Daklozenkrant Z, zomer 2013

Mijn vaders kant van de familie waren Brabantse boeren, mijn moeders kant van de familie Brabantse arbeiders. Mijn opa werkte ’s winters in de grienden met wilgenhout in de buurt van de Biesbosch en in de zomer trok hij naar de Randstad om allerlei ander werk te doen, net wat zich voordeed: hulpje in de bouw, in fabrieken, werk aan de weg en sjouwen in de haven.

Zijn zonen – mijn ooms – volgden hem en ik in feite kort ook, want ik heb ’s zomers altijd bij een Brabantse aannemer gewerkt waar ik in een paar maanden genoeg verdiende om mijn studie te kunnen betalen.

Dan deden we kleine klusjes in badkamers of tuinen, legden we straatjes aan, maakten we vloeren of bouwden we een uitbouw en was ik upperman toen hij een twee-onder-een-kap moest bouwen.

Vooral dat aanleggen van straatjes vond ik mooi. Graven, zand storten en aanstampen en vlak strijken, steentjes leggen. Zand tussen de naden vegen.

De straat is voor mij niet een leefgebied of iets voor het verkeer, de straat doet mij denken dat werk, en aan de mensen die er nog steeds werken.

In de tijd dat ik in Amsterdam ging studeren was een van mijn ooms asfalteerder, vooral in Amsterdam. Hij werkte meestal ’s nachts. Ik kwam hem wel eens tegen, dan kwam ik uit de kroeg gefietst en hoorde ik mijn naam op de Dam of op het Rokin en ook een keer op de Haarlemmerstraat.

Dan stond daar een grote asfalteermachine met stoom en die typerende geur en dan stonden er een paar Turkse werklui bij, en mijn oom, in zijn oranje overall en klompen, altijd op klompen, en met zijn brede schep in zijn brede handen.

Dan stopte ik en kletsten we wat. Over de familie, over zijn kinderen en mijn ouders. Over zijn voetbalclub en over mijn ouwe voetbalclub. Hij had altijd goeie verhalen, een vrolijke man die zich ook in nachtelijk Amsterdam prima kon redden.

Hij kreeg een keer een fiets te koop aangeboden. Het was een gloednieuwe fiets met fietstassen erop, onderaan het voorwiel en op de bagagedrager. Alle spullen er nog op. In een metalen rekje op het stuur stak een landkaart van Amsterdam en het polderland ten noorden van de stad.

De junk vroeg er vijftig gulden voor.

Mijn oom zei: Weet je zeker dat die van jou is?

Mijn oom had zelf ook een handeltje. Hij verkocht zijn klompen aan toeristen. Vooral Amerikanen. Als hij aan het werk was bleven er vaak Amerikanen staan kijken hoe hij met zijn schep het asfalt aanstreek, en dan liep hij naar ze toe en zei met zijn mooie Brabantse accent: Real Dutch wooden shoes. Fifty gilders.

De klompen zaten onder de teer maar dat was authentiek en het lukte hem altijd ze te slijten en dan trok hij zijn eigen werkschoenen aan voor die nacht en zei hij tegen zijn baas dat die rotklompen weer eens kapot gegaan waren.

Een aangetrouwde oom van me was schilder. Als ik dat in Amsterdam vertelde – ik studeerde kunstbeleid en later kunstgeschiedenis en cultuursociologie – dan zeiden de mensen: O wat leuk, waar exposeert hij?

Maar mijn oom schilderde geen kunst. Hij schilderde de metalen bogen van de overkapping van het Centraal Station en ook vaak brugleuningen.

Dan plaatsten ze bordjes aan de brug waarop stond dat je je fiets niet aan de brug vast moest maken want er werd op die en die dag geschilderd. Natuurlijk stonden er op de schilderdag tientallen fietsen aan de leuning en mijn oom en zijn collega’s tilden die fietsen op en gooiden ze over de reling heen zodat ze boven het water hingen en zij de reling schilderen konden.

Een mooi gezicht, al die fietsen met de wielen in de lucht. Soms zie ik dat op de grachten, en dan denk ik aan mijn oom, de schilder.

Ik heb altijd gevoetbald in mijn Brabantse dorpje en een van mijn medespelers was stratenmaker. Ik zag hem een keer op het Museumplein, ik liep daar met de hond. In die tijd schreef ik al en had ik overdag de luxe mijn eigen tijd in te delen. Ik werkte veel ’s avonds.

Die Brabantse jongen streek zand vlak. Hij zag me en we praatten even. Hij rookte een sjekkie. Hij kon geweldig lopen en rookte twee pakjes shag per dag. Als we aan het begin van het seizoen in de Drunense Duinen trainden dan liep ik met de keeper achteraan en dan haalde hij me in drie rondjes van vijf kilometer bijna in.

Die dag was het warm en werkte hij zoals stratenmakers doen in zijn blote lijf. Donkerbruin verbrand.

Dat herinner ik me ook nog goed: het zweet en de brandende zon en mijn rug bloot onder die zon. Geen zonnebrand, dat kleeft en is geen doen. Mijn huid kon nooit tegen de zon – nog steeds niet – maar die zomers wende mijn rud en schouders langzaam aan de zonnestralen en ik vervelde en werd uiteindelijk ook bruin. Nooit meer gelukt.

Altijd als ik stratenmakers in de stad zie blijf ik even kijken.

Laatst waren ze bezig in een van de straten net achter het Museumplein, met een klinkerweg en parkeerplaatsen. Ze werkten met een machine die in één keer zo’n tweehonderd klinkers kon leggen. Dat schat ik, het was een vlak van wel vijftien bij vijftien stenen en dat zit je al snel over de tweehonderd. Een graafmachine had een apparaat aan de arm waarmee de klinkers van een stapel getild konden worden, allemaal tegelijk, en dan reed de kraan naar de plek waar de stenen moesten komen te liggen en dan gingen ze in één keer het afgestreken zand in.

Het ging snel, maar het was ook kwetsbaar. Als er iets verkeerd zou gaan dan moest alles opnieuw: het aanstrijken, het terugleggen, optillen, het weer neerleggen. Dan kon je het beter met de hand doen.

Ik vroeg aan de stratenmakers of het handig was en ze zeiden: Nou nee, niet echt. Dat ding maakt lawaai en liever rammelen we die steentjes er met de hand in, maar dat mag niet meer.

Mag niet meer?

Van de arbo.

Natuurlijk. De arbo. Het werk is verrot zwaar en er moeten regels voor zijn om de ruggen van de mensen te sparen, maar ik heb ook wel eens met de arbo te maken gehad en dat was de hel.

Deze stratenmakers spuugden op de arbo. Ze stonden de hele dag in de lucht en herrie van die machine. Liever stonden ze in elkaars zweet en in elkaars flauwe geklets.