Winterboek, oktober 2011

Iedere zondagochtend dronken mijn ouders en ooms en tantes koffie bij mijn opa, en daarna bier, en daarna bier en jenever. De kinderen Fanta of 7up. Sinds we verhuisd waren en in een ander dorp woonden, acht kilometer verderop, fietsten we wekelijks naar mijn opa, maar nu was het te koud. We hadden geen auto. Op de radio werd afgeraden de weg op te gaan, zelfs met de auto. Het was min twintig.
Ik ging toch naar buiten. Ik ging schaatsen met mijn broer. We zochten het riviertje op dat door het dorp liep en gingen de polder in, de richting op van mijn opa’s dorp. Het was een grijze dag. Ik wilde naar die woonkamer met tuinstoelen, naar de leesmap met de Panorama, naar mijn opa in zijn vaste stoel, naar het drinken en de koekjes en de jeneverglaasjes.
Voor we bij de provinciale weg waren zei mijn broer dat hij zere schenen had en dat hij terug wilde. Ik stopte. Hij stond midden op het riviertje. Achter hem zag ik het dak van de kerk met het kleine torentje, en ik zei: Ik ga verder.
Hij zei dat ik de duiker niet door kon, het ijs was nog niet dik genoeg. Ik zei dat ik dat wel zou zien. Ik had geen beschermers mee, die lagen thuis, en mijn schoenen lagen in de slootkant tegenover het huis van de fietsenmaker, maar desnoods kon ik de weg over kruipen. Er was bijna niemand op de weg.
Ik ga terug, zei hij.
Ik schaatste verder, langs de provinciale weg, tegen de wind in. In de verte zag ik de duiker. Er was inderdaad weinig verkeer. Het was zondagochtend, het was bitter koud. Ik had twee trainingsjassen aan, een dikke trui, mijn trainingsbroek in mijn voetbalkousen. Dikke handschoenen, Muts, sjaal. Ik probeerde mijn handschoenen op mijn rug te leggen en lange slagen te maken. Het lukte bijna. De wind werkte tegen en echt goed schaatsen kon ik toen niet en nog steeds niet, maar soms gleed ik traag opzij in de luwte en dan kon ik wachten met het neerzetten van mijn andere voet, en dat voelde heel lekker. Het voelde als echt schaatsen. Zoals Piet Kleine op tv.
Mijn opa woonde achter de HAK-fabriek. Er reden zware vrachtwagens door zijn dorp, bij mijn oom door de straat, en die wagens maakten diepe uitgesleten geulen in de bestrating. Ik dacht aan die straat met de uitgereden geulen en aan de steeg naast de fabriek, en aan de poort achter opa’s huis. Ik had een helder doel: schaatsen naar opa. Het was minder dan de tien kilometer van Piet Kleine. Dat zou wel lukken. Ik had de hele ochtend.
De duiker kwam dichterbij. Vorige week zwommen hier nog eenden. Nu waren de eenden weg en was de cirkel voor de duiker dichtgevroren en het stuk ín de duiker ook. Ik stopte. Mijn broer was nergens meer te zien. Ik gleed het donkere ijs voor de duiker op en luisterde. Er kwam een tractor voorbij, dat weet ik nog, met veel lawaai, en ik wachtte. Het was veel te koud om iets op het land te doen, maar hij reed hier en had iets gedaan of ging iets doen, dat was zeker. De boer stak zijn hand op. Ik kende hem niet. Toen hij de bocht om was, een landweg in, gleed ik verder, luisterend. Er gebeurde niets, geen gekraak, geen gescheur.
Ik keek de duiker in. Het was ongeveer vijftien meter tot de andere kant, onder de provinciale weg door. Het ijs was zwart en leek stevig. Ik hield me vast aan de betonnen rand. Ik moest bukken. Toen schoof ik voorzichtig de duiker in. Ik hoorde niks, maar toen ik een meter de duiker in was durfde ik niet verder. Het was te donker, mijn schaduw ontnam me het zicht op het ijs en het was alsof mijn schaduw het ijs onbetrouwbaar maakte. Ik ging terug, achteruitschaatsend.
Het dorp lag in een mat licht. De wolk boven de kerk was opengebroken en voorzichtige zonnestralen daalden neer op de boerderijen, de bomen, de rijtjeshuizen die om de kerk heen staan.
Ik klom tegen het talud op en kroop naar het fietspad, mijn schaatsen in de lucht. Het asfalt was koud en eigenlijk minder hard dan ik had verwacht. Ik keek naar links en rechts en stak toen over, een kruipende jongen met lage noren aan zijn voeten.
Aan de andere kant van de duiker was een opstapje. Ik ging het ijs weer op en schaatste verder over de rivier die op dit punt smaller was dan het kanaal. Ik ging achter de huizen van Zandwijk langs. Dat waren zes huizen, of misschien zeven. Die bungalow telden we niet mee. Bij het eerste huis keek ik of ik de leider van mijn voetbalteam zag, die woonde daar, maar ik zag niemand.
Het ijs was korrelig. Minder wind hier achter de huizen. Ik kwam weer bij een open stuk, langs een smal weggetje. Er stonden populieren, het waaide niet hard hier, maar ze ruisten alsof er een storm woei.
Ik had zin in Fanta, die stond bij opa in de koelkast. In de deur. De koelkast stond in de hoek van de keuken. Er was een tafel waar de sjoelbak op kon liggen voor als de melkboer langskwam, er waren een paar stoelen en een granieten aanrecht. Alles was heel oud. Het huis was klein. Als je uit het raam keek zag je de groentetuin en het oude varkenshok dat sinds de invoering van de varkenswet, zoals wij die wet noemden, niet meer in gebruik was, en daarachter was een hoog hek van HERAS HEKWERK met groen gaas en daarachter betonplaten en de achterkant van de HAK-fabriek. Daar moest ik allemaal aan denken, en ook aan de Panorama.
Eigenlijk had ik zin in iets warms. Koffie dronk ik nog niet. Mijn moeder warmde bij opa altijd melk op in een steelpannetje. Op de melk zat dan een vel en ook al was mijn moeder er die dag niet, een van mijn tantes zou wel voor dat vel zorgen.
Ik schaatste over het kanaal. Dat wil zeggen: het kanaal liep onder de rivier door, ik schaatste op een aquaduct en stak dus eigenlijk het kanaal over. Van de Bosatlas kende ik beroemde aquaducten in Italië en Frankrijk, dit was gewoon een betonnen bak. De rivier werd smaller en liep verder in die bak, kwam er aan de andere kant weer uit, en vervolgde zijn weg.
Welke kant de rivier op stroomde wist ik niet. We zagen het water nooit stromen, we zagen alleen de golfjes die de wind erin blies. Ik had het gevoel dat ik met de stroom mee schaatste. Inmiddels heb ik het opgezocht en weet ik dat de rivier de andere kant op stroomt.
Na het aquaduct kwam er een mooi breed stuk met riet langs de oevers. De Wijde Alm heette het hier, en pas op dit punt had je het idee dat het echt een rivier was, dit water. In het midden was het ijs dun. Ik schaatste langs de rechteroever, waar sporen in het witte ijs stonden. Voorbij een boerderij, voorbij een weiland waar nog sneeuw lag, een waterput, een gegalvaniseerd hek met een oranje touw eraan. Alle koeien stonden op stal. Ik was hier al eens gaan vissen, in het najaar, heel vroeg, en toen kwamen de koeien bij me staan, en later ook een naamloze boer die even tijd had om te praten.
Voorbij het brede stuk veranderde de rivier in een kanaal, daar liep hij kaarsrecht langs de provinciale weg. De rivier heette de Alm. In het dorp stond een kerk. Daarom heette het dorp Almkerk. Hoe eenvoudig kan het zijn?
In ons vorige dorp woonden we aan de Almweg, en daar woonde mijn opa vlakbij. Met de fiets kende ik de weg naar dat dorp. Een zijweg van de Almweg had die diepe geulen van de vrachtwagens. Ik moet gedacht hebben: nu alles bevroren is kan ik de Alm uit schaatsen en dan kom ik bij de Almweg en dan ben ik er bijna.
Ik gleed langs Waardhuizen. Ik had het gevoel dat ik over de helft was en schaatste in de beschutting van de weg die een stuk hoger lag dan de rivier, met een steil talud, en het was prettig hier. Volgens mij had ik de wind mee. Of was er nu geen wind?
De rivier boog af, tussen de weilanden door naar Uitwijk, een dorp met een vierkanten kerktoren met huizen eromheen. In het midden een hertenkamp en een muziekkapel. Het dorp van het tuinpad van mijn vader. Grote boerderijen aan de rand, twee blokken rijtjeshuizen die uitkeken op graanvelden en statige huizen achter de kerk. Ik kende het. Ik rook de koeien, ik rook de bloembakken, zelfs in deze kou.
Bij opa keken we vaak wielrennen. Dan was de ochtend voorbij en stonden er flink wat bierflessen op de tafel en dan keken we de Vlaamse of Waalse klassiekers. Nu was er misschien veldrijden op tv. Of schaatsen.
Hoe zouden mijn ooms reageren als ze me aan zagen komen, de steeg in, de poort door? Op mijn sokken, met mijn schaatsen in de hand.
Helemaal komen schaatsen, zou het klinken.
Bij Uitwijk werd de rivier smaller en smaller. Er kwam een vertakking. Twee slootjes, meer niet. Ik koos de rechter sloot, die boog af in de richting van het weggetje dat we zondags volgden naar opa’s dorp. Maar dat slootje hield bij een boerderij op, vlak achter een bult kuilgras.
Ik ging terug naar de splitsing en schaatste de andere sloot af. Er zat een knik in, de sloot werd nog smaller, ik kon geen fatsoenlijke slagen meer maken. Ik ging onder een laaghangende wilgentak door en toen werd het ijs brokkelig en er was een dam en achter die dam was er alleen een weiland. De rivier hield gewoon op. Ik kon niet verder.
Ik stond ergens tussen Uitwijk en mijn oude dorp met niets dan uitgestrekte weilanden voor me, een aangelegd bos in de verte en een overhangende tak van een wilg.
Ik ging in de slootkant zitten. Nu pas voelde ik de kou door de twee jassen en de trui heen, ook tegen mijn bovenbenen. Ik trok mijn voetbalkousen op, blauw met wit.
Even dacht ik dat dit het begin van de rivier moest zijn. De bron. Of was dit het einde van de rivier? Hij stroomde hiernaartoe, verdween het water in de aarde?
Ik ging staan en reed weer een stukje de rivier op, die hier niet meer dan een sloot was, en ondiep. Ik was niet echt in de war, het was meer dat ik opeens besefte dat ik niet die achterdeur door zou lopen, de keuken in. Dat ik mijn opa niet zou zien. Dat ik de Panorama niet in kon kijken, geen spectaculaire foto’s van motorrijders of stierenvechters zou zien. Dat mijn ooms misschien een week later zouden horen dat ik was gaan schaatsen en dat ik het nooit gehaald had.
Ik had wel eens een Turkse emigrant op televisie gezien die er net zo uitzag als de Turken die in de HAK-fabriek werkten. Die man vertelde dat hij niet terug kon naar Turkije voordat hij geslaagd was. Was dat het? Het was niet gelukt. Kon ik daarom niet verder, maar ook niet terug?
Mijn ouders zouden vragen waar ik geweest was, of misschien hadden ze dat al gehoord.
Mijn broer zou zeggen: Zie je wel.
Langzaam schaatste ik terug naar het stuk dat op een kanaal leek, langs de provinciale weg, en daar kwam ik een man tegen. Voor hem uit liep een labrador. De hond bleef staan langs de kant van de rivier en wachtte op me. Ik ging naar hem toe en toen ik bij hem was daalde hij af naar het ijs en haalde ik hem aan. De man zei me gedag en vroeg iets over het schaatsen. Of het lekker ging en of het ijs goed was.
Ik zei dat het prima ging, maar dat ik niet verder kon. Ook zei ik dat ik naar mijn opa wilde, achter de HAK-fabriek.
Die fabriek kende de man wel, en de huizen erachter en het hoofdkantoor ook. Dat was aan de dijk. De man zei: Ik heb één zomer bij HAK gewerkt, en daarna nooit meer.
Ik vertelde hem dat mijn opa ieder jaar een kerstpakket van HAK kreeg, omdat hij zo vlak achter de fabriek woonde. Een doos met potjes: boontjes en rode kool en appelmoes. Ik zei dat mijn opa zelf een moestuin had achter het huis, en dat hij die potjes in de kelder zette, op plankjes langs de wanden bij de trap.
De hond kwispelde en drukte zijn kop tegen mijn schouder. Het was alsof hij het ijs op wilde, maar dat deed hij niet.
De man zei dat de rivier vroeger heel anders stroomde. Hij bedoelde niet de stroomrichting maar de plaats waar de rivier liep. Hij wist het ook niet meer precies. Hij zei: Het zal wel door de ruilverkaveling komen.
Dat hoorde je vaak: de ruilverkaveling. Dat was een begrip met een strekking, zo groot, daar kon je je niks bij voorstellen. Je wist alleen dat alles veranderde, dat de boeren grotere weilanden en akkerlanden kregen en dat ze minder hoefden te draaien en keren met de tractor.
Ik zei dat mijn opa vast iets warms te drinken voor me had en de man zei dat hij dat ook wel had. Ik reageerde niet. Ik kende de mensen in deze streek, ik wist dat je alleen mensen uitnodigde voor de vorm. Je kwam niet bij de mensen thuis, hier. Ik kwam alleen bij opa achter de HAK-fabriek, en op verjaardagen bij ooms en tantes.
Ik zei: Ik ga maar weer terug.
Goeie rit, zei hij.
Ik aaide de hond nog een keer en schaatste naar de Wijde Alm en van daaruit verder, terug naar mijn nieuwe dorp. Het was mijn eerste winter daar, in dat dorp. Ik voelde nu dat ik echt ver van mijn familie vandaan was. Het voelde koud. Het voelde alleen. Ik miste de bierflessen op de lage tafel van mijn opa en ik miste de grapjes van mijn ooms.