Cesar

cesar voorgelezen, juli 2011 (fragment uit De grasbijter)

Na de bui kwam de zon terug en hij zette de deuren van het huis open en rook de vochtige aarde en het vochtige groen, proefde het. De lucht was blauw alsof het nooit geregend kon hebben. Hij liep naar buiten. De straatstenen achter het huis stonden blank, Cesar sprong over de plassen. Francis opende het hek en liep naar de voorkant van het huis. Ook op het grindpad stonden plassen water. Cesar kwam achter hem aan.

Blijf hier, hè Cees, zei hij.

Hij maakte het kleine hek naar zijn voortuintje open. Cesar schoot door het hek en liep het tuintje in. Er stonden een paar struiken en een heg, en er lag grind. De rozen naast het huis dropen van het water. Hij wist dat hij ze op moest binden en nam zich voor dat een keer te doen. Cesar liep met hem mee naar de brievenbus. Er passeerden een paar auto’s, hij hield Cesar vast. Het water spatte hoog op en een wolk van water leek iedere auto te volgen.

Toen hij bij de brievenbus was hoorde hij de telefoon zacht rinkelen. Eerst dacht hij: Laat maar gaan. En hij opende de klep, haalde de post eruit, hoorde de telefoon nog een keer overgaan en bedacht zich, liep met de post in zijn hand om het huis, door het hek, door de openstaande deuren en nam de telefoon op. Hij was te laat, er was al opgehangen. Hij legde de hoorn neer, gooide de post op tafel en op dat moment versteende hij, zijn hoofd werd hard. Direct daarna rende hij naar de hal, opende de voordeur en rende het grindpad af naar de weg. Hij riep: Cees. Cees.

Wat hij vreesde was waar.

Hij zag de hond op de zanderige strook naast het asfalt lopen, aan de rechterkant van de weg. Hij riep zijn naam. De hond hoorde hem en bleef staan. Er reden auto’s voorbij. Hij liep over het asfalt naar de hond toe, voorzichtig. Hij dacht: Blijf staan, blijf staan.

Een auto ontweek hem en toeterde en hij vloekte en Cesar hoorde de claxon en rende van hem vandaan, met grote sprongen. Verdomme, zei hij en hij ging achter de hond aan. Op een stuk waar dikke populieren stonden bleef Cesar staan. Hij was honderd meter van de hond vandaan. Blijf staan, dacht hij.

De weg was recht en de auto’s reden hard. Hij dacht er aan de auto’s te laten stoppen maar hij was bang dat ze weer zouden toeteren en dat Cesar weer zou schrikken. Hij durfde de hond niet te roepen uit angst dat hij over de weg naar hem toe zou lopen. Hij dacht er aan het weiland in te lopen en Cesar daar vandaan te roepen maar dan moest hij om een huis heen en hij wilde Cesar niet uit het oog te verliezen.

Hij hoopte.

Langzaam liep hij in de richting van de hond. Cesar draaide rondjes. Er lag iets naast de weg en Cesar snuffelde eraan en Francis dacht: Goddank, hij wordt daar gehouden.

Toen zag hij in de verte een vrachtwagen aankomen, een zware, en hij zwaaide met zijn armen om de chauffeur een sein te geven, in de hoop dat hij snelheid zou minderen maar de chauffeur reageerde niet en het gevaarte denderde over de weg. Cesar voelde de lucht die door de wagen verplaatst werd en schrok. Francis schreeuwde zijn naam en Cesar reageerde op zijn stem. De hond spitste zijn oren en hij had hoop, maar opeens rende de hond in dolle angst naar hem toe. Achter hem voelde hij de eindeloze stroom auto’s komen. Blauwe, bruine, een gele. En voor hem waren er dezelfde auto’s, alsof ze aan het eind van de weg rechtsomkeert maakten. Cesar rende door het gras en daarna rende hij over het asfalt, een auto toeterde en Cesar stak de weg over, zijn tong uit zijn bek, zijn oren recht omhoog.

Cees, riep hij en even dacht hij de hond nog te zien. Hij dacht dat Cesar hem hoorde, maar toen zag hij hem niet meer, hij zag alleen auto’s, en er klonk een andere claxon, en daarna hoorde hij de klap. Dof en akelig. Een korte doffe akelige klap, en er knakte iets in hem, in zijn borstkas, alsof er een bot brak. Alsof hij een boom was waar een tak van bezweek.

Hij rende over de weg. De auto’s achter hem minderden vaart. Hij rende voorbij auto’s die stilstonden en kwam bij de laatste auto, een rooie. Het portier stond open en een man stapte uit.

Francis riep: Verdomme.

De man hoorde hem en keek om. Francis rende in zijn richting. Hij zou met zijn armen willen zwaaien en hij zou willen schreeuwen om de man daar te laten staan maar hij rende alleen maar en de man zag hem komen, zag het gezicht van Francis en wist voldoende. Hij stapte in de auto en reed weg.

Toen zag hij Cesar liggen. Hij knielde neer, streelde hem in zijn hals en keek naar de hond. Hij pakte hem op en legde hem in de berm, in het natte lange gras dat groen was om zijn stille lijf. Zijn kop lag hard en stil in het gras. Hij zag de tanden die allemaal een andere lengte hadden en hij zag de tong slap tussen de kaken hangen, de tong die hem op zijn blote huid gelikt had. De ogen van de hond leken grijs, alsof de klap ze verkleurd had.

Hij zat op zijn hurken bij de dode hond. De auto’s die achter hem gestopt waren reden voorbij. Ogen prikten in zijn rug en hij zou willen schreeuwen en schelden maar hij keek niet op en zei niets. Hij had niet eens het nummerbord van de rode auto onthouden. Een auto stopte en hij hoorde een vrouwenstem, maar hij keek niet om en hij hoorde de auto achter zijn rug wegrijden.

Het begon zacht te regenen. De lucht voor hem werd donker, het weiland werd donker. Hij vloekte. Niet om de regen, hij vloekte om alles wat er in zijn leven was en om de dingen die er opeens niet meer waren.

De wolken werden groter en bijna zwart. Hij nam Cesar in zijn armen en droeg de hond naar huis en legde hem in zijn mand. Zijn blauwe deken eroverheen. Het was net alsof de hond sliep. Alleen de kleur van zijn ogen was anders. Hij zei zacht: Cesar. En hij dacht dat de deken bewoog, dat de hond bewoog. Hij huilde zacht, zonder tranen, inwendig, zoals een steen zou huilen als die dat kon.

 

 

 

Ontspanningsliteratuur

duizend woorden Duizend woorden, januari 2008

... Ik was zo stom geweest zonder boek op vakantie te gaan. Meestal stop ik een goed boek in mijn tas en kom ik de vakantie wel door, maar nu dacht ik: In de trein lees ik die gratis krantjes en op de boot ligt wel een tijdschrift en in dat huisje is vast en zeker een boekenplank en daar staat vast iets tussen. Het is vakantie, dacht ik. Ik lees gewoon een vakantieboek. Ik ga me ontspannen.

Van lezen in de trein kwam niks, dat lieten de kinderen niet toe, het uitzicht vanaf de boot was prima en dus las ik daar ook niks en toen we in het huisje kwamen en de rest van het gezin meteen het strand opzocht bekeek ik de ruggen van de 18 boeken op de plank. Spannende boeken. Thrillers. Liefdesverhalen. Dat moest goed komen. Het was vakantie.

Ik pakte een thriller met een donker omslag en las een stuk. Het was een thriller waarin een schijnbaar gevoelloze vrouw de bladzijden vult. Ze is geheim agent en heroïneverslaafde. Op een moment wordt haar gevraagd hoe lang ze dat spul gebruikt heeft. Ze toont een glimp van trots en zegt: Ik ben taai.

Het was alsof het personage het over zichzelf als personage had.

Ik bladerde door een boek over zuster Jetty met als ondertitel: Een warm hart voor een ieder. Ik las: Zuster Jetty stond in de warme septemberzon de rozen te verzorgen. Met een schaar knipte ze de dode exemplaren eruit en liet deze in een oude mand vallen. Een lange jurk, een grote hoed en je bent een plaatje uit een ouderwets boek, riep Edwin vanuit zijn gemakkelijke stoel. Ze lachte naar hem. De rozen, daar was ze trots op, trouwens de hele tuin was een heerlijk oord.

Ondanks dat de zon door de ramen van ons gezellige vakantiehuisje scheen bood deze passage me weinig ontspanning.

Er stond een boek van Baantjer op de plank. Nummer 65 uit de reeks: De Cock en de dartele weduwe. Al op de eerste bladzijde dook de zon op. Het was vakantie. Ik las: De zonnewarmte deed de oude rechercheur goed. Hij knoopte zijn regenjas wat losser en zag verlangend uit naar de dag dat hij zou worden verlost van het dikke zelfgebreide vest dat zijn vrouw hem dwong te dragen zo lang er nog een R in de maand was.

Het was mei en er was geen R in de maand. Het was mooi weer en het was vakantie en hoe vet Baantjer zijn teksten ook aanzet, mijn onrust werd niet verdreven. Sterker nog, die groeide met de minuut.

In een ander politieboek vond ik de volgende zin: Ondanks zijn alertheid begon de verveling door de eentonige dienst en het vroege uur hem parten te spelen en hij geeuwde meerdere malen.

Dit was een boek waarbij de beleving van de hoofdpersoon volledig synchroon loopt met die van de lezer. Ging dat met mezelf en vakantie ook maar zo makkelijk.

Van de populairste schrijfster van Amerika, aldus het omslag, stond ook een boek op de plank. Achterop het boek stond: Op prachtige wijze weeft de schrijfster heden en verleden tot een roman over liefde en troost. Hier geen zon, maar regen. Dat kan natuurlijk ook. De openingszin luidde: In de neerkletterende regen van de novemberdag deed de taxi van Londen naar Heathrow er een eeuw over.

Oei. Een eeuw in een taxi. Ontspannen, ik moest ontspannen. Hoe moest ik ontspannen?

Het volgende boek dat ik van de plank pakte heette Hartzeer, en bij dit boek, een afgeschreven exemplaar van de bibliotheek in Harlingen, was de flaptekst voldoende: Zijn leven was een puinhoop en rechercheur Harry Bosch wordt gedwongen zichzelf eens recht in de ogen te kijken. Hij schrikt. Zijn vriendin is bij hem weg, hij drinkt weer en zijn nieuwe na een aardbeving onbewoonbaar verklaarde woning staat op instorten. Dat zijn baas hem verbiedt op het bureau te komen vreet nog meest aan hem. Uitroepteken.

Hoe moest ik me ontspannen? Het was zaterdag en de winkels waren al dicht en in de plaatselijke boekwinkel was waarschijnlijk niet veel beters te vinden. De bibliotheek op het eiland was geopend op maandagmiddag van half vier tot half zes. Ik moest wachten. Het waren twee enorm lange dagen tot ik op maandagmiddag half vier als eerste de bibliotheek binnen ging en in een rek een roman van William Faulkner vond die ik al heel vaak gelezen had. As I lay dying, in vertaling. Dat moment, op dit eiland, in die bibliotheek. Het was geweldig.

Ik sloeg het boek open. Ik herkende de namen boven de hoofdstukjes, de verschillende personages die het verhaal vertellen en die stuk voor stuk een authentieke stem hebben. Ik herkende flarden van het verhaal. Een gezin poogt hun overleden moeder met een kar terug naar haar geboorteplaats Jefferson te brengen, waar ze geboren is. Om haar daar te begraven.

Een van de personages is een jongen van tien die niet helemaal goed in zijn hoofd is. Hij heeft een vis gevonden, een dode vis die hij mee naar huis neemt en vlak voor hun huis in het stof laat vallen. De vis zit onder het stof en hij denkt aan zijn moeder die overleden is en hij haalt de dingen door elkaar en op pagina 71 bestaat een hoofdstuk uit een enkele zin.

Mijn moeder is een vis.

Ik las die zin in de bibliotheek en deze triomf van verbeeldingskracht, inlevingsvermogen en eenvoud was mijn eerste moment van ontspanning tijdens deze meivakantie.

Ik schreef me in, betaalde anderhalve euro, kreeg een pasje en nam het boek mee.

Ik las.

Verderop in Faulkners boek staat een monoloog van de moeder. Zij weet dat woorden en beleving ver uiteen kunnen liggen. Dat benoemen geen zin heeft. Ze zegt: Woorden deugen niet. Woorden zijn zelfs niet geschikt voor wat ze willen zeggen. Toen hij geboren werd wist ik dat moederschap was bedacht door iemand die er een woord voor nodig had, want degenen die de kinderen kregen kon het niet schelen of er een woord voor was of niet. Ik wist dat angst was bedacht door iemand die de angst nooit gekend had; trots, wie de trots nooit gekend had.

Woorden deugen niet.

 

 

de andere verhalen voor Duizend woorden zijn terug te luisteren via de site.