Met mijn dochter ben ik bij Katy Perry.
Ze zit op mijn schouders. Ze is al groot.
Ze is bijna elf. Katy Perry zingt, mijn dochter gilt.
You’re gonne hear me roar.
Dat wil ik horen. Van mijn dochter. Haar kiezen op elkaar. Grommen zoals ik grommend op de fiets zat toen ik haar op ging halen. Toen ik haar op moest halen.
Ze zit zwaar op mijn schouder. Meisjeslijf, lange meisjesbenen. Bambi. Ik hou haar knieën vast. Ik weet dat ze nergens anders aan denkt dan aan dit moment met haar idool voor haar neus, in de muziek, op de schouders van haar papa.
Ze zingt mee: Oh oh oh oh oh oh oh oh.
Ik denk wel ergens anders aan. Ik haalde haar op na een telefoontje van de politie. Het ging niet goed met haar mama.

Het zijn de laatste maanden van groep zeven. Voor haar een schooljaar in een kleine klas met vriendinnen die plots allemaal pubers werden. Zij zelf ook.

Voor mij een jaar met zorgen. Grommen op de fiets, en niet alleen toen ik haar op moest halen.
Zorgen, niet over dat puber-worden. Dat kan niet snel genoeg gaan. Daar geniet ik van. Daar klier ik haar mee. Zorgen over mijn dochter die, ook al wordt ze een puber, kind moet kunnen zijn. Omdat ze dat soms niet kon.
Er werd gebeld. Politie. Kom je kinderen maar halen.
Oh oh oh oh oh oh oh oh.
Op de fiets. Zaterdagochtend. Ziekenwagen erbij. Haar moeder mee in de ziekenwagen. Kinderen naar mij.
Vriendelijke man van de politie. We zullen meldingen moeten doen naar allerlei zorginstanties.
Doe maar.
Eindelijk, want die zorg was er al maanden.

Mijn dochter schopt. Ze kan niet stilzitten. Ik zeg niks. Bij Katy Perry hoeft ze niet stil te zitten.
Toen ik haar een keer vroeg hoe het ging dat weekend bij haar moeder antwoordde ze via WhatsApp: Ik ben aan het koken.
I used to bite my tongue and hold my breath.
La-la-la
So I sat quietly, agreed politely.

Was dat maar waar. Stil, vriendelijk. Dat was al een tijdje voorbij.

Ze wil graag helpen, bij mama. Ze wil graag bij haar mama zijn. Ik wil ook dat ze bij haar moeder kan zijn maar dan wel als kind van tien, bijna elf. Bijna puber. Een meisje waar je tegen moet zeggen: leg die telefoon even weg. Zet die tv uit. Kom aan tafel zitten.
Een meisje dat steeds langer voor de spiegel staat. Dat met vriendinnen bezig is, leuke dingen doet. Beïnvloedbaar is. Stoer en groot en onzeker en klein tegelijk.
Ik wil dat haar gescheiden ouders dat faciliteren en ook grenzen stellen.
Scared to rock the boat and make a mess.
Dat was het zinnetjes. La-la-la.
Dat faciliteren en die grenzen kwamen eenzijdig. Het hele schooljaar mee bezig. Dweilen onder een lekkende kraan.
Is er wel iemand bij je, bij dat koken?
Mama is er denk ik wel.
Grommen vloeken roar zorgen grommen.
Netjes vragen, netjes vragen. Wil jij misschien ook voor je dochter…? Wil jij haar naar school…? Kun je haar naar turnen…?
Geen verandering. Wel steeds horen: komt goed, ga ik doen, zal ik doen, valt wel mee…
So I sat quietly, agreed politely.

Er veranderde niks.
Niet netjes vragen. Mailen, appen, bellen. Toon veranderen. Dwingend.
You hear my voice, your hear that sound.
Like thunder, gonna shake the ground.

Via andere mensen vragen. Geen verandering.
Dus dat meisje nam het over.
Bij mij meer zorgen.
I guess that I forgot I had a choice.
Wie zingt dat? Dat zou mijn dochter moeten zeggen als ze daar eten aan het koken was. De keuze om iets anders te gaan doen. Maar die was er niet, voor haar.
I let you push me past the breaking point.
Die zorg.
Mijn dochter ging zorgen. Glaasje water pakken. Ik doe het wel. Boodschapjes halen, doe ik wel. Aardappelen melk brood.
Ik doe het wel. Neem ook maar wat lekkers mee. Een ijsje of zo.
Ik doe het wel, mama.
Aardappels schillen.
Now I’m floating like a butterfly.
Stinging like a bee I earned my stripes.

Kan toch niet. Hoe vaak heb ik dat gegromd?

Haar moeder was bij haar rapportgesprek. Vlak voor ze opgenomen werd.
Ziek, wankel.
Er stonden twee krukjes in de klas. Mijn dochter die zorgt: ik pak wel even een stoel mama, dan kun je daarop zitten.
Een heel goed rapport, maar de aandacht werd opgeslokt door haar moeder.
Wil je een glaasje water mama?
De juf zegt: een ongelofelijk goed rapport.
Ik knik. Hoe trots kun je zijn?
En een meisje van tien dat zegt: ik ben trots dat jij er bent mama.
Ik zat wel op dat krukje. Laag. Onhandig. Mijn knieën opgetrokken. Vanbinnen helemaal kapot.
Ze kreeg dit concert voor haar verjaardag. Ze moest elf maanden wachten en nu staan we hier. Hou ik haar hand vast.

In de kast ligt een tekening. Een begeleider die er eindelijk eindelijk eindelijk kwam, na al die verschillende meldingen en dat telefoontje van de politie en ook veel toeval, vroeg haar om een huis te tekenen.
Drie huizen.
Eentje bij mama. Eentje bij papa. En haar droomhuis.
Boven het eerste huis staat: Mama niet meer ziek. Koken. Kan niet veel voor ons doen. Boodschappen. Onduidelijk.
Bij het andere huis staat: Papa streng.
Het derde huis is haar droomhuis.
Ik ben net verhuisd. Mijn dochter is nu volledig bij mij. Ze is mee verhuisd, maar dat bedoelde ze niet.
Boven haar droomhuis heeft ze ook geschreven: Op de wolken zitten.
Ze wil op de wolken zitten.
Dat kan ze. Met turnen. Daar is ze goed in. Ze zweeft. Ze wint medailles.
’Cause I am a champion, and you’re gonna…
Ik breng haar naar turnen.
Als ze op de balk staat denkt ze alleen aan haar oefening. Geen zorgen. Die concentratie.
Als ze een turnwedstrijd had op een of andere zondag dan vroeg ze als eerste: papa ben ik dat weekend bij jou?
Ze weet: als ik bij mama ben kom ik niet bij die wedstrijd.
In mijn agenda kijken. Dan ben je bij je moeder.
Een week later zegt ze: ik heb niet zo’n zin in die wedstrijd.
…hear me roar.
Alle concentratie weg.

Weer naar turnen. Ze is chagrijnig als ze moe is. Ver fietsen. Van de tekenles, zoals ik sindsdien het bezoek van de begeleider noem, naar turnen in Osdorp. Drie kwartier fietsen. Op de terugweg is ze niet te genieten. Ik breng haar, ik werk daar, fiets mee terug. We eten om kwart voor acht. Het eten staat klaar. Je hoeft niks te doen. Ga maar lekker chagrijnig op de bang hangen met je telefoon.
Bij haar moeder moeten koken omdat haar oudere broer kan zeggen: heb ik geen zin in.
Zij kan dat niet. Ze lijkt op mij.
Onderaan de tekening een blauw gezicht. Er komt stoom uit haar oren. Ze was boos. Soms is ze boos.
Jaren kookte en zorgde ik. Toen ging ik weg. De zorgen bleven.

In de meivakantie gingen we naar Center Parcs. In Limburg. Met een vriend, onze vriendinnen, vijf kinderen in totaal. Zorgeloos weekend.
Een zorgeloos weekend is het voor volwassenen nooit. Die kinderen in dat subtropische zwembad te zien spelen, dat neemt de zorgen niet weg en doet ze ook niet voor even vergeten. Haar te zien op een glijbaan met die lange benen. Spetterend in warm water. Een meisje dat met twee andere meisjes meisjesdingen doet. Dat zeurt om ijs, dat pizza wil eten. Bibberend op die zwembadtegels met een grote Mickey Mouse handdoek om haar schouders. Zo’n middag bevestigt die zorgen en wat dit meisje belast heeft, wat ze gemist heeft.
Ze tekende ons huis en vertelde de mevrouw dat ik streng ben. Klopt. Soms mag ze geen ijsje. Soms mag ze geen toetje. Dan gaat ze zeuren. Dat werkt niet bij mij. Dat weet ze.
Dan zeg ik: voordat jij geboren werd bestond zeuren niet.
Ze staat op de balk. Ze kan een bruggetje achterover. Dat oefent ze op de balk.
Op de wolken zitten. Iedere donderdag. Eigenlijk is ze op donderdag bij haar moeder. Die zegt: ik kan haar niet brengen.
Ik zeg: misschien kun je iets regelen.
Ik kan het ook niet regelen.
Herhaling van zetten. Ik doe het wel. Ik zit al op de fiets.
I justed to bite my tongue and hold my breathe.
Scared to rock the boat and make a mess.

Toen deze puber vier was ging ze naar school, haar broer achterna. Op de fiets. Mama brengt je op die dag en ik op die dag.
In de ochtend op haar dag: niks.
Zou jij die kinderen niet naar school brengen?
En dan hoorde ik: het gaat even niet. Ik kan het even niet. Ik moet nog even liggen.
Wie lost dat op? Ik zat al op de fiets.
Oh oh oh oh oh oh oh oh.
Nu zit ze op mijn schouders. Hoog. Op de brug met ongelijke liggers. Wolken.
You held me down, but I got up.
Dat klopt niet. Ze hield zichzelf tegen, en ik ook. Omstandigheden.
Als mijn kinderen een goed rapport hebben gaan we snoep halen. Traditie. Nu wil zij snoep voor haar moeder gaan halen.
Ze werd turnkampioen van Amsterdam in haar categorie.
Now I’m floating like a butterfly.
Ze kreeg een medaille. Ze stond op de hoogste treden, ze had geen zorgen. Ik huilde. Ik huilde niet om het turnen of om die medaille. Die middag had ze geen zorgen.
Ze wilde haar moeder vertellen dat ze de eerste prijs had gewonnen, toen ze weer thuis was.
You hear my voice, your hear that sound.
Like thunder, gonna shake the ground.

Ik zet mijn meisje weer op de grond. Ze ziet niks meer. Ze is weer klein. Ze pakt mijn hand.
Met de vrouw die mijn dochter een tekening liet maken sprak ik ruim twee uur. Ze luisterde vooral. Ik vond het erg moeilijk. Je moet duidelijk zijn. Niks verzinnen.
Alles goed uitleggen. Voorbeelden geven. Dan begrijpen mensen het.
En toen zei ze: jij moet ze beschermen.
Ze zei niet dat ik ze mag beschermen.
De kinderen zijn niet al zo’n lange tijd alleen maar bij mij omdat ik dat zo graag wil. Ik wil ze beschermen.
En die mevrouw zei: jij moet
I got the eye of the tiger, a fighter.
Dancing through the fire.

Het was wel vechten maar geen euforie. De tijd was tegen me geweest. Ik had eerder dit… Ik had eerder dat…
Katy Perry zingt maar door. Naar dit moment kijkt mijn dochter al uit vanaf dat ze tien werd, en nu is ze bijna elf.
Die tijd zit ons mee.
Ze zit weer op mijn schouders. Ze houdt haar handen in de lucht.
‘Cause I am a champion, and you’re gonna hear me roar.
Louder than a lion.
…and you’re gonna hear me roar.
Ik zing niet mee.
Oh oh oh oh oh oh oh oh.

Ik zing pas mee bij het laatste liedje.
Met ook een oh oh oh.
Het gaat over vuurwerk. Het gaat over haar. Een advies.

You just gotta ignite the light and let it shine.
Just own the night like the Fourth of July.
’Cause baby you’re a firework.
Come on show ’em what your worth.
Make ’em go Oh, oh, oh!
As you shoot across the sky.

Op de wolken zitten. Of zweven.

Jan van Mersbergen