De chauffeur zat tegen het raam. Het portier heel hoog. Hij keek op zijn telefoon. Hij droeg een zwart hemd.
Aan de andere kant van de vrachtwagen kwam een meisje aanrijden. Ze had lange benen, een kort shirtje.
De chauffeur keek niet meer op zijn telefoon. Zijn mond vertelde veel, ook al zei hij niks.
Het meisje stond naast ons bij het stoplicht en mijn zoontje drukte op de knop waar ik de fiets bijna tegenaan had gezet zodat hij er bij kon, en hij wees naar de vrachtwagen en zei: Auto.
Het meisje keek over haar zonnebril naar ons, naar die jongen vooral. Auto, zei ze.
Ze spuugde nog net niet op de straat want natuurlijk had ze die chauffeur al lang gezien en had ze zijn blik gezien, zijn open mond. Ze keek geen moment naar die man.
Dat negeren is verstandig, maar ook tekenend voor de verhoudingen die op straat heersen. Mannen hebben niks te zeggen maar kijken wel. Die blikken betekenen veel. Het is geen contact maken, zoals een jongen van bijna twee al heel goed kan, het is kijken met open mond. Niet naar een schilderij, maar naar een ander, die weet dat het contact niet beter gaat worden dan dit.
Toen het licht groen werd fietste ze door, wij volgden, de man bleef kijken.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen