Trouw, april 2012

Het was een puinhoop. Het gezin waar ik jaren als vader deel van uitmaakte viel uit elkaar en dat was mijn schuld. Ik moest weg uit huis en had geen andere woning. Ik zocht een slaapplek, desnoods voor één nacht. Ik belde mijn vriend Jan.
‘Hoe is-ie, Jan?’
‘Okay Jan, en jij?’
‘Gaat wel.’
Hij hoorde meteen aan mijn stem dat er iets mis zat.
‘Kom maar even langs,’ zei hij.
Jan werkt in een café op de Zeedijk. Het was maandagmiddag. Er was één vaste klant. Hij dronk rode wijn. Jan zag me binnen komen, haalde zijn sleutelbos uit zijn broekzak, legde die voor me op de bar.
‘Je ken wel bij mijn pitten,’ zei hij.
Daarna maakte hij koffie en vroeg hij wat er nou eigenlijk allemaal aan de hand was. Ik vertelde het hele verhaal. Hij zei: ‘Nou, dat heb je mooi verprutst, maar ga maar naar mijn huis dan maak ik straks stamppot.’
Dat deed hij. We aten stamppot.

Zeven weken bleef ik in zijn huis aan de Kostverlorenkade in Amsterdam, een woonkamer waar Jan sliep, een slaapkamer van twee bij twee die als opslag diende, en een grote tuin. Jan deed een schoon laken om de matras in het kamertje, haalde een kussen uit de kamer, trok daar een hoes omheen, en mijn slaapplek was klaar. Ik was – soort van – gered.
Toen ik Jan leerde kennen – we werkten allebei aan de Da Costakade in gebouw De Liefde – woonde hij op de Kinkerstraat, tegenover de boekwinkel. Bij hem in huis woonde destijds Patrick – ook barman, ook geen huis meer. Hij kwam op een dag aanzetten voor een nachtje, en zou uiteindelijk vijf jaar blijven.
Bij Jan in het café noemden ze me al snel de Nieuwe Patrick. Er liepen weddenschappen over hoe lang barman Jan nu weer iemand in zijn huis zou hebben.

Bij het kunstbedrijf in gebouw de Liefde was Jan portier, ik werkte als planner en administrateur. Muziek was een bindende factor. Alle muziek die ik mooi vond stond bij hem in de kast, en daarnaast nog veel meer. Hij was zanger van Lazy Sunday Dream, een Amsterdamse countryband met een cultstatus, kortweg de Lazies.
In de zeven weken aan de Kostverlorenkade was er één CD die het meest gedraaid werd en die een muzikale herinnering aan die weken zal zijn: The Black Dirt Sessions van Deer Tick. Toen hoorde ik dat ze in Paradiso zouden spelen, eind maart, en kocht kaartjes. Jan ging mee. Het was een afscheidsconcert, die periode afsluiten met de muziek die bij die periode hoort.
Dat gebeurde vaker, muziek of een film of boeken een rol laten spelen, omarmen, en samen delen.
Ik las een boek over het rugbyteam dat neerstortte in de Andes en 72 dagen op een berg verbleef. Ik gaf het boek door aan Jan en deed later hetzelfde met het boek van hoofdrolspeler Nando Parrado over dezelfde geschiedenis. Jan viel ook voor het verhaal en samen keken we in zijn huis de film Alive, met wat wijn, stukjes chocolade en de ramen wijd open. Het was winter en bar koud. We bootsten de omstandigheden op de berg na: kou, beetje wijn en snoep, dat was alles wat die mannen hadden. Jan trok een dekentje om zich heen.
Gesprekken gingen over muziek, boeken, drank, films. Nooit over gevoelens. We spraken weinig, gaven commentaar op de televisieprogramma’s.
Nooit zei een van ons: ‘Waar denk je aan?’
Of: ‘Hoe voel jij je?’
Wel vroeg ik hem af en toe: ‘Hoe gaat het met je moeder?’
Daaraan herken je een vriend. Een vriend weet van de ander wat er speelt, vraagt er naar, want ik vroeg alleen naar zijn moeder als ik wist dat er iets aan de hand was. Nooit zomaar. En als dan het antwoord alleen bestaat uit ‘goed’ dan is dat geen probleem.
We zaten bij elkaar. We zijn vrienden.
De moeder van Jan hoorde van de situatie waar ik in zat, en zei: ‘Het overkomt iedereen. Heb je nog dekbedjes nodig? Als je straks een huis hebt moeten je kinderen dekbedjes.’
In de zeven weken dat ik in het kamertje aan de Kostverlorenkade sliep kookte ik bruine bonen voor Jan, een keer curry, rijst. Jan houdt niet van pasta, dus ik maakte alleen spaghetti als hij moest werken.
Ik kwam graag in zijn kroeg. Aan de lage bar bij de flessen jenever praten met mannen die allemaal iets vergelijkbaars hebben meegemaakt. Weg bij hun vrouw, ziek geweest, depressies, geluk en ellende, het komt daar allemaal voorbij.
Aan die bar werd ik opgenomen als een oude vriend. Ik hoefde er bijna niks voor te doen, alleen maar gaan zitten en vertellen wat me op het hart lag. Dat deed ik.
Jan luisterde, de anderen luisterden. Jan maakte een grap, de anderen lachten, en iemand gaf weer een rondje. Een mooi café, niet alleen omdat het er mooi uitziet, maar vooral omdat de mensen die met elkaar verbonden zijn.
Toen een van de vaste klanten in een mindere periode zat wat betreft zijn gezondheid, zei Jan: ‘We gaan wandelen.’
En dat deden ze, in Amsterdam Noord. Schoenen kopen. Aan die dingen, en lopen, en vooral praten natuurlijk. Inmiddels is de vaste klant weer opgeknapt, komt hij niet iedere dag meer in de kroeg, is hij zijn buik kwijt en gaat hij een stuk beter. Jan is trots op hem.
Het bestaat nog: een barman die je vriend is. Die trots is als zijn vaste klant niet meer iedere dag aan de bar zit, en zich lekkerder voelt.

Toen Jan ziek was, op zijn beurt – keelontsteking – belde stamgast Emmy hem op, een vrouw van in de tachtig. Ze vroeg hoe het met hem ging. Ze miste hem.
Op een avond zat ik aan de bar en Jan vroeg: ‘Geef dat krukje even aan.’ Ik vond het vreemd, dacht dat hij wilde zitten, maar dat deed Jan niet. Hij zette het krukje achter de bar. Toen Emmy even later binnenkwam gaf hij haar de kruk. Hij wist dat ze zou komen, op haar vaste tijd, en hij wist dat ze wil zitten. Hij reserveerde een kruk voor haar.
Jan heeft een vriendin. Ze heet Amber en woont in Montana, Amerika. Ze zien elkaar weinig, vorig jaar een keer en afgelopen maart twee weken in Austin, Texas.
Soms belde Jan met Amber, dan hoorde ik hem Engels praten in de keuken. Dan trok ik me terug in de slaapkamer. Na het telefoontje keken we weer naar de televisie.
Op een avond kwam ik thuis met een enorme tas vol kleding. Ik kwam van het Venlose Carnaval. Ik was mijn stem kwijt en had vijf dagen feest in de benen. ik was gesloopt. Jan lag op een handdoek op de houten vloer en werd aan zijn arm getrokken door Ollie, een jongen die massages geeft aan huis. Jan had pijn. Hij gromde. Ollie praatte met me over het Carnavalsfeest en ik liet hem mijn Duitse Schlagerspruik zien en mijn jas. Het was een bizarre situatie: een grommende Jan in zijn blote bovenlijf op de vloer, die arm, en ik met mijn blonde pruik op. En toch paste het allemaal bij dat huis aan de Kostverlorenkade.

Eigenlijk wil Jan weg uit Nederland. Eigenlijk wil hij naar Montana, of naar Texas. Hangt er vanaf waar zijn meisje wil wonen, waar ze geld kunnen verdienen. Al een tijdje speelt Jan met het idee.
Toen ik net een huis voor mezelf gevonden had, een paar weken terug, ging Jan voor twee weken naar Austin, Texas waar hij Amber zou treffen. Ik zorgde voor de katten. Iedere dag kneep ik twee zakjes voer in een schaaltje en deed ik brokjes in een grotere bak. Ik keek of ze nog genoeg water hadden. Ik riep de katten als ik binnenkwam. Zag ze aan komen lopen over de schutting, of door de tuin. Dan het kattenluikje door. Piepen en miauwen tot het eten op de vloer stond. Dan keek ik even hoe ze aten. Dan keek ik naar de bank, keek ik even in het slaapkamertje. Zo maar, even kijken.

Ik was geen Nieuwe Patrick meer en toch fietste ik iedere dag van Amsterdam Zuid naar West voor die twee katten van hem, maar eigenlijk ook om rustig afscheid te kunnen nemen van zijn huis, zonder iets te zeggen. Dan zette ik de CD van Deer Tick aan, koos een liedje en liet de tekst van het liedje spreken. Na het liedje zei ik de katten gedag en vertrok weer.
Amber komt in het najaar naar Nederland. Dat duurt nog maanden en dat doet Jan geen goed.
In februari was de bekendmaking van de BNG Nieuwe Literatuurprijs, waarvoor ik genomineerd was. Bij Jan in huis wachtten we tot we naar de Stadsschouwburg konden gaan. Het was spannend. Ik kon vijftienduizend euro winnen. Ik trok een zwart overhemd aan, Jan een witte met een singletje, en een pet.
‘Als ik die prijs win,’ zei ik, ‘ga jij deze zomer weer naar Amerika. Dan koop ik een vliegticket voor je.’
Ik was zenuwachtig. Voor het programma begon stootte ik tegen het koffiekopje van Jan. Hij had een enorme bruine vlek op zijn witte overhemd.
Ik won. Jan zat op de derde rij. Iedereen applaudiseerde. Ik zag hem glunderen. ‘Naar the States,’ zei hij.
Het beeldje en de bloemen stak Jan in zijn fietstas. Hij nam ze mee naar huis en zette het beeldje op de houten vloer bij het wijnrek. De bloemen op een stoel daarnaast, die verdroogden. Binnenkort gaat de Nieuwe Patrick voor zijn vriend een ticket kopen. Deze zomer is Jan weer bij zijn meisje.

Jan van Mersbergen