Tirade, april 2010

Omdat ik alles gezien had mocht ik me een paar weken later als getuige melden. Of ik iemand zou willen komen herkennen op het bureau in de Pieter Aertszstraat.
Dat wilde ik wel.
Dus fietste ik naar het bureau en werd een kamer ingeleid waar achter een donkere glasplaat een Marokkaanse jongen stond, heel iemand anders.
Ik zei: Dit is hem niet.
Ik kon weer vertrekken. Ik liep naar buiten. Op datzelfde moment werd de Marokkaan vrijgelaten. Hij liep achter me aan naar de deur. Ik hield de deur voor hem open. Toen stonden we op straat.
Ik zei: Ik moest jou herkennen, maar je was het niet.
Hij zei: Natuurlijk was ik het niet.
Ik zei: Je voldoet waarschijnlijk aan het signalement.
Hij zei zoiets van: Dat moet dan wel.
Gebeurt je dit vaker? vroeg ik, want op zo’n toon praatte hij, dat hem dit vaker gebeurde.
Ja, zei hij. Dit is de negende keer dat ik in die kamer gestaan heb.
We stonden nog even op de stoep. Hij hield zijn handen in zijn broekzakken. Hij had een pet op en keek me aan, onder de rand van de klep door.
Toen hij weg wilde lopen zei ik: Mijn pa ligt in het ziekenhuis.
Jouw pa?
Ja, daarvoor was ik hier. Ze hebben hem het ziekenhuis in getrapt. Mijn pa.
Ik was het niet, zei hij en hij drukte zijn handen dieper in zijn broekzakken. De klep van zijn pet ging omlaag.
Ik zei: Ik zeg het je maar. Ik zeg je gewoon wat er gebeurd is.
Hij zei: Klote voor je pa.
Even zwegen we. Toen zei ik: Ik had gewoon kunnen zeggen dat jij het was.
Hij keek me aan en zei: Maar dat heb je niet gedaan.
Dat klopte. Ik weet niet waarom ik tegen hem praatte, maar ik zei: Het was hier vlak achter. In die straat naar de Amstel toe.
Hij keek even de Tolstraat in, keek toen naar het pleintje, waar gevoetbald werd. Een jongen schreeuwde iets, na een doelpunt of na een gelukte actie.
Ik zei: Het was drie weken terug. Op een vrijdagavond.
Ik bedoelde er verder niks mee, met die vrijdagavond. Of toch wel? Ik verwachtte niks, maar ik wilde hem dit vertellen, gewoon alles vertellen omdat hij ook een Marokkaan was.
Ik voegde er aan toe: Hij ademt door een slang.
En nog steeds verwachtte ik niks, maar hij zei: Loop even mee.
Hij gebaarde naar het plein. Daar stonden bankjes.
Ik liep mee. Ik naast hem over de stoep en we staken de weg over en gingen tussen de hekjes door de speeltuin in. Een paar jongens zeiden hem gedag, maar ingehouden. Misschien omdat ik er bij was.
Hij wees een grote vierkanten plantenbak aan, in de zon, en daar gingen we zitten.
Het was heel warm.
Ik zei: Hij ligt al weken in het ziekenhuis.
En hij zei: Ik denk dat ik het wel weet. Ik denk dat ik weet wie jouw pa is. Die kerel is met dat rode wagentje, met die brommermotor erin.
Dat is hem, zei ik.
Achter ons klonk het geschreeuw van de jongens die aan het voetballen waren. Een dikke jongen stond in het doel en riep dat ze harder moesten schieten. Door de andere ingang kwamen moeders met kleine kinderen de speeltuin in. De kinderen zochten de grote zandbak op. De moeders gingen naast elkaar op de banken zitten en toen die vol waren op de plantenbakken naast ons.
Ik heb het gezien, zei ik. Ik heb gezien hoe hij tegen zijn hoofd getrapt werd.
Ik zei verder niks en vroeg hem niks, maar ik had het in ieder geval verteld.
De jongens voetbalden op het warme asfalt, ze waren snel en schoten hard. De keeper in het ene doel was een meisje met een hoofddoek om. Ze had niks te doen en praatte met een meisje dat achter het hek stond.
Ik draaide me om en keek naar een klein Marokkaans ventje dat eerst met een blond vriendje bij het speelhuis zat en dat nu achter die jongen aan was gelopen naar de bank waar een jonge blonde moeder zat. Haar zoontje kreeg drinken en ze vroeg aan het ventje of zijn papa of mama er ook waren, en toen hij zijn hoofd schudde vroeg ze hem of hij ook appelsap wilde. Dat wilde hij wel. Ze dronken.
Toen wilde hij nog meer.
De moeder zei dat ze genoeg op hadden.
De jongen bleef zeuren, met een zeikerig stemmetje en de moeder was rustig, maar ik niet, ik was helemaal niet rustig, en toen de jongen nog iets zei stond ik op en riep: Hou je bek jij, kleine klootzak.
Hij keek me aan. Voor hij iets kon zeggen, riep ik: Je bek houden, ja?
Het was een heel klein ventje en hij stond daar voor me en keek naar me op, en het deed hem niks dat ik daar stond, hij keek dwars door me heen en ik deed een stap naar hem toe en duwde hem tegen zijn borst, ik duwde echt hard, en hij viel op de tegels. Met zijn hoofd op de tegels. De moeder riep iets. De jongens die aan het voetballen waren kwamen aangerend. Ze duwden me, er werd van alles geroepen. Ik voelde een tik tegen mijn rug, iets tegen mijn knie. Het jongetje huilde. Er werd geduwd en geroepen, tot de Marokkaan van het politiebureau opeens naast me stond. Hij riep: Ophouden. Hij duwde wat jongens weg. Hij was ouder, maar niet groter. Ze luisterden naar hem. Hij pakte mijn arm en nam me mee de speeltuin uit, een van de straten in. Hij keek steeds achterom. Bij een portiek stopte hij. We gingen op het trapje zitten.
Sorry, zei ik.
Hij zei een tijdje niks. Toen zei hij: Weet je hoe ze me noemen?
Dat wist ik niet.
Hij zei: Ze noemen me Keyser Söze.
Keyser Söze, herhaalde ik. Van die film.
Ja, zei hij. Ze noemen me zo omdat ik iedere keer op kan komen draven.
En je bent het nooit?
Nooit.
In de film werd Keyser Söze verhoord en ik heb het ingewikkelde plot nooit helemaal begrepen, maar hij was weldegelijk het brein achter alles wat er gebeurd was, en hij kwam er mee weg. Dus ik zei: Jij komt er ook mee weg.
Ik ben het niet, zei hij.
Die bijnaam van hem spookte nog door mijn hoofd, want Keyser Söze wist alles en Keyser Söze was sterk, sterk in zijn hoofd.
Ik vroeg hem of hij dat jongetje kende.
Ja, zei Keyser Söze.
Is hij altijd alleen op dat plein? vroeg ik toen.
Meestal wel.
Toen vertelde Keyser Söze dat hij zelf ook vaak alleen in de speeltuin was, toen hij net op school zat. Toen hij een jaar of vijf was. Hij vertelde me dat de vader van dat jongetje een snackbar had in Noord en dat zijn moeder in de verpleging werkte.
In de verpleging, zei ik. Weet je waar?
Dat wist hij niet.
Ik keek de straat in en dacht aan voetballende jongens: een dikke Marokkaanse jongen, een andere jongen die ze Appie genoemd hadden, nog een stuk of vier Marokkaanse jongens, een magere Surinaamse jongen, een Nederlandse jongen met een pet op en een ontbloot bovenlijf.
Ik zei: Die jongen komt zeker ook vaak hier? Die mijn pa heeft getrapt.
Keyser Söze begreep mijn vraag, maar zweeg.
Misschien liep hij er wel tussen, zei ik.
We konden de jongens op het plein nog horen.
Keyser Söze vroeg: Hoe oud is je pa?
In de zestig al, antwoordde ik.
En hij vroeg: En weet je dat hij die vrijdag een jongen zijn arm gebroken heeft?
Dat wist ik niet, maar ik keek er niet van op.
Ik zei: Ze stonden iedere dag bij hem voor de deur. Precies op de hoek. Ook die vrijdag. Ik was die dag bij hem op bezoek. Ik woon niet meer bij hem, maar die dag was ik er wel en heb ik alles gezien, van boven. Het was donker, maar ik heb alles gezien. Daarom belde de politie me op. Ik heb alles gezien en ze dat verteld. Ik stond voor het raam en ik zag ze staan aan de overkant en ik had die middag al aan mijn pa gezien dat hij het helemaal gehad had, en ik weet hoe hij is.
Hoe is hij? vroeg Keyser Söze.
Ik moest even nadenken. Toen zei ik: Hij laat niet met zich sollen.
Wat bedoel je?
Jij begrijpt het wel, zei ik en Keyser Söze bleef me aankijken en terwijl hij naar me keek hoorde ik mijn pa tegen me tekeer gaan, toen ik nog bij hem woonde, bijna dagelijks, en ik herinnerde me mijn verschrikte gezicht in de spiegel, die strakgetrokken mond, en ik dacht aan de buurman die me een keer vroeg hoe het ging toen ik mijn fiets van het slot haalde, met mijn schooltas al op de bagagedrager, en mijn linkerbeen stijf en lam tegelijk, door hem.
Ik weet hoe hij is, zei ik weer.
Die avond wist ik dat hij naar buiten zou gaan, de straat op, en dat het verkeerd zou gaan, maar ik zei niks tegen hem en ook ging ik niet naar buiten om bij het fietsenrek te waarschuwen, de jongens die roken, en blowen, en kletsen. Een van hen zat op een scooter.
Ik had moeten zeggen: Willen jullie een eindje verderop gaan staan?
Maar ik bleef binnen en toen ging het mis.
Hij ging naar buiten. Hij had al maanden die jongens voor de deur en nu hadden ze hem waar ze hem niet moesten hebben, en hij liep op ze af, het eerste stuk tot het putdeksel eigenlijk heel rustig, en de eerste sloeg hij tegen de zijkant van zijn hoofd en de tweede, die achteruit ging, kon een klap net ontwijken, maar een volgende jongen werd bij zijn arm gegrepen en ik zag dat mijn pa hem vasthield en nog iets tegen de jongen zei en ik weet wat voor dingen hij zeggen kan, en hij hield die arm vast en klemde hem, en toen herpakte de groep zich en er werd gevochten en geslagen en uiteindelijk trapte een lange dunne jongen mijn pa tegen zijn slaap, en hij ging neer.
Dat vertelde ik allemaal en Keyser Söze luisterde, vrij ontspannen. Hij kende het verhaal al. Hij vroeg: Waar ligt-ie?
In het OLVG.
Hij knikte. Even dacht ik dat hij zou zeggen dat het hem speet, maar dat deed hij niet.
In het trappenhuis achter ons ging het licht aan, en weer uit.
Wil je wat water? vroeg hij. Of iets anders. Er is daar een snackbar.
Goed, zei ik.
We liepen de hoek van de straat. Hij trok de deur open en liet mij voor gaan. Hij pakte een flesje spa blauw uit de koelkast en vroeg of ik dat ook wilde. Ik knikte. Hij gaf mij een van de flesjes en betaalde, en ik dronk.
Achter de toonbank stonden twee mannen in dezelfde T-shirts. Ze hadden allebei een snor. Ze zeiden Keyser Söze gedag. Ze noemden hem Zack.
Keyser Söze stak zijn hand op.
We liepen naar buiten. Op de hoek van de straat bleven we even staan. Er kwam een tram langs.
Toen ze ik dat ik maar weer eens moest gaan.
Tot ziens, zei hij.
Ja, zei ik en ik vroeg hoe hij heette. Of hij echt Zack heette.
Zakaria, zei hij.
Ik noemde mijn naam, gaf hem een hand en liep de straat weer in, in de richting van de speeltuin, waar mijn fiets tegenover het politiebureau in het rek stond.