De Gids, maart 2008

Hij zit op de achterbank van de auto. Haar vader stuurt de auto een rotonde over, daarna een ruime bocht door, de dijk op, langs geparkeerde auto’s die de weg smal maken. Tussen dijkhuisjes door die zo dicht aan de weg staan dat de dakgoten boven het asfalt hangen. Zij zit naast haar vader, haar knieën naar het portier gebogen, haar achterhoofd tegen de hoofdsteun, haar blonde haar steekt in plukken door de opening in hoofdsteun. Er zitten vlekken in haar hals.
Haar vader zegt: Zijn jullie met dezelfde trein gekomen?
Hij wacht tot ze ja zegt. Heel zachtjes.
Dat jullie mekaar daar treffen, hè. Op zo’n groot station.
Nu zegt hij ja, en haar vader kijkt over zijn schouder en zegt: Amsterdam is toch net een dorp.
Ze rijden het dorp voorbij en volgen de dijk. Bij het tweede kruispunt stuurt haar vader de auto linksaf een weggetje op waar een spoor van suikerbietenloof en modder op het asfalt ligt.
Wij hebben haar een keer verhuisd, zegt hij, in Amsterdam. Helemaal van dat huis in West naar waar ze nu woont, en toen we daar buiten stonden met de aanhanger en met die spullen zo midden op straat, liepen er mensen voorbij, en die zeiden bijna allemaal gedag. Net als hier.
Ja, zegt de jongen.
Eerst dacht ik dat het daar zo massaal was, of hoe zeg je dat? Zo anoniem. Maar dat valt best mee, want als je daar een paar keer geweest bent dan kom je op straat steeds dezelfde mensen tegen en dan kennen ze je nog ook.
Hij zet een voet op de verhoging tussen de twee stoelen.
Die mensen van de snackbar bij haar in de straat, zegt haar vader, die zwaaien altijd naar me. Dat zijn Egyptenaren, geloof ik.
Op de achterbank liggen een paar kranten en een doos met een verlichtingsset, voor in de tuin. Er staat een Duitse tekst op. Hij denkt aan de smalle steeg en aan haar ogen, aan haar donkergemaakte wimpers die een moment omhooggingen toen ze hem zag en haar oogleden die een paar keer knipperden, voor ze verdween.
Ze heeft hem herkend, toen. Ja, ze heeft hem herkend.
Ze rijden langs het huis met de melkbus ervoor die als brievenbus dienst doet.
Daar moet ik er toch af? zegt haar vader.
Hij kijkt naar buiten. Hij ziet de boerderij van de buren en aan de andere kant van het weggetje de kippenschuren met de betonnen oprit.
Ik loop dat laatste stukje wel, zegt hij.
O, het is goed hoor, zegt haar vader. Ik ben nou toch aan het rijden. En hij rijdt het smalle weggetje in dat uitkomt bij de boerderij.
Ze zijn met de suikerbieten bezig, zegt hij.
Ja, zegt haar vader. Kolerezooi altijd. Daar hebben jullie geen last van, denk ik. In Amsterdam.
Hij zet de auto naast de haag. Hij stapt uit, houdt het portier vast en bukt zich om hen gedag te zeggen. Ingrid kijkt hem niet aan. Haar vader zegt: Nou, tot kijk hè.
Ze zegt alleen: Dag.
Zie ik je morgen? vraagt haar vader vlak voor hij het portier dicht drukt.
Goed.
We moeten tegen Oranje Zwart.
Ik kom morgen wel.
Die staan derde. Die zijn goed.
Tot morgen.
Hij gooit het portier dicht. Haar vader steekt zijn hand op en hij kijkt hoe de man de auto keert op de oprit voor het huis. Hij drukt een keer op de claxon en rijdt terug naar de provincialeweg die over de dijk loopt. Het raampje waar ze achter zit draait langs. Ze heeft haar ogen neergeslagen.

Bij een station dat bestaat uit enkel een breed perron met een verkapping stappen ze uit. Daar nemen ze de stoptrein. Hij vraagt naar haar studie, zij ontwijkt zijn vragen. De trein doet vier stations aan en dan stappen ze weer uit.. Zij gaat hem voor het perron op, de riem van haar tas over haar schouder, een arm over de tas. Ze lopen langs de restauratie. Op het plein voor het station staan een paar auto’s slordig geparkeerd, wielen op de stoep, en bij een van die auto’s, achter een openstaand portier, staat haar vader. Hij zegt haar gedag. Ze kust hem op zijn wang. Haar hakken komen van de bestrating. Als hij de jongen ziet zegt de man: Jij ook hier?
Hij zegt: Ik ga ook naar mijn ouders.
Hoe gaat het?
Goed.
En met de studie?
Ook goed.
Ze zet haar tas op de bestrating.
Jij zal het er ook wel druk mee hebben, denk ik.
Ja, zegt hij en kijkt hij naar haar, naar haar wangen die even weer de glans van die avond hebben.
Haar vader pakt haar tas op, sleept hem naar de achterkant van de auto, doet de klep open en als hij de tas in de bagageruimte schuift vraagt hij: Doe je mee, morgen?
Ik weet het niet.
We kunnen je er wel bij hebben denk ik. We moeten tegen de nummer drie.
Hij blijft op de stoep staan, iets hoger dan waar de man staat. Ingrid is om de auto heen gelopen en heeft het portier geopend.
Je kunt zo meedoen hoor, zegt haar vader.
Ik heb geen schoenen bij me.
Die kun je wel van iemand lenen. Jij hebt toch maat drieënveertig, of zo.
Tweeënveertig, zegt hij.
Dat is geen probleem. Ik zal Gerben vragen. Die heeft ook die maat. Die heeft twee keer per seizoen nieuwe schoenen, en die ouwe zijn dan nog goed.
Ingrid gaat op de bijrijderstoel zitten.
Zeg het maar, zegt haar vader.
Misschien. Hoe laat spelen jullie?
Gewoon, half drie. We spelen thuis.
Dat kan denk ik wel.
De man kijkt de parkeerplaats af.
Word je opgehaald?
Wat?
Word je nu opgehaald, of zo?
Ik moet nog even bellen.
Ik kan je anders wel wegbrengen.
Nou, zegt de jongen, maar haar vader is al naar hem toegelopen en neemt zijn rugzak aan.
Dan rij ik wel over de dijk, zegt hij.

Ze zit in de trein, achter een met graffiti beklad raam, en ze kijkt naar het perron aan de andere kant van het spoor. Naast haar op de bank staat een grote groene tas met een riem eraan. Hij stapt de trein in, gaat de smalle deur door, blijft bij haar bank staan en zegt: Hé.
Ze kijkt op en ook dit keer herkent ze hem. Hoi, zegt ze.
Hij twijfelt, even maar. Dan wijst hij naar de bank tegenover haar en vraagt of hij daar kan gaan zitten. Ze knikt.
Hij vraagt: Ga je naar ook huis?
Ja.
Ze kijkt weer uit het raam. In het zonlicht dat onder de overkapping van het station de trein binnenvalt is haar huid bleek. Ze heeft geen lippenstift op. Geen kleur op haar oogleden.
Dan kijkt ze naar hem. Woon je ook hier bij het station in de buurt?
Bij het Waterlooplein, zegt hij.
De trein vertrekt. Hij kijkt naar haar benen. Ze heeft ze over elkaar geslagen. Ze draagt een spijkerbroek. Daarboven een gevoerde jas met randjes bont aan de mouwen en aan de kraag. Haar blonde haar is omgeven door zacht bont. Ze heeft rode vlekjes in haar hals en net als op die avond in de steeg ontwijkt ze zijn blik.
De trein rijdt langs een serie flats en ze staart naar de flats alsof ze iemand kent die daar woont, die de galerij op zal kunnen stappen, en die ze niet wil missen. Ze kijkt de flatgebouwen na.
Als de trein de stad al lang achter zich gelaten heeft en er aan weerszijden van de trein weilanden liggen zegt hij: Ik dacht dat jij studeerde.
Ja, zegt ze. Psychologie.
Even hebben ze oogcontact. Blauwe pupillen, en in een van die pupillen zit een vlekje. Een zwart puntje, linksonder.
Heeft ze hem niet herkend, die avond?
Hij denkt terug aan het moment dat hij haar zag, aan de goot met de putten in het midden van de steeg, toen haar ogen een andere glans hadden en een andere kleur, zoals ze ook onder de lampen van de dansvloer een andere glans en een andere kleur hadden, maar onmiskenbaar diezelfde ogen. Details komen terug. Ze verdween achter een grijze deur. Een man achter hem werd opgehouden had een leren jas aan. Een snor. Een stem en een snor. Nu in de trein hoort hij de man weer sorry zeggen. Hij schuift over de bank, naar het raam toe, zijn arm op de leuning. Hij ziet een boerderij met kuilgras ervoor. Autobanden. Hij ziet gordijnen voor de ramen op de bovenverdieping. Daar achter brandt licht. Ook in de schuur brandt licht, op klaarlichte dag.
Psychologie, herhaalt hij.
Tweedejaars. En jij? Jij deed toch iets met economie?
Geschiedenis.
O ja.
Ze schuift de tas een stukje naar zich toe, doet de rits open en haalt er een flesje water uit. Ze draait de dop eraf en drinkt. Wil jij ook?
Nee, dank je.
Ze stopt het flesje weer terug in de tas.
Bevalt het goed in Amsterdam? vraagt hij.
Ja. Heel goed.
De deur naar het balkon gaat open en de conducteur komt tussen de banken doorgelopen en vraagt hen om de kaartjes. Hij haalt zijn kaartje uit zijn jaszak en laat het zien. Zij vist haar portemonnee uit een zijvak van de tas en zoekt naar haar kaartje, vindt het uiteindelijk tussen een paar pasjes. Als de conducteur verder gelopen is vraagt ze: Ga je vaak terug?
Niet zo vaak meer.
Ik ook niet. Paar keer per jaar.
In het begin ging ik vaker, zegt hij. Toen ik nog voetbalde. Maar dat was niet vol te houden.
Voetballen, zegt ze.
Hij knikt en kijkt naar de weilanden en naar de toren van een stad die opeens opduikt. Op de spits een gouden haan.

Met zijn rug staat hij tegen een pilaar geleund, een schoen met de zool tegen de pilaar, een glas bier in zijn ene en een sigaret in zijn andere hand, en opeens ziet hij haar dansen onder de lampen met de rode en gele filters. Ze danst met een man die minstens dertig is. De man draagt een shirt met een wijde hals. Hij heeft donker haar op zijn armen. En zij heeft haar haar los, haar armen bewegen los, haar hoofd lijkt los te zitten. Ze heeft een glas bier in haar hand, het schuim spat eruit. Ze drukt zich tegen de man aan, die slaat zijn arm om haar middel, tilt haar op en kust haar lang op haar mond. Haar tong, en die van hem. Hij zet haar weer op de dansvloer, zegt iets tegen haar, zijn mond vlakbij haar oor, en dan loopt hij tussen de mensen door naar de deuren die naar de hal leiden.
Ze gaat naar de bar. Met haar ellebogen leunt ze op het koude marmer. Hij kijkt naar zijn sigaret, die nog niet voor de helft opgerookt is. Hij gooit de sigaret op de grond en komt ook aan de bar staan, net om de hoek. Onafgebroken kijkt hij naar haar.
Hij was eerst, hoort hij een jongen naast hem zeggen, maar pas na een tik tegen zijn schouder dringt het tot hem door dat hij bestellen kan.
Bier, zegt hij en hij steekt een vinger op.
Dan kijkt ze naar hem. Ze lacht.
Het meisje van de bar zet een glas bier op het viltje. Hij zegt: Doe maar twee.
Hij geeft haar alvast geld. Ze tapt een biertje, zet het voor hem op de bar en hij zegt: Voor haar.
Hij wijst.
Het meisje geeft Ingrid het biertje. Ze houdt het in de lucht en aan haar mond leest hij af: Cheers.
Ze neemt een paar slokken. Ze kijkt naar de deur en even naar de dansvloer. Dan schuift ze achter de andere mensen aan de bar langs zijn richting uit.
Hoi, zegt ze.
Ingrid.
Ze steekt haar wijsvinger naar hem uit en zegt: Van De Diesel.
De Diesel, zegt hij. Alles goed met je?
Heel goed.
Ze neemt weer een slok bier.
Hij knikt, drinkt, kijkt naar de mensen op de dansvloer en als zij ook die kant op kijkt zoeken zijn ogen de moedervlek in haar hals.
De man waar ze mee gedanst heeft komt bij hen staan en slaat een arm om haar heen. Zijn vingers gespreid op haar heup. Ingrid zegt iets tegen de man en de man schudt hem de hand.
Ook uit de provincie, zegt hij.
Ja.
Hij bestelt drie glazen bier, geeft Ingrid en de man er een, en ze proosten.
Ingrid gebaart dat ze ook moet pissen. Ze loopt naar de deuren.
Ik zag haar altijd in de disco, bij ons.
De man knikt. Het is een boerinnetje, zegt hij. Maar wel een heel lekker boerinnetje.
De man lacht.
En helemaal voor jou alleen, zegt hij zonder zijn stem te verheffen.
Wat zeg je?
Dat ze helemaal alleen voor jou is.
Wat bedoel je, vriend?
Niks hoor, zegt hij. Een sigaret? Hij houdt de man zijn pakje voor.
De man schudt zijn hoofd. Slecht voor je, zegt hij.
Hij kijkt naar de man. Borsthaar. Gespierde bruine armen. Hij steekt een sigaret op, draait zich naar de bar, legt zijn onderarmen op de bar en kijkt naar zijn blanke huid. Er lopen een paar aderen aan de oppervlakte van zijn huid en als hij zijn vuist balt lichten ze blauw op onder de lampen. Hij houdt zijn sigaret in zijn mond en drukt de koontjes van zijn vingers tegen zijn handpalm. De aderen worden dikker.
De man drinkt.
Als Ingrid terug bij de bar is gaat ze naast de man staan en kijkt ze af en toe naar hem. Hij vraagt haar niks.
De muziek verandert. Ze pakt de hand van de man vast. Hij zet zijn glas op de bar en ze gaan dansen.

De avond nadat hij haar voor het eerst in Amsterdam zag is hij weer terug in de steeg, iets vroeger dit keer. Er is verder niemand. Hij kan de steeg helemaal uitkijken. Hij loopt tussen de muren, kijkt even omhoog. De muren lijken naar elkaar toe te hellen.
Was het die deur? Of die met die deur die in de grondverf is gezet?
Langzaam loopt hij verder. Op een van de putten ligt een krant, een natte prop die het water tegenhoudt. Hij schopt de krant opzij.
Hij kijkt door een van de ramen en herkent het tijdschrift dat toen ook op de vensterbank lag. Naast het tijdschrift ligt een pakje sigaretten, een aansteker en ook staan er twee ivoren olifanten, een grote en een kleine. Hiernaast was het. Hij loopt verder. De gordijnen zijn open. Die kruk met die ene schuine poot, de dwarsligger als voetensteun. De doek is weg. De kamer is verlaten.
Even kijkt hij in de richting van de gracht en de andere kant op. Dan loopt hij de steeg door, wacht een tijdje op de hoek van de andere straat, houdt het raam in de gaten. Hij rookt een sigaret.
Toeristen schuifelen langs de gracht. Sommigen gaan de steeg door. Af en toe gaat er een deur open, maar nooit die van haar, en hij loopt nog een keer de steeg in. Bij het raam blijft hij staan. De poster die tegen de verste muur hangt had hij nog niet gezien. De plant in de hoek ook niet. Twee mannen komen hem tegemoet. Amerikanen. Een baseballpet. Ze lopen nu nog naast elkaar, waar hij staat lukt dat niet, en hij drukt zich tegen het raam, zet zijn handen tegen het glas en terwijl de Amerikanen achter zijn rug passeren kijkt hij de kamer in, neemt alle details in zich op, maar er is niets dat wijst op haar aanwezigheid. Een tas, iets van make-up, een papiertje, de puzzel uit de krant. Niks.
Die avond dwingt zijn nieuwsgierigheid hem tot diep in de nacht in de buurt van de steeg te blijven. Hij gaat op de hoek bij de andere steeg staan, onder het neonbord met de trillende letters, en hij houdt het raam in het oog, maar zij verschijnt niet in de steeg om de deur naast het raam open te maken en aan het werk te gaan.
Een dag later gaat hij weer, weer de steeg door, zwaar ademend. Hij denkt veranderingen in de kamer te zien. De kruk die anders staat. Maar de kamer is even verlaten.
Inmiddels herinnert hij zich wel haar naam: Ingrid.
Daarna gaat hij nog een paar keer kijken. Hij gaat zelfs met de fiets. Hij zet zijn fiets tegen de dikke metalen balustrade die een boom aan de gracht moet beschermen, schiet meteen de steeg in en richt zijn blik alleen op het vijfde raam aan de rechterkant, als je van die kant komt, maar in de steeg ziet hij haar niet.
Die avonden is hij niet meer in de andere straatjes geweest, niet op het plein met de kinderhoofdjes, niet bij de kerk en niet bij de bioscoop, zelfs de FEBO is hij voorbij gelopen, en als hij beseft dat hij haar niet meer zal zien, speelt het even door zijn hoofd om simpelweg te gaan zoeken, in rondes, de straten uitkammen, avond na avond, tot hij haar weer zien zal. Maar dat is belachelijk. De stad is groot.
Hij gaat terug naar huis en probeert niet meer te denken aan de dochter van zijn elftalleider.

Hij daalt het stoepje zijn voordeur en steekt een sigaret op. Hij loopt rustig de hoek om, de straat uit, het verlaten Waterlooplein over, de brug over en dan het straatje naar de Nieuwmarkt, en met dezelfde sigaret tussen zijn vingers loopt hij langs de ramen en kijkt hij naar de hoeren. Zo dichtbij woont hij.
Hij neemt een laatste trekje van zijn sigaret, gooit hem dan weg in de Bloedsteeg, waar het druk is die avond. Een groep Engelsen verdringt zich voor een deur. Hij blijft staan. Een van de Engelsen praat met de blonde hoer die de deur openhoudt en met een andere vrouw, die voor hem niet te zien is. Ze willen een grote kerel naar binnen hebben, zo begrijp hij, en ze willen dat hij het met twee tegelijk doet, maar ze vinden het te duur. De man die het woord voert gaat bij de andere mannen langs. Ze drukken hem briefgeld in zijn hand.
Hij loopt verder, gaat de bocht om langs een stuk waar alle gordijnen dichtgetrokken zijn, en bij de Oudezijds gaat hij de hoek om. Hij loopt achter een Italiaans stel. De jongen is groot en donker, zij is klein en heeft een capuchon over haar hoofd. Hij kijkt naar haar kont.
Bij de FEBO haalt hij een kroket uit de muur. Hij blijft onder de warmeluchtblazer bij de deur staan en kijkt naar de club aan de andere kant van het straatje. De portier spreekt voorbijgangers aan. In het Engels, in het Duits. De portier spreekt hem niet aan. Hij steekt zijn hand op naar de portier en die knikt kort terug. Alsof hij hier al jaren komt. Alsof hij het hier wel kent.
Hij gooit zijn servetje in de vuilnisbak en gaat de brug over, naar de Oude kerk. Hier zitten de hoeren uit Venezuela. Tenminste, ze zien eruit alsof ze uit Zuid-Amerika komen, en Venezuela klinkt goed. Ze rammelen op de ramen en met de deurkrukken. Hij negeert ze.
Bij de peepshow loopt hij naar binnen. Hij knikt naar de man achter de balie en loopt langs het rek met videobanden. Hij blijft even bij de deurtjes kijken. Er komt een man naar buiten die naar hem kijkt en dan naar de vloer. De man heeft een leren tas aan een riem om zijn schouder. Hij laat de deur open staan. Op de metalen vloer van de cabine liggen papieren zakdoekjes.
Hij lacht in zichzelf, kijkt naar de portier, maar die leest een tijdschrift.
Via de achteruitgang gaat hij naar buiten, een steeg in. Aan het einde van de steeg is in een pand een gang gemaakt met aan weerskanten ramen. De gang is smal en loopt in een rondje. Het is er warm en er zitten knappe jonge hoeren. Hij maakt een rondje.
Door de Trompettersteeg loopt hij terug. De steeg loopt nauw toe in de richting van de gracht en er komen een paar mannen van de andere kant en hij blijft staan om ze te laten passeren. Dan stapt hij verder, langs een Surinaamse, langs een blonde met een zwarte string aan, aan de andere kant een Thaise waarbij hij denkt: een vent, en dan aan zijn linkerhand nog een blonde en bij die laatste blijft hij staan.
Hij kijkt naar haar gezicht, dat blonde haar strak achterover gekamd en in een staart, die ogen, die slanke hals. Een moedervlek in die hals. Haar borsten in een witte BH. Hij ziet de ring in haar navel, verscholen in haar buik. Ze zit op een kruk waar een rood stuk stof overheen ligt. Hij kijkt naar haar benen. Ze heeft witte sokken aan.
Dat alles ziet hij, in een flits, als hij zijn blik weer richt op haar gezicht zoemt het in zijn hoofd.
Hij kan niet op haar naam komen.
Zij kijkt ook naar hem, met een blik die hoeren niet gewoon is. Ze herkent hem. Ze komt van haar kruk en in een paar passen is ze achterin de kamer. Ze verdwijnt achter een deur.
Sorry, hoort hij.
Een man met een snor staat achter hem te wachten. Hij drukt zich tegen het raam en laat hem er langs. Zijn mouw strijkt langs zijn jas. Er komen nog meer mannen de steeg door. Hij kijkt nog even de lege kamer in, loopt dan naar de gracht waar hij diep in- en uitademt.


Veertien april

De Gids, oktober 2007

Op de veertiende april van dat jaar verloor Alicia haar moeder en de helft van haar gezicht.
De presentatrice kijkt in een van de camera’s, vouwt haar handen samen voor haar buik, knikt kort en als op het scherm achter haar een foto van de jonge Alicia verschijnt herhaalt ze: De helft van haar gezicht.
Het meisje op de foto lacht.
Vandaag laten we haar verhaal zien, klinkt de stem van de presentatrice. Het is alsof ze niet praat maar het geluid van een geluidsband komt. Een ongelofelijk verhaal. Alicia was net zeventien geworden. Een veelbelovende scholiere die een beurs zou krijgen en zou gaan studeren. Ondanks haar thuissituatie. De vriend van haar moeder bedreigde haar – ze kijkt even opzij – dagelijks. Bijna dagelijks. Tot ze de veertiende april van dat jaar meer verzet bood dan anders. Het werd haar bijna fataal. Maar ze overleefde – ze praat nog langzamer nu – de schotwond. De kogel uit het pistool van haar moeders vriend sloeg één kant van haar gezicht weg. Maar ze vocht voor haar leven. En vandaag is ze hier.
Applaus. De mensen op de tribune gaan staan.
We zijn zo bij u terug.
En weer hypnotiseert de presentatrice de camera.

Alicia zit met haar rug tegen de muur van de kleedkamer. De wand rechts van haar is een spiegelwand. Tussen haar stoel en die wand heeft ze een kledingrek geschoven en nu zit ze op de stoel en laat ze zich een laatste beetje schmink opsmeren door een vrouw in een rode trui. De vrouw is erg vriendelijk. Ze zegt: Voor mij ben je net als alle andere gasten.
Alicia knikt. De kwast strijkt over haar wang.
Op de monitor die hoog tegen de spiegelwand hangt ziet ze de presentatrice naar de bank lopen, ze gaat zitten en ademt een paar keer in en uit. Dan komt er een vrouw met een doekje en schmink bij de bank staan. Ze veegt het voorhoofd van de presentatrice af.
De show wordt hervat.
Komt u mee?
Alicia staat op en loopt achter een vrouw aan een gang door. Weer een andere vrouw. Bij een zwarte deur blijft de vrouw staan.
Nog een minuut, zegt ze tegen Alicia.
Het duurt lang. De vrouw gaat voor haar staan, schikt de kraag van de blouse die voor haar uit een kledingrek gehaald is, en glimlacht naar haar. Er is hier geen monitor, alleen de stem van de presentarice klinkt uit een speakerbox die vlakbij de deur hangt.
En vandaag is ze hier.
Dan gaat het lampje naast de deur aan. Ze hoort haar naam. De vrouw telt van drie naar nul, de deur gaat open en Alicia loopt de studio in, tegen een muur van applaus op. Ze loopt langzaam, schuifelt haast, en haar wijfelende stappen lijken het applaus te doen aanzwellen. De presentatrice is opgestaan van de bank, komt naar haar toe en omhelst haar.

Wat er aan vooraf ging was amper een ruzie te noemen. Een paar bekende woorden die over het bed vlogen.
Hij zei: Je houdt je kop.
Zij zei: Nee. Nee. Nee.
Hou je kop.
Mijn moeder komt zo thuis.
Die komt nog lang niet.
Ze wist dat hij aan zou dringen. Dat hij zou krijgen wat hij wilde. Ze wist dat hij een pistool had en dat hij het zou gebruiken als dat nodig was. Toch riep ze nog een keer.
Hij liep naar de kast.
In feite had ze hierop gewacht.
Hij pakte het pistool uit de la waar de kleren van haar moeder op stapeltjes lagen. Het pistool lag gewichtloos in zijn handen en toen hij het dofzwarte wapen tegen haar slaap drukte zag ze in zijn ogen een donkere blik die zijn donkere huid grijs maakte.
En toen kwam haar moeder door de achterdeur het huis binnen. De hordeur klapte tegen de gieter, die van de veranda viel, en door dat geluid veranderde alles. Opeens die knal vlakbij haar oor, in het binnenste van haar oor, zo leek het. Het geluid drong door tot in de kleinste vezels van haar lijf. En er was nogmaals een knal, heel ver weg.
Ze ademde, verrassend licht. Al die tijd had ze haar ogen open. Eerst zag ze alleen zijn tanden en het wit van zijn ogen, toen de deur naar de keuken, toen viel ze en zag ze dat haar moeder op de keukenvloer lag, tegen de koelkast. Haar hand met de vingers gespreid in de lucht. Ze zakte in elkaar, door haar knieën, steunde op een stoel.
Weer dat geluid van de hordeur. Hij was weg.
Er liep klam vocht langs haar hals. Ze legde haar hand erop en voelde het bloed. Ze wilde het haar moeder laten zien, ze wilde zeggen: Mam, ik bloed. Maar ze kon niets zeggen. Tot er vanuit haar keel een gil omhoogschoot en ze op de grond zakte. Pijn voelde ze niet. Ze lag op de houten vloer, omgeven door een vreemd soort stilte, alsof er iets van haar weggenomen was.
Ze voelde het bloed langs haar hals kruipen, langs haar schouder. Er vormde zich een plas op de vloer. Ze dacht eraan een dweil te pakken.
Ze bewoog haar hand over het hout, door het bloed, door het vuil dat op de vloer lag. Ze dacht: Ik had de vloer eerder al moeten dweilen. Of het zand weg moeten vegen. Wat zijn die korrels? Grof zand? Grind van de oprit dat in de gleuven van zijn schoenen is blijven steken?
Toen raakte ze haar gezicht aan. Haar vingertoppen streken over een botsplinter.
Na lange tijd klonk er een sirene, het geluid werd hoger en hoger, stopte toen. Weer het geluid van voetstappen, nu in haar richting, de achterdeur. Geen klap van de deur nu. Toen een tijdje niks, alleen een zucht en daarna vanuit de verte het geluid van een radio, van stemmen die praten op de radio.
Ze had haar ogen gesloten. Ze kon alleen de ademhaling van de man horen en zijn voet die over het hout schoof. Toen bewoog ze haar hand en probeerde ze een geluid te maken. Heel zacht. De man hoorde het, knielde naast haar en begon te praten. Hij legde een hand tegen haar achterhoofd. Hij sprak zacht tegen haar en tegelijkertijd vloekte hij, meisje, meisje toch. Alsof hij wist dat ze het zou redden en niet vloekte om wat er gebeurd was, maar omdat ze nog leefde.

De politieman zorgde ervoor dat ze in het ziekenhuis kwam, waar ze vier maanden verpleegd werd, alleen in een kleine kamer op de vierde verdieping. De kamer keek uit op een park. Vanuit haar bed kon ze de toppen van de bomen zien. Ze hoorde het geluid van jongens die honkbal spelen.
De artsen probeerden uit te vinden waar de kogel haar gezicht was binnendrongen – bij haar oor – welke botten en stukken huid hij weggeslagen had – haar jukbeen, haar neus, haar bovenkaak – en waar de kogel weer naar buiten was gekomen. Bij haar bovenlip.
Toen ze aanspreekbaar was moest iemand van het ziekenhuis haar zeggen dat haar moeder drie maanden geleden begraven was. Ze wilde naar het graf maar een van de zusters zei dat ze de komende tijd niet naar buiten kon. Ze luisterde niet, probeerde op te staan. Ze kon niet uit bed komen. Ze kon niets zeggen, ze kon niet huilen. Ze bleef in het ziekenhuis, zag de zon opkomen en wegdraaien naar de rand van het raam waarachter diezelfde zon veel en veel later ergens onderging.
Er zat verband om haar gezicht. Ze keek niet in de spiegel. De artsen raadden het haar af in de spiegel te kijken.

Toen ze weer thuis was, begeleid door haar tante die een busreis van drie uur had moeten maken en haar had gezegd dat ze een week kon blijven, ging ze op de bank zitten en kon ze niets anders doen dan de televisie aanzetten en naar het eerste kanaal kijken dat verscheen, zonder de puf op de knop van de afstandsbediening te drukken. Het eten dat haar tante haar voorzette kon ze niet binnen houden. Haar tante vertelde haar dat haar verhaal in de krant had gestaan, ook waar zij woonde. Ze vertelde haar dat iedereen het wist.
Haar tante vertrok weer. Alicia kon weer een beetje lopen, ze kreeg er hoofdpijn van. Ze kon brood smeren voor zichzelf. Verplegend personeel kwam om de drie dagen aan huis. Steeds een ander. Die wikkelde het verband van haar gezicht, maakte de wonden schoon en legde een nieuw verband aan dat rook naar een jurk van haar moeder, een witte jurk. Ze wachtte tot er misschien iemand anders op bezoek zou komen, tot de telefoon zou gaan. Maar er gebeurde niets.
Een enkele keer ging de telefoon. Dan nam ze op en zei ze haar naam en luisterde ze naar de stem van een verkoopster. Dat was aangenaam. Tot die keer toen ze zestien dagen alleen thuis was. Ze probeerde haar naam te zeggen. Alicia, rochelde ze. Aan de andere kant van de lijn hoorde ze een vrouw huilen, toen hoorde ze een klik, en verder niets. Ze dacht dat het een andere tante was, maar dat wist ze niet zeker.

Ze wilde het graf van haar moeder opzoeken. Ze belde haar tante. De tante die de eerste dagen voor haar gezorgd had.
Waar ligt ze?
Zou je niet beter even wachten?
Waar ligt ze? Harder nu.
Op de begraafplaats bij het spoor.
Welk graf?
Misschien kunnen we samen gaan.
Ze schudde haar hoofd, drukte de hoorn tegen haar borst.
Zullen we samen gaan? Volgend weekend?
Ze legde de hoorn neer en liep langzaam naar buiten. Ze volgde de weg naar de spoorlijn. Aan het einde van de weg sloeg ze af, een onverhard pad in. Langs het pad stond een heg. Toen ze bij de ingang kwam en het hek door wilde gaan merkte ze dat het hek op slot zat. Ze keek tussen de spijlen door naar de rijen grafstenen. Ze volgde de heg tot de spoorlijn. Er zat een opening in de heg die vaker gebruikt werd, door dieren of mensen, en daar ging ze doorheen. Ze vond het graf van haar moeder achteraan op de begraafplaats. Er stond geen steen op, zelfs geen kruis. De aarde was rul.
Lang bleef ze bij het graf staan.
Toen zocht ze takjes onder de struiken, onder een grote boom. Met een paar goeie takken liep ze terug naar het graf, daar knielde ze neer en toen ze wegging bleven de stukken hout op de aarde liggen. Ze vormden de cijfers veertien en vier.
Ze liep terug naar huis en dacht niets.

Er kwam een brief van het Openbaar Ministerie. De rechtzaak tegen de vriend van haar moeder zou over twee weken plaatsvinden, in een andere stad, en de tijd tot de rechtzaak bracht ze door in de woonkamer waarin ze het zonlicht niet toeliet, waar ze sliep op de bank.
Ze werd opgehaald door twee mannen in pak. Een blanke en een donkere man. Ze ging op de achterbank van de auto zitten, achter de donkere ramen, en liet zich naar de rechtbank rijden. Daar werd haar niets gevraagd. Ze luisterde naar de stemmen van advocaten, van de rechter, van de man die de advocaten en de rechter aankondigde toen ze binnenkwamen na een pauze, die haar niet aankondigde. Het duurde lang. Op een gegeven moment vervaagden de stemmen en was het alsof ze sliep. Toen werd haar voorgelegd of ze de verdachte, inmiddels de veroordeelde, nog iets wilde meegeven voor in de gevangenis.
Zonder hem aan te kijken zei ze: Jij hebt je moeder nog.
Toen hij weggevoerd was en ze langzaam naar de uitgang liep, ondersteund door een van de mensen van de rechtbank, werden haar vragen gesteld. Over het vonnis. Over de dader. Een vrouw hield een voicerecorder voor haar gezicht. Ze keek de vrouw aan, die was jong en knap, en Alicia vroeg haar: Waar is hij voor veroordeeld?
Voor wat hij u heeft aangedaan, zei de vrouw zonder de voicerecorder voor het verband weg te nemen.
Nergens anders voor?
Wat bedoelt u?
Ze gaf geen antwoord, schuifelde de trappen af. Samen met de andere journalisten bleef de vrouw haar volgen, en ze bleven haar vragen stellen. Ook werden er foto’s van haar genomen.
De auto met de donkere ramen bracht haar naar huis en voor de eerste keer haalde ze het verband van haar gezicht en keek ze in de spiegel. Voor haar stond een vreemde. Ze had gedacht dat ze er nog was, omdat ze leefde, maar ze was zelf ook verdwenen. Ze pakte het verband op en gooide het in de vuilnisbak die de veranda stond, vlak achter de hordeur.

De volgende dag ging ze de straat op. Pas halverwege de middag kon ze zich ertoe zetten. Ze schuifelde naar het winkelcentrum. Op de hoek van de straat kwam een man met een hond haar tegemoet. Hij deed alsof hij naar de hond keek, en naar de lantaarnpaal waar de hond tegenaan piste. Voorbij de hoek zag ze de borden van het winkelcentrum, de rij winkelwagentjes bij de ingang van de supermarkt. Ze naderde. Toen ze bij de schuifdeur was en de deur openging en haar schoenen over de borstels van de mat schoven leek de lucht in de corridor te verstillen. De mensen bleven staan, keken om. Zelfs de muziek die gedraaid werd leek verdwenen. Het was een klein jongentje dat de stilte doorbrak. Hij riep: Een monster, een monster.
Alicia bleef staan en zag dat de moeder het jongetje optilde. Ze draaide haar schouder naar Alicia toe, drukte het kind tegen haar borst en streelde zijn haar. Ze kende de moeder. Ze werkte in het koffiehuis tegenover het winkelcentrum, waar ze iedere zaterdagmiddag samen met haar moeder koffie dronk en een brownie at. De vrouw herkende haar niet. Het kind huilde. De vrouw haalde een zak smarties uit het winkelwagentje, scheurde de zak open, liet er een paar op haar hand rollen en hield ze het jongetje voor. De vrouw wees.
Nee, die rooie, brulde hij.
Hij stopte de smartie in zijn mond. Toen reed zijn moeder het winkelwagentje naar de hoek van de corridor waar de autootjes stonden. Ze zette het jongetje in een van de autootjes, stopte een muntje in de gleuf en het autootje begon te schokken. Ook klonk er een muziekje, zoals op de kermis.
Alicia liep weer naar de straat. De schuifdeur sloot zich achter haar. Haar benen waren moe. De zon brandde fel op haar hoofd. In haar hals. Een oude man kwam over de parkeerplaats aanlopen. Hij duwde een leeg winkelwagentje naar de rij wagentjes bij de ingang. Het karretje rammelde. Hij stopte de grove sleutel in het laatste karretje, haalde het muntje uit de opening, stak het muntje in zijn zak en bedacht zich. Hij liep naar Alicia, reikte haar het muntje aan en toen ze haar hand uitstak en het aannam zei hij dat ze er wel iets goeds voor moest kopen. Geen drank. Ze knikte. De oude man liep naar zijn auto.

Haar tante stuurde haar een trui met een hoge kraag. Er zat een rits in. Ze trok de trui over haar hoofd, schoof hem recht en trok de rits omhoog. De kraag kon tot over haar mond getrokken worden. Haar gezicht veranderde er niet door.
Ze bleef zo veel mogelijk binnen. Haar boodschappen liet ze bezorgen. Een jongen van de supermarkt zette twee maal per week een papieren tas op de veranda en de avond ervoor legde ze op dezelfde plek, onder een steen, een papiertje waar op stond wat ze wilde hebben. Hetzelfde als haar moeder kocht. Kip at ze graag. Jambalaya. En bonen. Als ze het klaarmaakte dacht ze aan haar moeder. Dan rook ze haar moeder.
Er belde iemand van de krant. Dit was meer dan een jaar na de dood van haar moeder. De man stelde zich voor en hij vroeg of hij haar kon interviewen.
Wanneer?
Morgen. Morgen zou het beste uitkomen.
Ze was lange tijd stil. De man zei: Hallo. Hallo. Bent u daar nog?
Ze bleef een tijdje stil. Ze vroeg: Waar wilt u over praten?
De man aarzelde.
Ze dacht aan haar moeder. Ze dacht aan hoe haar moeder in gesprek ging met de telemarketeers waar ze nu zelf zo graag naar luisterde. Haar moeder vroeg hen hoeveel ze verdienden en ook als ze dat niet wilden zeggen dan zei ze dat ze hoopte dat ze in de toekomst beter betaald zouden krijgen.
Toen zei de journalist: Over wat er met u gebeurd is.
Met mij is er niks, zei ze.
De man haakte af.
Niet lang nadat de journalist gebeld had hing er iemand anders aan de telefoon, een vrouw met een vriendelijke kalme stem. Ze zei dat het haar speet wat haar overkomen was. Ze zei dat ze aandacht aan haar moeder wilde besteden in een televisieprogramma.
Aan mijn moeder?
En aan u.
Ik wil wel praten over mijn moeder.

Twee dagen later belde de vrouw weer op, weer met die vriendelijke stem. Ze zei dat ze eerst iets af wilde spreken, om alles goed door te praten. Ze zei dat ze samen met haar naar het graf van haar moeder wilde gaan. Zonder camera’s.
Goed, zei ze tegen de vriendelijke stem.
Ze spraken af bij het oude busstation. Het was warm. Ze had de trui die ze van haar tante had gekregen aan, maar toen ze langs een etalage liep en ze zag hoe haar spiegelbeeld weggedoken was in de kraag trok ze de rits open en even later trok ze de trui uit. De vrouw wachtte op haar in een van de bushokjes. Verder was er niemand. Ze praatten met elkaar.
Het is hier vlakbij, zei Alicia.
De vrouw vroeg naar haar moeder. Hoe oud ze was, wat voor werk ze deed, of ze meer kinderen had. Ze had het idee dat de vrouw wel wist hoe oud haar moeder was en waar ze werkte en dat zij enig kind was, toch gaf ze antwoord. Ze zei: Mijn moeder werkte hard. Ze was lief voor me.
De vrouw zei heel vaak dat het haar speet.
Alicia voelde zich op haar gemak, in het verlaten busstation. Toen de vrouw vroeg of ze mee wilde werken aan de uitzending knikte ze.
Alles zou geregeld worden. Ze zou thuis opgehaald worden en met een charter naar de studio gevlogen worden. Het was meer dan twee uur vliegen. In het vliegtuig kreeg ze vers fruit en yoghurt en een broodje met krabsalade. Er was een hotelkamer voor haar gereserveerd, het was een mooie schone kamer die uitkeek over de stad. Voor ze ging slapen keek ze naar de hoge gebouwen en naar de lichtjes op straat, de gele lichtjes van de lantaarns en de lichtjes van de auto’s die daar eindeloos doorheen bewogen.
De volgende middag waren de opnames. Ze werd voorgesteld aan de presentatrice, die haar in haar armen nam, zoals haar moeder dat kon wanneer ze uit haar werk kwam en haar vriend de deur uit was. De presentatrice keek haar aan en huilde. Er werd niet gerepeteerd, althans, niet waar zij bij was. In de kleedkamer werd ze geschminkt. Er werd haar gevraagd of ze een sjaal of zoiets had en ze schudde haar hoofd. Er werd haar gevraagd of ze een sjaal wilde lenen.
Nee, zei ze.
Toen begonnen de opnames.

Ze gaat op de bank zitten, in het midden. Ze zit een stuk van de rugleuning vandaan, anders raken haar voeten de grond niet. Ze kijkt naar het publiek, dat ook gaat zitten. Het zijn voornamelijk vrouwen. Met open mond kijken ze naar haar. Een vrouw op de eerste rij heeft haar hand voor haar mond geslagen, heeft tranen in haar ogen. De presentatrice vertelt wat haar overkomen was. Het ongelofelijke verhaal.
Op de monitor die voor haar staat verschijnt een andere foto van toen ze jong was, ook nu lachend. Ze heeft een schooltas op haar rug. Aan weerskanten van haar staan vriendinnen, die ze heel lang niet meer gezien heeft. De foto is genomen op het grasveld voor haar school. Het was winter, er zat geen blad aan de bomen. Ze weet niet hoe de mensen van het televisieprogramma aan de foto gekomen zijn. Het meisje op de foto lacht haar toe, lacht het publiek en de kijkers thuis toe. Alicia kan zich precies herinneren wie haar vriendinnen waren en hoe ze eruit zagen maar het meisje met de schooltas is als een vreemde voor haar.
De presentatrice zegt dat er straks meer komt en de mensen op de tribune gaan weer staan en applaudiseren. Tijdens de onderbreking komt de presentatrice naast haar zitten en legt ze een hand op haar schouder en als ze opnames weer beginnen vertelt ze het verhaal van haar tijd in het ziekenhuis. Er wordt een foto getoond van haar gezicht. Daarna volgt een videoanimatie waarop te zien is hoe de kogel haar gezicht doorboort. Dan verschijnt weer de schoolfoto, er wordt ingezoomd.
De presentatrice vraagt: Kun je je herinneren dat je er zo uitzag?
Jawel.
Wat denk je als je die foto ziet?
Dat mijn moeder er toen nog was.
Wat denk je nog meer?
Ze denkt lang na.
Wat zie je dan?
Alicia zwijgt.
De presentatrice zegt: Rustig maar.
Ze is rustig.
Niet weggaan, klinkt het. We zijn zo terug. Het publiek gaat staan en de presentatrice legt een hand op haar bovenbeen. Een man met papieren in zijn handen komt naar de bank gelopen. Hij zegt iets tegen de presentatrice. Dan kijken ze allebei naar haar. De presentatrice vraagt: Wat denk je als je die foto ziet?
Dat mijn moeder er toen nog was.
De man met de papieren kijkt de presentatrice aan. Dan gaat hij door zijn knieën. Hij houdt de dubbelgevouwen papieren tegen zijn voorhoofd.
Zou je iets over jezelf kunnen zeggen? vraagt hij en achter hem op de monitor verschijnt de foto.
Over mezelf?
Ja.
Ze kijkt naar het mooie meisje met de schooltas en ze knikt.
Als de opnames weer beginnen wordt haar de vraag opnieuw gesteld.
Wat denk je als je die foto ziet?
Ze zegt: Ik ben blij dat mijn moeder me nooit zo gezien heeft.
De man met de papieren staat naast een van de camera’s. Hij gebaart. De presentatrice zegt: Een ongelofelijk verhaal.
Ze is even stil.
Dan zegt ze: Onze volgende gast…