpaal een vogeltje zitten. Hij is geel met zwart en wit. Zo groot als een mus. Hij hupt, kijkt naar links, naar rechts. Dan vliegt de vogel naar de boom en gaat op een van de onderste takken zitten. Onder de boom liggen de trottoirtegels opgestapeld die hij uit de tuin heeft gehaald, die een terras vormden, een stuk de tuin in. Waar nu de tuin een wildernis is van zand en zwarte grond en onkruid. De vogel gaat op een van de tegels zitten en kijkt weer. Hij draait zijn kopje heen en weer, vliegt naar de boom en gaat op het houtje zitten dat uit een groen kastje steekt. Dan verdwijnt hij achter het kastje.
Ze staat op van de vuilnisbak en doet een paar passen langs de muur. Tegen de zijkant van de boom hangt een nestkast. Ze heeft het nog niet eerder gezien. Ze loopt een stukje de tuin in, haar rok strijkt door het onkruid. Als ze halverwege de tuin is ziet ze aan de zijkant van de kast een rond gat zitten en juist op dat moment verschijnt het vogeltje weer in de opening, hupt naar buiten, blijft even op het stokje zitten en vliegt dan de tuin in, de schutting over.
Had ie nou wat in zijn bek?
Een vrouwenstem van boven haar. Ze draait zich om. Op het balkon van de eerste verdieping staat een vrouw. Ze heeft een zwarte jas aan. Lang haar in een knotje. Ze heeft een bril op.
Volgens mij had ie een takje in zijn snavel, zegt de vrouw.
Ik zag het niet.
Ze blijft in de tuin staan. De grond onder haar schoenen is opeens zacht.
Ieder jaar maken ze een nestje, zegt de vrouw. Ik vroeg me al af of ie weer terug zou komen en nou is ie er weer.
Ja, zegt ze zacht.
Dat heeft die man die voor jullie hier woonde opgehangen, zegt de vrouw. Volgens mij heeft hij het nog zelf gemaakt ook.
Ze kijkt even omhoog naar de vrouw, naar haar glimmende jas, haar brillenglazen waar de lucht in weerspiegeld wordt. Dan kijkt ze weer naar de planten die tussen haar en het huis staan. Ze ziet gele bloempjes. Ze laat de borstel door haar handen gaan. De vrouw ziet het.
Mooi haar heb je. Mooi donker.
Dank u wel.
Bevalt het hier?
Ja. Goed.
Het is goed wonen hier hoor. Ik woon hier al meer dan veertig jaar en ik heb hier altijd goed gewoond.
Een geluid in het huis. Is dat de voordeur? De klink? De sleutel in het slot?
Ik moet naar binnen, zegt ze.
Goed hoor meisje.
De voordeur valt in het slot.
Dag, zegt ze, fluisterend haast. En ze verdwijnt onder het balkon.
Dag hoor. Als je iets nodig hebt dan hoef je maar te roepen hoor. Dan weet je dat.

De gordijnen zijn dicht, aan de voorkant en aan de achterkant van het huis, en ook in de slaapkamer, waar zij bij de deur staat te wachten, te luisteren naar het geluid van haar man die een deur verder staat te pissen. Het duurt lang. Dan houdt het op, geen stromend water, alleen gevolgd door het rammelen van de wc-papierhouder, het scheuren van het papier. Zijn broek die op de badkamervloer valt. De riem geeft een holle tik tegen de tegels. Hij zit nog aan de broek. Dat denkt ze.
Hij duwt de deur open, knipt het licht uit en stapt naar haar toe. Hij zegt niets. Hij gebaart alleen kort dat ze zich om moet draaien. Dat doet ze. Hij gaat achter haar staan. Hij is een kop groter en als hij dichterbij komt voelt ze zijn adem over haar hoofd gaan. Hij legt een hand tegen de zijkant van haar hoofd, steekt zijn vingers tussen haar haren en trekt er zacht aan.
Borstelen, zegt hij in zijn eigen taal.
Hij trekt harder en herhaalt: Borstelen.
Ze doet haar ogen dicht en voelt de hand ontspannen, weer trekken, weer ontspannen, aaien haast.
Wilde je je mooi maken?
Ze knikt.
En? Ben je nu mooi?
Ja.
Of weet je niet wat ik mooi vind?
Ze antwoordt niet. Zijn hand trekt kort aan een pluk haar.
Ik heb het aan, zegt ze.
Hij lacht kort, drukt haar met haar buik tegen de achterkant van het bed en trekt haar rok omhoog. Dan tilt hij haar rechterbeen op en legt haar knie op de houten rand. Het licht dat van de gang de slaapkamer binnenkomt is een smalle streep in de spiegel en in dat beeld ziet hij hem achter haar staan, groot, sterk, zijn handen werken als de handen van een fabrieksarbeider. Hij zegt niets, hij doet.
Hij trekt aan de rand van het badpak dat strak om haar bovenbenen zit. De zoom heeft een bleke rand in haar huid achtergelaten. Hij laat het elastiek los en het badpak tikt tegen haar been. Het doet pijn maar ze maakt geen geluid. Hij lacht kort, als een kuch.Dan gaat hij door. Hij trekt het badpak tussen haar billen vandaan.
Niet daar, zegt ze. Ze slikt de woorden in, toch zijn ze duidelijk. Niet daar.
Hij doet het toch. Hij dringt bij haar binnen, ruw en stroef, en een en al weerstand. Zijn grote handen laten haar heupen even los, sluiten zich dan weer en houden haar onderlichaam stevig op haar plaats. Ze schreeuwt en alsof hij dat verwachtte buigt hij zich voorover, schuift het kussen naar haar gezicht, drukt haar gezicht erin zodat het geluid gesmoord wordt en hij gaat door.

De telefoon gaat. Ze neemt op, zegt niet haar naam. Zegt alleen: Ja?
Youssra.
Het is haar moeder. Die herhaalt haar naam. Youssra.
Mama, zegt ze.
Alles goed daar?
Ja.
Heb je al nieuws?
Wat voor nieuws?
Je weet wel.
Nee.
Nog niet?
Nee mam.
Haar moeder mompelt iets, zegt iets tegen iemand anders, bij haar in de kamer.
Dan hoort ze iets schuren tegen de hoorn. Een lap stof. Het ritselt, dan hoort ze een tijd niks meer en als de achtergrondgeluiden er weer zijn hoort ze haar moeder zeggen: Jij bent de oudste, Youssra.
Youssra zegt niets terug.
We hebben voor je gebeden.
Weer zwijgt ze.
Youssra?
Ze slikt.
Ben je daar nog?
Ja. Hoe is het bij jullie? Met pa?
Die is bij de training kijken.
Dat dacht ik al.
En z’n rug?
Dat gaat al wat beter. Hij moet in beweging blijven. Dat is het beste. Een beetje wandelen en zo.
Is hij lopend naar de training?
Ja.
Dat is toch goed.
Ja. Hij kon wel meerijden, maar dat wou Mo niet. Die vroeg het hem zelfs nog, maar ik denk dat hij liever zelf gaat. Dat hij niet op hem wil wachten voor hij terug wil gaan.
Door haar gepraat heen hoort Youssra gerommel in de tuin. Een man die iets schreeuwt vanaf een van de balkons.
Dan vraagt ze: En het weer?
Koud.
Hier gaat het wel.
Bij ons blijft het maar koud.

Ze wordt wakker van het eerste zonlicht dat door een kier tussen de gordijnen de slaapkamer binnenkomt. Hij ligt naast haar, zijn armen onder zijn hoofd gevouwen. Hij slaapt. Ze wacht tot de wekker gaat en hij opstaat, naar de badkamer loopt en een douche neemt. Het duurt niet lang voor hij de slaapkamer weer inkomt. Hij droogt zijn haren met een handdoek, hangt de handdoek over de leuning van de stoel en trekt zijn werkkleren aan.
Waar zijn ze?
Ze kijkt naast zich. Daar ligt alleen het kussen. De poppen liggen naast het bed. Ze raapt ze van de vloer en zet ze naast elkaar op het bed, hun ruggen tegen de muur, hun gezichten kijken de kamer in. Het ooglid van een van hun oogjes blijft op en neer gaan.
Hij knikt, loopt naar de keuken, haalt zijn trommel met eten die zij de vorige avond vroeg al heeft klaargemaakt uit de koelkast en gaat werken.
Youssra draait haar rug naar de poppen toe en kijkt naar de gordijnen. Een tijdje blijft ze liggen. Dan staat ze op, trekt de gordijnen open en gaat in het felle zonlicht liggen dat het bed doet verzuipen. Ze gooit de poppen weer op de grond.
De zon is warm en het licht voelt zacht op haar huid. Het tintelt. Ze kijkt naar de boom. De bladeren zijn heldergroen in het licht en ze bewegen zacht aan de takken zodat het licht steeds verandert en de boom door de tuin lijkt te schuiven. Lange tijd ligt ze op bed. Dan ziet ze het stokje van de nestkast. Ze ziet de vogel niet, hoort hem niet, maar ze weet dat in de stilte van de tuin, in dat weldadige licht, die vogel op zijn nest zit en in stilte wacht op wat er komen gaat.

Dagen later doet ze de deur naar de tuin open en voelt ze de frisse lucht van de ochtend tegen haar onderbenen. Ze gaat voor het raam staan en kijkt naar de nestkast. De vogel laat zich eerst niet zien, maar verschijnt dan plotseling op de rand van de schutting en vliegt direct naar de nestkast. De vogel heeft iets in zijn bek. Ze houdt zich stil. De vogel vertrekt weer en als Youssra dichterbij komt hoort ze de jongen piepen. Een geluid dat amper te horen is, maar onmiskenbaar het meest heldere teken van leven om haar heen. Ze blijft staan, ademt uit. Dan doet ze weer een paar passen. Er staan brandnetels in de tuin en ze voelt het bijten in haar benen, op haar enkel, haar kuit, maar ze loopt tot bij de stapel trottoirtegels waar ze op haar hurken gaat zitten, zich klein maakt en wacht.
De vogel komt weer aangevlogen, weer met iets in zijn bek, en alsof ze er niet is vliegt hij naar het stokje, hupt naar de ingang en verdwijnt in de nestkast. Het gepiep wordt even sterker, houdt dan op en als de vogel weer vertrekt piepen de jongen weer harder.
Youssra kijkt er lange tijd na.
Als ze terug naar de deur loopt ziet ze de bovenbuurvrouw op het balkon staan.
Mooi hè, zegt ze. Haar stem is zacht.
Ja. Heel mooi.
Ze hebben een nestje.
Ze knikt.
Goed dat je niet te dichtbij kwam. Dan kun je de moeder verjagen. Maar dat wist je zeker wel?
Nee.
Nou, ik zag je zo voorzichtig doen. Dat is heel goed. Je hoort wel eens andere verhalen.
Youssra gaat iets opzij staan en de bovenbuurvrouw legt haar armen over de balustrade en maakt zich klein. Daar is ie weer, zegt ze.
Ze kijken naar de vogel.
Heb je die bij jullie ook? vraagt de bovenbuurvrouw, als de vogel het nest weer verlaten heeft.
Wat bedoelt u?
Koolmezen. Of die bij jullie ook voorkomen.
Ik denk het niet.
Nou, dan zie je nog eens wat, hè meisje.
Ze kijkt omhoog, naar het vriendelijke gezicht van de vrouw. Naar de lach die net als het zonlicht de schaduw uit de tuin doet verjagen.

Ze ligt in het midden van het bed, haar armen langs haar lichaam, haar voeten tegen elkaar. Hij pakt haar linkerbeen vast, tilt het op en plaatst het over haar andere been. Haar benen kruisen zich bij haar smalle enkels.
Hij loopt langs de lange zijde van het bed naar de muur en drukt een lampje in het stopcontact. Het is een rond nachtlampje met een dolfijn erop die in zachtblauw water zwemt.
Dat is beter, zegt hij. Toch?
Zonder een antwoord af te wachten loopt hij om het bed heen. Hij pakt de poppen van het nachtkastje, reikt ze haar aan en zegt dat ze de poppen tegen haar borst moet drukken. Dat ze haar armen eromheen moet slaan. Dat ze haar borsten ermee moet bedekken.
Ze klemt de poppen tegen haar lichaam. In het blauwe licht van het dolfijnenlampje ziet ze dat hij zich uitkleedt. Als hij over de achterkant van het bed stapt heeft ze haar ogen al dicht. Ze voelt de matras bewegen, hoort het snelle bewegen van zijn hand, het wrijven van zijn arm langs zijn zij, zijn ademhaling die sneller wordt.

Haar moeder praat door de telefoon over haar broer, over de voetbalclub, over haar vader, over zijn rug, over haar zussen en vooral over haar kleinkinderen, die straks allemaal al naar school gaan. Ze zegt het niet om feit dat ze naar school gaan, maar om aan te geven dat ze al vijf jaar wacht op het kleinkind dat haar oudste dochter in Nederland haar zou schenken.
Ze ziet iets in de tuin bewegen. Ik ga ophangen, zegt ze. Haar moeder praat door en ze herhaalt wat ze gezegd heeft, voegt er een korte groet aan toe, legt de hoorn op de haak, loopt naar de deur en kijkt de tuin in.
De koolmezen vliegen uit. De moeder – het komt geen moment in haar op te denken dat het de vader zou kunnen zijn – blijft die hele ochtend rond het nest cirkelen, gaat op het stokje zitten en piept. Ze gaat het nest niet in, ze lokt haar jongen naar buiten. Ze gaat buiten voor het grote raam zitten, op een plek waar ze de opening kan zien en ze volgt de moederkoolmees en wacht tot het eerste jong zich laat zien. Een grauwig snaveltje verschijnt in de opening, zakt weer weg, komt onder luid gepiep weer tevoorschijn. Na een tijdje weet een van de jongen naar buiten te komen. Hij gaat op het stokje zitten, wankel. De moeder vliegt naar de trottoirtegels, dan naar de stam van de boom waar ze blijft zitten. Ze piept.
Toe maar, klinkt het vanaf het balkon.
De moederkoolmees piept en kwettert en het eerste jong laat zich vallen en slaat zijn vleugels uit. Hij vliegt kort, even een ingehouden zucht vanaf het balkon. Dan gaat het jong op een tegel zitten.
Zo vliegen zes jongen uit.

Op een vrijdagochtend hoort ze boven haar op het balkon voetstappen, het deksel van de metalen vuilnisbak die open en dichtgaat. Dan ziet ze een schoen over de rand van het balkon en loopt Youssra onder haar door de tuin in en groet ze de buurvrouw.
Daag, zegt de buurvrouw. Hoe maakt u het?
Goed.
Ze zijn eruit, hè. Heb je ze gezien?
Ja.
Ze vliegen de hele tijd door de tuinen. Is het niet geweldig?
Youssra kijkt naar de boom. De buurvrouw praat door. Over de jonge vogeltjes en over de man die eerst in het huis woonde, die overleden is, en als ze even stil is hoort ze een zacht gepiep.
Hoort u dat?
Wat zeg je meisje?
Ik hoor er nog een.
Nog één?
Nog een vogeltje, zegt Youssra en ze doet een paar passen naar de boom. Het geluid wordt sterker, het klinkt hulpeloos en vastberaden tegelijk.
Zit er nog een in? vraagt de buurvrouw.
Ik denk het.
Ze loopt tot bij de boom, legt haar hand tegen de stam. Het jong piept weer.
Die komt er nog wel uit, zegt de buurvrouw vanaf het balkon. Ze is aan de andere kant van de vuilnisbak gaan staan om alles goed te kunnen zien.
Denkt u dat?
Ja hoor.
Maar ik heb de anderen niet meer gezien.
Die komt wel terug.
Het jong piept.
Zal ik even kijken?
Dat moet je niet doen. Dan wordt hij verstoord.
Youssra kijkt omhoog naar de nestkast. Het piepen is zachter nu. De vrouw hoest. Dan zegt ze: Hij moet er zelf uitkomen.
Ze knikt, zet zich af tegen de boom, loopt terug naar het huis en gaat halverwege de tuin op haar hurken tegen de schutting zitten. Ze kijkt naar de nestkast. Na een tijdje verschijnt het kopje van het jong in de opening. Het jong piept luid. Dan zakt hij weer naar beneden.
Wat doet ie? vraagt de buurvrouw.
Hij probeert eruit te komen.
Die koolmees moet dat zelf doen. Die hebben niks aan ons.
Het gezicht van de buurvrouw is anders nu. Ze staat over de balustrade gebogen, haar ellebogen steunen op de rand, haar kin op haar onderarmen, en met zachte stem zegt ze: Ik kan je soms horen.
Wat zegt u?
Soms kan ik je horen.
Youssra’s benen verstijven. Ze kijkt naar de deur, een paar meter van haar vandaan, onnoemelijk ver.
De buurvrouw ziet haar kijken en zegt: Wacht.
Youssra doet een pas.
Ik wil je alleen maar helpen.
Weer een pas.
Dat je niet denkt dat je er alleen voor staat. Als je iets nodig hebt of wat dan ook, je hoeft maar aan te bellen.
Ze komt onder het balkon, gaat naar binnen en trekt de deur achter haar dicht.

Voetstappen klinken op de trap. Trage bedachtzame voetstappen van een oude vrouw. Dan hoort ze de voordeur, een klik, een klap en door de vitrage ziet ze de schim van de buurvrouw voor het raam langslopen, in haar hand een grote rode boodschappentas op wieltjes.
Youssra loopt de tuin in. De nestkast is stil, zoals hij al een aantal dagen ijzig stil is geweest. Onder de boom blijft ze staan, ze bekijkt de stapel tegels. Dan begint ze de stevigste stapels, die tegen de stam van de boom steunen, op te hogen met tegels die in het onkruid liggen. Ook maakt ze een kortere stapel, als opstapje. Als de trap hoog genoeg is houdt ze met een hand haar rok bij elkaar klimt ze erop. Ze leunt met haar heup tegen de stam van de boom en strekt haar armen. Ze kan net bij de nestkast. Ze pakt hem bij de onderkant vast en schuift hem tegen de stam heen en weer. Hij zit alleen aan de bovenkant vast. Ze kan niet zien of hij aan de boom gespijkerd is, of dat er een haak is, maar ze licht de nestkast een stukje op en hij laat los. Hij is verrassend licht. Ze drukte de kast met een hand tegen haar borst en klimt van de stapel tegels. Ze loopt naar het huis en onder het balkon gaat ze op de vuilnisbak zitten. Ze tilt het deksel op. Het dode jong ligt in het midden van het nest.
Het vogeltje is opvallend dik. Even denkt ze dat hij te groot was om door de opening naar buiten te kunnen komen, maar dat is het niet. Als ze haar handen om het vogeltje vouwt en hem op wil tillen komt het complete nest mee. Even houdt ze in, dan haalt ze de vogel en zijn nest uit de nestkast, staat op en legt alles op het deksel van de vuilnisbak. Het nest is slordig gemaakt. Takjes, dunne twijgjes, een stuk oranje draad, alles is in elkaar gefrommeld. De vogel heeft hele zachte veertjes, een sterke snavel, dons aan zijn pootjes. Ze tilt het vogeltje met een hand op en houdt met haar andere hand het nest vast. Met een van zijn pootjes zit het jong vast aan het nest. Als ze de vogel iets hoger houdt en het nest loslaat blijft het nest aan een kluwen lange donkere haren boven de vuilnisbak zweven.
Youssra kijkt naar het vogeltje, naar de haren, naar het nest. Het beestje ligt volledig kalm in haar handen. Dan tilt ze het deksel van de vuilnisbak op, laat het nest en de koolmees daarin zakken en sluit het deksel.
Ze gaat het huis binnen. Ze loopt naar de kast in de gang, trekt de onderste la open, kijkt erin, sluit hem weer en zoekt in een andere la, en door haar hoofd gaat één enkele gedachte.