Op de parkeerplaats voor de kantine verzamelen we die avond. Hier verzamelden we iedere week want de rokers konden roken en de jongens die koffie wilden konden dat wel even binnen halen.
Tassen op de bestrating, goeiemorgen, goeiemorgen.
Hij weet nog dat ik mijn tas het liefst aan de riem over mijn schouder liet hangen en dan leunde ik met die tas tegen het hek, als een soort kussentje zoals ik die thuis op de bank had liggen, met oortjes op de hoeken, zoals mijn dochter ze noemde.
Oortjes.
Het mooiste beeld van die kussens met die oortjes was mijn dochter, slapend schuin op zo’n kussen wanneer het al laat was en wij tv keken en zij op wilde blijven maar zo moe was dat ze eerst ging liggen, dan haar handen onder haar gezicht, dan haar ogen dicht.
John is er al, die steekt een sigaret op en Ger ook en we wachten op Frans, die was altijd te laat en die is ook nu te laat maar hij komt altijd wel, ook vandaag.
Ik ben de enige met een tas, dezelfde rode tas, zonder schoenen en tenue dit keer, wel een handdoek en onderbroeken.
Ik was de enige onder de douche met mijn onderbroek aan en Ger vroeg me de eerste keer toen hij dat zag of ik niet iets vergeten was. Later vroeg hij me of ik dat ding even boven het putje uit wilde wringen en niet in de hoek van de kleedkamer.
We zaten altijd naast elkaar in de hoek, hij aan de korte kant achter de deur en ik op het uiteinde van de lange bank. Dat hoekje was ons thuis, de anderen wisten dat wij daar zaten en soms klonk er een kort sorry als iemand daar op die bank was geschoven of er een tas of het net met ballen had neergezet, of de watertas.
Nu komt Frans met de auto, daarom is hij altijd te laat, hij heeft de auto, iedereen moet met hem mee.
Ger en John zeggen niks over dat hij te laat is, ze weten dat hij wel komt.
Ger vraagt alleen: Heb je alles?
Ik knik. Ik wil roken, net als John.
Hij haalt die sigaretten van hem in Noord, een adresje. Die haalt het weer uit Frankrijk. Die wegen zijn ook veranderd, dat ging snel.
John neemt nog een trekje en Ger kucht, zoals hij dat zo vaak deed. Direct, die man. Ook naar mij toe.
Neem je vaatdoek mee, zei hij toen mijn natte onderbroek tussen de planken van de bank door was gevallen en op de kleedkamervloer lag.
En bij de laatste wedstrijd zei hij na afloop dat we het allemaal zullen missen, die bank en dat douchen en die natte onderbroek.
En ook zei hij dat ik waarschijnlijk nog heel vaak in dit soort ruimtes zal zitten, met douches, ergens op de gang en kou aan mijn voeten en in plaats van een linksback en een keeper waar ik jaren mee in de wei heb gestaan compleet onbekenden die ook met een onderbroek aan douchen, maar dat is onvoldoende voor een band.
Dat lijkt een band, maar het is een band van paspoorten, van registratie, van kenmerken die deze ellende eerst moesten voorkomen maar die deze ellende ook verder geholpen hebben, want eerst moest je aanvinken waar je geboren was en toen moest je aanvinken waar je ouders geboren waren en toen moest je aanvinken wat je geloof was en toen was er niks meer om aan te vinken maar was wel duidelijk hoe we ervoor stonden en bij het reisbureau waar ik jaar na jaar de reis naar mijn geboortegrond had geboekt kreeg ik opeens te horen dat ik wel heen kon reizen maar niet meer terug.
Dat kwam door die vinkjes en dat paspoort, dat was het eerste. Geen reis meer terug naar de familie.
Ik heb ze gebeld dat we niet konden komen en de reactie was lauw. Ze wisten het wel, dat ging gebeuren.
In de kleedkamer wisten ze het ook maar daar waren de reacties warmer en dat kwam niet alleen door de stoom van die douches.
Een van de jongens – niet Ger of John of Frans – vroeg: En je vrouw is er al?
Ja die was er al en mijn dochter ook.
Ik moest volgen.
Het ging allemaal gebeuren, ik ging ze nu volgen.
Frans zou rijden, de anderen gingen mee. Ze zeiden niet waarom. Misschien voor de gezelligheid, zoals anders, dat zal altijd een motief blijven en dat zit er ook achter.
Ze hebben me vaker ergens heengereden. Toen mijn dochter haar afscheidsmusical had en er een theater in de stad gevonden was en John en Frans daar toch in de buurt waren, ze gaan graag naar concerten, toen hebben ze me thuis opgepikt met mijn vrouw en ons daar heengereden, heel deftig. Frans kon altijd rijden, die drinkt net zoveel als ik.
Rondje bier en een cola en een spa rood, dat was het altijd. Hij drinkt cola tot hij scheel ziet.
Die avond bij dat theater waar ik nog nooit eerder was geweest stond de auto precies voor de deur bijna op de tramrails toen we met z’n drieën naar buiten kwamen, alsof ze wisten dat we net nu de deur uit zouden lopen want lang konden ze daar niet gestaan hebben. Ze hebben ons naar huis gereden.
Daar is Frans.
Dat is de stem ven Ger.
John gooit het filtertje van zijn peuk achter zich op de bestrating, zet zijn voet er niet op. De rook kringelt omhoog in de koude lucht.
Frans draait die ouwe bak van hem voor ons langs, onvoorstelbaar dat ze zich een kleine diva voelde in dit brik. Hoe snel dingen kunnen veranderen zie je aan auto’s, aan de roest.
Dan staat hij stil en toetert hij, iets te opgewekt maar het past ergens ook wel. Bij hem en bij ons.
Ze was zo trots, onze dochter in haar mooie lange zwarte jurk, zo groot al en stralend na die musical, en ook toen onze eigen taxi voor het theater stond, precies aan het uiteinde van de rode loper. Andere meisjes moesten op de fiets door het donker naar huis. Frans en John deden heel gewichtig. Stapt u maar in mevrouw de ster, komt u maar zitten mevrouw de diva. Ook tegen mijn vrouw natuurlijk.
Frans draait het raampje open en zegt: Hassan jas-an.
Niks veranderd. Ger grinnikt zachtjes.
Langzaam reden we door de stad, mijn dochter voorin. Er was geen haast, de nacht mocht duren en duren.
En nu zet ik mijn tas in de kofferbak, de enige tas daar. Geen ballen, geen waterzak, niks.
Ik stap in. Ze laten me voorin zitten. Ger en John achter me, een knie van John tegen de rugleuning van de bijrijdersstoel.
Nou daar gaat-ie, zegt Frans.
We rijden weg. Het is echt net of we naar een uitwedstrijd gaan, naar Oostzaan of naar Monnickendam of Weesp. Soms was Amsterdam al echt een uitwedstrijd, in Noord of Geuzenveld. Dan zeiden ze dat ik eindelijk weer eens een echte thuiswedstrijd kreeg, echt genieten.
Ga jij maar even koffie halen, zeiden ze dan in de kantine, jouw verstaan ze.
Dat ging zo door tot we weer vertrokken.
Echt genieten.
Frans draait de snelweg op en de auto bromt zwaar maar soepel, rustig ook. Dat zoemen kennen we goed. Iedereen is stil, iedereen luistert naar de motor en naar de banden die soms de witte lijn raken.
Het is anderhalf uur rijden, zegt Frans. Dat weten we al. Nooit eerder gereden dit stuk, want de laatste tien keer ben ik met het vliegtuig geweest, misschien nog wel langer. Nu was het veiliger de weg te pakken.
Er verandert heel veel, heel snel, vooral auto’s die wegroesten waar je bij staat, maar die wegen blijven liggen. Viaducten blijven staan en de klaverbladen blijven in elkaar gekronkeld in het gras liggen, ook al is er nu veel minder verkeer. De hele tijd voor en achter ons niks dan die drie banen asfalt en een vluchtstrook. Dat is het woord misschien, voor deze complete weg, nu.
Ik denk aan die jurk. Hij zit in mijn tas.
Er zaten dunne bandjes over haar schouders en mijn vrouw keek er thuis naar met zo’n bedenkelijke blik die wij overal in de familie zien, zelfs op foto’s van vroeger. Bedachtzaamheid is het meer. Kan dat wel? Ik zei dat het kon.
Ze was zo blij dat ze die jurk aan kon. Ze kleedde zich om en kwam de woonkamer in en ik zei tegen mijn vrouw: Het kan niet alleen, ze is prachtig. En ze zag het.
Die jurk in die ouwe gare voetbaltas, een vreemd beeld. Het voelde bijna misdadig om hem daarin te stoppen, te proppen bijna tussen die andere spullen. Ik wilde hem opgevouwen erin leggen, netjes tussen andere kleren, maar dat lukte niet helemaal. Toen heb ik die rits maar dichtgetrokken.
Ze wilde hem niet meenemen. Ze zei: Daar heb ik niks aan, daar. Of: daar heb ik er niks aan. Zoiets. Het maakt niet uit, ook zij had dat bedenkelijke gezicht. Ze is met dat gezicht geboren ook al is het meestal verborgen achter een lach of die mooie blik, ze is een van ons. Een gezin.
Ik zal haar die jurk geven.
Onder weer een viaduct door, waar geen auto of fiets op rijdt, een viaduct dat onzinnig lijkt. Ooit stond het hier vast en stond het boven ook vast. Drukte. Welvaart was het ook. En dan verandert alles en blijft dat viaduct wachten op drukte en welvaart, op een paar auto’s om eroverheen te rijden.
Geen enkele koe meer, zegt Ger.
Ook dat klopt maar dat is al langer. Dat weet Ger niet. Die kwam zelden buiten de stad.
En ik weet dat hij uit dat raampje kijkt en die lege weilanden benoemt om ook maar iets te zeggen te hebben. Geen enkele koe.
Toen we nog een auto hadden reed ik met mijn vrouw en dochter op zondagen naar Noord en van daar de polder in. Hier was eerst water, zei mijn vrouw. Ze kon het nog steeds moeilijk geloven. Haar familie komt uit de bergen. Op een plek gaan wonen waar eerst water was, dat nu weggepompt wordt en weggepompt moet blijven worden, ze reageerde ingetogen op dat beeld, niet zoals Amerikanen doen met hun amazing en omygod. Ze zei alleen: Hier was eerst water.
Die viaducten lijken hoog maar ook die bouwwerken liggen onder zeeniveau, zou je niet zeggen. Ik denk dat als de dijken breken of als die pompen kapot gaan waar ze dat water mee weg moeten pompen, dat zelfs die viaducten onder water liggen.
Mijn dochter keek vooral naar de lucht, naar die bijzondere kleur blauw en die wolkjes die steeds aan de horizon leken te hangen. Niet boven ons, alleen aan de randen van dit land.
Het is ook gewoon een uitwedstrijd, met die jongens in de auto. John die zijn sigaretten mist, die gisteravond vast op pad is geweest, ik kan het ruiken. Hij kijkt soms naar me, schuin van achteren. Ik zie hem in de spiegel en hij kijkt terug zonder met zijn ogen te knipperen, alsof hij af is als hij dat wel doet. Die spelletjes zijn onveranderd.
Ger vraagt, ook vanaf de achterbank: En die rit in België? Heb je daar nog iets van gehoord?
Ik schud mijn hoofd. Niet gehoord, het is wel goed. Ik weet het.
Ze maken zich zorgen, ik wil niet dat ze zich zorgen om me maken. Dat doen ze steeds al. Jaren al. Iedere keer als er iets verschoof hadden we het erover in de kleedkamer of na de wedstrijd in onze hoek van de kantine. Straks ben ik weg, dan kunnen zij verder.
Het is nog een hele reis, deze groene polders zonder koeien door, België door, verder.
Niet aan denken. Het is een uitwedstrijd. Ik zei: Ger, heb je de waterzak.
Vergeten, zegt hij.
Een kort zuchten in de auto, het zou bijna een glimlach kunnen zijn. Dat was steeds het gevoel bij het voetballen. Als we in het veld stonden dan telde alleen het voetballen. Dan waren we fanatiek en ook rustig en allemaal gelijk en met hetzelfde bezig, ook al was dat al lang verschoven en zou ik na de wedstrijd in mijn onderbroek onder de douche stappen. Dan wisten we wat van een ieder de kwaliteiten waren. Hassan, achter de spits. Dat was een van de vaste opmerkingen als Ger de opstelling voorlas. Eerder afhankelijk van welke spelers er waren dan van kwaliteiten, maar sommige spelers waren er nu eenmaal altijd, die hadden een vaste plek.
Achter de spits. Dat is John. Hoe John een bal mee kan nemen, een bal die hij van mij in de loop kreeg of juist strak ingespeeld met de rug naar het doel en dan draaien. Daarvoor voetbalde ik. Dat rechterbeen van John, een beetje krom, zijn rechtervoet die even de bal raakte, meestal kort en zacht maar voldoende voor de juiste richting en snelheid.
Richting het zuiden, honderd per uur, in een oude auto. Dat is dit moment. Een stille auto.
En geen koeien in deze polders. Ook een resultaat van maatregelen die ooit verzonnen zijn, goedgekeurd, handtekening eronder, stempel erop, en de gevolgen doen er niet meer toe.
Een blauw bord boven de snelweg, ik kan niet lezen wat erop staat, een paar letters zijn weggekrabt, zo lijkt het. Halve plaatsnamen.
In mijn jeugd waren de bergen rood in het westen. Ik dacht heel lang dat ze echt rood waren, had geen idee dat de zon ze vanuit het oosten rood kleurde. Dat licht op die bergen was mijn jeugd. Mijn vader die voor me loopt, stond in dat licht. Ik zie zijn vrachtwagen voor me in dat licht.
Ik denk nu al aan die bergen van mijn jeugd. Ieder jaar zag ik ze maar nooit zoals ik er nu aan denk. Dat rood is anders. Het waren familiebezoeken. Lange bezoeken. Weken, in de zomer als de competitie stil lag.
Ik zie die bergen achter dit groene tapijt.
Rijen bomen links, achter het water. Je kunt hier heel ver kijken, tussen die bomen door.
We gaan een rivier over. Kijk daar, zegt Frans. Het kasteel van Floris.
Ik ken Floris niet.
Frans kijkt opzij en zegt: Dat was vroeger op tv. In zwart-wit nog.
Ik heb nooit een zwart-wit tv gehad hier. Ik keek alleen zwart-wit bij mijn familie, de eerste jaren nog. Toen stuurde ik een kleuren tv. Er moest iets bij voor het snoer. Paste niet in het stopcontact. Die enorme doos op de post, ook daar een sticker op, een stempel, een naam.
Staat er nu nog, dat ding.
En dan, in de verte, toch een koe. Ik wil zeggen: Hij staat helemaal alleen, maar het is natuurlijk een zij. Ze staat helemaal alleen tussen twee hoge bomen, haar kop aan het gras.
Eet maar, koe.
Ik wil hem de anderen aanwijzen, maar durf eerst niet en we passeren wat struiken dichtbij de weg, net achter de vangrail, en even kan ik de koe niet zien en nu wacht ik tot die struiken weg zijn, ik kijk voor me, daar houden de struiken op, en als we het einde naderen zeg ik: Daar. Kijk daar.
Ik wijs naar links.
Wat? hoor ik achter me.
En ik zeg: Daar staat toch nog een koe.
Allemaal kijken we naar de zwart-witte koe in de verte. Frans kijkt steeds kort en kijkt dan terug naar de weg voor ons. Ze staat daar heel stil. Ik denk aan dat zwarte jurkje en aan haar huid die heel wit leek bij dat jurkje. Dat jurkje veranderde haar. Viaducten blijven, koeien verdwijnen, wij verdwijnen, zwart-wit dreigde te verdwijnen maar is er nog steeds, daar zochten ze wel andere stekkers voor, zodat ze in alle stopcontacten pasten en we rustig verder konden kijken, en dan is er toch nog een koe in de verte en dan is er toch nog een jurkje in mijn tas dat het vermogen heeft haar te veranderen, haar een ander stempel te geven, een andere handtekening.
Ik zeg: Er zit een jurk in mijn tas.
John zegt: Dat vinden wij niet erg.
Weer dat gegniffel, zoals in de rust als we ruim voor stonden.
Ik zeg: Jullie weten nog wel, van die afscheidsmusical.
Van je dochter?
Ik knik.
Ze had een zwarte jurk aan, weten jullie nog? En die wilde ze niet meenemen, die ga ik haar brengen.
Dat ga je doen? vraagt Ger.
Ja, dat ga ik doen.
En Ger zegt: Doe daar even een liedje bij Frans.
En Frans draait in een van de knoppen van de ouderwetse radio en dan stelt hij de zender bij en eerst is er gepraat en dat willen we niet horen, en dan is er muziek en ik ken het liedje niet en waarschijnlijk kennen de anderen het ook niet maar mijn dochter kent het liedje vast, en gedragen door de muziek rijden we verder.

Opgenomen in de bundel Als dit zo doorgaat.