Ik...
9 september 2010
... verwacht in een gonzend kabaal terecht te komen, zoals op een kermis, maar het Binnenhof is stil. Het is nog voor half elf. Ik loop een rondje en besluit de vrouw van de souvenirs te vragen naar de formatie en vooral naar de pers die daar op af komt, want daar kom ik voor.
Ze zegt: ‘Nu zie je geen journalisten, maar als er iets gebeurt dan zwermen ze hier opeens met tientallen rond. Je weet niet waar ze allemaal vandaan komen.’
Inderdaad geen pers te bekennen. Tot na een halfuur een cameraman verschijnt. Samen met een man die een koptelefoon op zijn hoofd heeft en een microfoon in zijn hand steekt hij het Binnenhof over. Ze scharrelen wat rond, pasjes bungelen aan hun broeken. Uiteindelijk gaan ze bij nummer 1A naar binnen en ... (Lees verder in de Nieuwe Revu van deze week.)
8 september 2010
... hoorde een Belgische moslim op de Belgische televisie praten over zijn geloof en hij zei: ‘Een moslim moet altijd het goede doen, moet altijd op het juiste pad blijven, een goede moslim kan niet anders dan het goede doen.’
Het was een mooie documentaire, over jongens die op school zitten in België, die voetballen, die een versgeslacht schaap mee naar huis nemen, die hun leven hebben met moeder, opa en broertjes en zusjes, allemaal netjes in beeld gebracht.
Toen zei de man: ‘Iemand die niet gelooft kan niet op het rechte pad blijven, die heeft niets om bang voor te zijn.’
En dat is precies het probleem van moslims, ook al kun je dat natuurlijk niet zo in zijn algemeenheid zeggen, dus eigenlijk is dit het probleem van deze ene arme oude Belgische moslim. Vergeef het me, hij begon in algemeenheden. En hij ging nog even door, want hij zei:
‘Een moslim weet altijd dat er iemand naar hem kijkt. Je wilt iets stelen, maar je denkt: Het mag niet, Allah zal het zien. Dus doe je het niet.’
Eigenlijk ben ik deze man heel dankbaar voor zijn haarfijne uitleg over de staat van denken van moslims en eigenlijk van alle gelovigen, want zwaar-gereformeerden hebben te dealen met hetzelfde probleem. Het geweldige zinnetje ‘Je wilt iets stelen, maar…’ raakt de kern van de mens, gelovig of ongelovig. Wij zijn mensen en we stelen en bedriegen en we doen andere pijn en we willen dat inderdaad. Wanneer je echter als oplossing daarvoor het geloof inzet ontken je op een dramatische manier diezelfde mens, want vertrouwen in dat de mens soms ook iets goeds kan doen is er niet.
Geloven verwarren met angst is gevaarlijk. Net zoals andersom angst die de politiek voedt, wat de laatste tien jaar in de westerse wereld gebeurt, ook heel gevaarlijk is. Maar terug naar dat eerste: Wanneer je eigenhandig geen moraal ontwikkelt en dat altijd afhankelijk laat zijn van je geloof of van een onzichtbare God die jou wel zal zien, dan beweeg je je als een dwaas door het leven.
In deze documentaire werd dat het beste geïllustreerd door de kleinzoon van de man die naast hem op de bank zat toen hij dit allemaal vertelde. De jongen keek naar de grond. Hij hield zijn hoofd scheef en drukte zijn mond tegen zijn schouder. Hij was bang. Niet voor zijn lieve opa, niet voor het feit dat hij de oudste kleinzoon was, niet voor God of voor iets anders in zijn omgeving. Deze jongen was bang voor zichzelf omdat hij – een jongen van 18 – al begrijpt dat het leven niet zo simpel is als zijn opa het doet voorkomen, maar toch moet hij op die eenvoudige manier zijn leven in gaan vullen en beantwoorden aan dat beeld.
Dat is voor die jongen heel beangstigend. Ik had met hem te doen.
7 september 2010
... verdiep me in liedjes die tijdens de Vastelaovend gezongen worden maar ook in liedjes die op de tribunes van voetbalstadions klinken, zoals You never walk alone en Geen woorden maar daden en Heeja Den Bosch natuurlijk. Op kleinere schaal zingen supporters van KV Kortrijk in hun stadion een lied van Johny Turbo, de vroeg overleden volkszanger die pakkende deuntjes maakte. Het lied heet Vis in de Leie en het gaat niet over voetbal, maar het brengt een metafoor die veel dieper gaat en die de tragiek van de stad weet te vangen. De tekst: ‘'t Zat vroeger vis in de Leie maar 't zwem nu gèn mjè. Al da wil leven da vlucht naa de zee.’ Je ziet de leegloop van de stad voor je, en ook het leed dat gedragen wordt door de supporters die zijn gebleven, die nog altijd in dat kleine tochtige stadion zitten, op de spionkop, die nooit een prijs pakken en enkel opleven tijdens de derby’s tegen aartsvijand SV Zulte Waregem, waar de Leie naartoe stroomt, en ook die rivaliteit zit in het lied verborgen want volgens het lied van Johny Turbo zal alles dat wil leven via de rivier Zulte en Waregem passeren en ook daar niet blijven hangen.
6 september 2010
... heb al een week een paar hekken in de straat staan met daarachter een container. Er werd eerst geboord en gehakt en nu steekt er een lopende band uit het raam waar bagger opgemikt wordt en die bagger gaat de container in. Ze hebben eerst een paar bakken puin afgevoerd en inmiddels ook al een stuk of zes containers met modder en ik weet niet hoe diep ze dat gat onder dat huis willen maken. Alsof er een parkeergarage onder moet komen. Of een dubieuze kelder, want voor de opslag van groente zijn kelders tegenwoordig niet meer nodig en om nou je slaapkamer daar te maken, dat is wat donker en vochtig en waar heb je dan een kelder voor nodig, diep en geluidsdicht en ver weg? Het lawaai is nu wat minder, de bordjes met Bodemsanering erop en de blauwe en witte pakken verraden niet veel goeds en ook de blauwe blubber die met het pompwater langs de stoep stroomt en aan het einde van de middag blijft plakken op de bestrating belooft niet veel goeds. In het weekend is het rustig. Dan is de pomp uit en die lopende band staat stil. Straks komen ze weer baggeren.
5 september 2010
... liep naar de trein op Den Haag Centraal en vlak voor me liep een man die twee zware tassen bij zich had. De ene tas hing over zijn schouder en de andere tas sleepte hij achter zich aan over het perron. Ik dacht: Zo gaat die tas eraan, maar verder interesseerde het me niet, want toen ik de man voorbij liep zag ik zijn gezicht en dat was strak en somber en volledig leeg, alsof je naar een blanco stuk papier keek. Ik ging op een rustig plekje in de trein zitten en pakte een boek uit mijn tas en de man kwam precies tegenover me zitten. Weer die vlakke uitdrukking op zijn gezicht. Hij leek me Engels, een typische grove Engelse kop met kort haar en zoals gezegd, een onvoorstelbaar vlakke uitdrukking. Hij keek steeds naar zijn tassen. Toen we na Leiden weer verder reden vroeg hij me: Next is Schiphol? Ik knikte. Next stop is the airport, zei ik en ik vroeg hem: Traveling home? Hij schudde zijn hoofd, heel kort. No, zei hij. I’m going to Thailand. Die tassen, die kop en die bestemming maakten hem erg schimmig. Bij Schiphol stapte hij uit.
4 september 2010
... herlas maar weer eens Turks Fruit en de passage die me het meest opviel dit keer was helemaal aan het einde van de roman, als Erik met een Surinaams moedertje in bed ligt. Een passage die de film niet gehaald heeft. Olga is al vertrokken, zoals ook in het begin van het boek, en in een vlot en bijna ademloos stuk beschrijft Wolkers de gemoedstoestand van zijn hoofdpersoon door hem simpelweg te laten vertellen wat er gebeurt, een vorm die meestal saai en plat en gemakzuchtig is, maar in dit geval schitterend, omdat het tempo en de stijl passen bij die gemoedstoestand. ‘Ik keek over haar schouder door de gevlekte vitrage de straat in waar ik in het licht van de lantaarn de eerste sneeuw van dat jaar zag vallen. En ik zei haar dat ik op kerstochtend een verrassing voor haar had. Toen ze vroeg wat het was wilde ik het eerst niet zeggen, maar toen zei ik het toch: ‘Een witte kerst.’ Ze draaide zich om en samen keken we naar het sneeuwen. En ze begon te neuriën van I’m dreaming of a white Chistmas. En verdomme, ik zong het met haar mee. Want als je die gore slijmerige Bing Crosby neptrash niet over je lippen kan krijgen in die armoedige vuile troep van de Pijp, als je zoals ik een jaar vol ellende en rotzooi hebt meegemaakt, ben je geen flikker waard.’
3 september 2010
... hoor de Blonde zeggen dat ik zo zat ben als een kanon en ik zeg hem dat hij ook zo zat is als een kanon en dan zegt hij: We moeten wat eten. Dempen die put. Dat is een heel goed idee en ook een gevaarlijk idee, want eten betekent zitten en zitten betekent bijna liggen en liggen is het einde. Moet ik op zoek naar de Pater? Moet hij niet eten? Ik zie hem nergens. Ik moet eten. Met mijn rode mutsje op volg ik de blonde Mexicaan, de Lange loopt achter me aan. We stappen de Markt op, guur en steendonker en met dansende lichtjes in de verte, als rode en groene boeien die de vaargeul markeren. Naast de tent staan een paar mannen te roken. Ze dragen zwarte kostuums en hoge hoeden. Ook hebben ze snorren opgeplakt. Een van hen stampt met zijn schoenen op de bestrating. Kolerekoud, zegt hij. De blonde Mexicaan haalt een sigaret uit zijn pakje en vraagt om een vuurtje. De dikste snor geeft hem vuur. We lopen langs een mobiele snackbar, maar die ken ik, die is smerig. De Lange zegt tegen de blonde Mexicaan dat we verderop giros kunnen eten. Hij vindt alles best, ik ook. Ik voel de drank zakken in mijn benen. Ik voel de vrieskou tegen mijn gezicht, steek mijn handen in de zakken van mijn jasje. De kou trekt door de mouwen van mijn pekske en het voelt alsof twee handen mijn armen masseren, heel zachtjes en toch ook stevig, met koude handen, en dat je dan bijna zweeft. Koud en gewichtsloos.