Amsterdam Zuid

hardhoofd Hard/hoofd, september 2008

Als ik mijn dochter naar een vriendinnetje in de Pijp breng en de buurt uitfiets zie ik een zwarte vogel op een van de kabels zitten die de leidingen voor de tram boven de Stadionweg gespannen houden. De vogel zit heel stil, en ik wijs hem aan en vraag aan mijn dochter of ze weet hoe die vogels zo stil op een dunne draad kunnen zitten. Ze zegt: Hun poten zitten er gewoon aan vast. Dat is voldoende uitleg.

We fietsen door, ze zingt een liedje. Ik woon nu ruim een half jaar in Zuid. De straten zijn breed. Ik kende eigenlijk alleen de voetbalvelden van Swift, het kunstgras dat eerst keihard was en waar je nooit zonder schaafwonden vandaan kwam. Nu ligt er mooi nieuw kunstgras en voetbal ik er met mijn zoon als de velden vrij zijn. Aan de Stadionweg zit de Franse bakker, daar staat soms een rij tot de hoek van de straat.

Ik fiets langs de grote huizen en dan over het hobbelige fietspad naar de benzinepomp, en dan langs de Hobbemakade de Pijp in. Aan de andere kant zijn de hoeren en ik ben er met mijn kinderen al heel vaak langs gekomen en nooit hebben ze me gevraagd wat die vrouwen daar doen in hun ondergoed, achter die ramen. Mijn kinderen groeien in die buurt op maar eigenlijk zien ze dat stukje Amsterdamse prostitutie pas sinds ik in Zuid ben gaan wonen. Mijn dochter is blij weer bij haar vriendinnetje te zijn. Ze gaan naar de speeltuin, zegt de moeder.

Ik fiets terug. Mijn zoon is alleen thuis, hij maakt een tekening met Paint, op mijn oude laptop. Op de hoek van mijn straat staat zijn fiets tegen het rek. Ik zet de mijne ernaast.

 

Ik probeer een andere snackbar. De snackbar die het dichts bij zit heet Triomf. De satésaus is er niet lekker. De Telegraaf ligt er en op zaterdag de Volkskrant, en de leesmap. Ze hebben koud bier in de koelkast en de TV achterin de zaak staat meestal op Eurosport. Maar de friet en vooral de saus vielen tegen en dus loop ik de Marathonweg in en loop twee blokken naar de andere snackbar.

Het is er druk, dat is een goed teken. Een jongen in een geel trainingspak is aan de beurt en zegt: ik weet het nog niet, ik weet niet waar ik wil zitten en of ik thuis die shit wil eten of hier, of buiten. Hij heeft een pak shag in zijn hand, en een aansteker.

De mannen achter de toonbank zijn Marokkaans en heel groot. Een van hen zegt: Nou, hier staat het. Volgende.

Jee, zegt de jongen. Ik weet het echt niet.

En een oude vrouw die met een enorme portemonnee in haar hand voor de toonbank staat zegt: Ik dacht dat ik gek was.

De mensen lachen. De jongen zegt: Iedereen is gek. Hij gaat buiten zitten. Ik kijk de zaak in. Er liggen vier kranten: Trouw, Volkskrant, NRC en Het Parool, en nog een los stuk van het Financieel Dagblad. Geen leesmap. In het achterste deel staan van die oude treinbankjes, rood met frames van metalen buizen. Die vind ik mooi. Vroeger mocht je roken in de boemeltjes waar die banken in stonden.

Ik bestel friet voor mij en de kinderen, en mayo en satésaus in aparte bakjes, en een paar frikandellen. Een van de Marokkanen zegt: Is die grote voor één persoon of voor meer, want het is echt veel.

Voor mezelf, zeg ik.

En hij zegt: Dan doe ik wel medium. Wij scheppen de bakken flink vol.

Oké, zeg ik, en inderdaad, als ik de tas met eten krijg is hij zwaarder dan anders, en ook nog eens minder duur. De friet is prima, en de satésaus is goed.

 

Ik zie de gordijnen aan de overkant van de straat iets opzij gaan, nog iets, en dan verschijnt de overbuurvrouw, vlak naast het gevlochten witte hart dat in het midden hangt en de mooie roze bloemen. Ze heeft een blauw shirt aan, wijd, ze heeft grijs haar. Ze zwaait naar iemand op straat, ze zegt iets en gebaart – ik weet niet wat ze zegt, tegen wie en ik begrijp het gebaar niet. Dan zwaait ze weer, naar een kind, denk ik. Gebaren die je maakt naar een kind. Misschien naar het meisje van de hoek, naar haar vader die vaak buiten zit, naar die mevrouw met het witte hondje. Of naar het bankstel dat sinds dinsdag al op de stoep aan mijn kant van de straat staat, niet meegenomen door de vuilniswagen, natgeregend, blauw en aan de poten kapot getrapt door de katten die ik ken van de achtertuinen. Ze zwaait weer, ze zegt weer iets, het zijn bekenden. Het is een straat waar mensen elkaar kennen. En dan sta ik op van mijn stoel, loop naar het raam en als de overbuurvrouw me ziet steek ik mijn hand op, ze zwaait terug en wijst naar beneden, en op de blauwe bank zitten een jongen en een meisje heel dicht tegen elkaar aan, zijn arm om haar schouders, jong en mooi en samen, daar gaat niemand meer tussen komen, in ieder geval vanavond niet.

Zo’n straatje, met vitrage en oude mensen en rolstoelen, en voordeuren met aangepaste stoepen, het heeft iets vertrouwds. Het geeft een idee dat niemand hier ooit weg gaat, behalve als ze iemand dood gaat. Het huis op een-hoog naast me staat al een tijdje leeg. De vrouw die daar woonde is overleden. De oude bewoonster van mijn huis is ook overleden, en de benedenbuurvrouw zegt steeds dat ze uitbehandeld is, maar ook dat ze taai is. Ze veegt soms de stoep. Ze belt soms op. Dan zegt ze: Wil je even een koffer voor me van de kast pakken, ik moet naar het ziekenhuis. Of: Ik wilde even zeggen dat die duiven je fiets helemaal onder gescheten hebben.

 

Een hele tijd stond ik voor de glazen ramen van de supermarkt waarachter de magnetronmaaltijden lagen. Sinds ik alleen woon kook ik niet meer alle dagen. Ik heb een paar Japanse, Thaise en Chinese maaltijden geprobeerd, dat viel niet mee, en nu koos ik voor de goedkoopste nasi en haalde aan de andere kant van deze kleine Albert Heijn nog een paar bakjes saté. Het voorspelde allemaal weinig goeds, ik kocht het toch. Met de handel in mijn rugzak liep ik naar de Primera, waar ik de tijdschriften bekeek. Ik was er vaker geweest en de dames achter de balie kennen me. Afgelopen zomer stond er een verhaal van me in een van die bladen en toen ik dat tijdschrift zag staan, net onder de pornoblaadjes, moest ik lachen en ik zei tegen de dames: Daar sta ik. Ik wees niet en ze twijfelden even, en op die manier probeer ik me een beetje thuis te voelen in deze buurt.

Aan de overkant van de Stadionkade, precies aan het einde van mijn straat, is de middelbare school waar veel kinderen na groep acht van de Derde Daltonschool naartoe gaan, en op die school zitten mijn kinderen. Het gebouw heeft oranje kozijnen en staat op een hoek aan het water, zodat heel veel lokalen een mooi uitzicht hebben. Laatste liep ik er met mijn zoon langs. ik vertelde van de school en hij vond het handig, zo dichtbij. Hij vroeg me of er een scheikundelokaal was en wat je daar allemaal kunt doen. Ik wist niet waar dat lokaal was, maar vertelde hem van de proefjeskas en van reageerbuizen en van die mooi gevormde glazen kolommen waar je vloeistoffen mee kunt mengen.

Nu liep ik vanuit de bladenwinkel naar huis. Bij het eetcafé was een jongen aan het schoonmaken. De ramen stonden open. Ik heb er een keer gegeten en toen klonk André Hazes uit de speakers. Dat was een leuke avond. Nu hoorde ik rapmuziek.

 

In de Pijp waren er altijd mensen op straat, hier kom ik niemand tegen. De huizen hebben mooie details. Groene takelbalken, nisjes, een trappenhuis in een bocht. In de ochtend liet ik mijn kinderen een rond raam zien, hoe zoiets gemetseld is, en nu ging ik de hoek om en zag ik bij het kleine gekleurde bankje met de twee dieren in de rugleuning een bloempotje op een steen staan die iets uitstak. Dat soort stenen in een muur zijn leuk, want er passen bloempotjes op en in het potje zaten gele bloemen. Ik liep om het hek, om de voetbalvelden, een zijstraat in. Bij een van de sjieke huizen waren twee afdakjes gebouwd van spaanplaat en vuren balkjes, heel lelijk. Onder de afdakjes stonden bloemen in grote bakken, weer bloemen. Aan de kade bekeek ik de trappen die afgesloten waren en de roeiboten die onder de brug lagen, ik kon nergens bij. Dat was vervelend: een hoge muur, een lage kade, boten en in feite een mooie visplek, maar ik kon er niet komen of ik moest klimmen en springen. Op de voetbalvelden kogelden jongens ballen op doel, ze schoten heel goed. Strak, maar ook soms met een boog. Een bal die net op tijd weer daalt. De jongens op het tweede veld schoten beroerd. In mijn straat stapte de overbuurman van op de hoek van zijn elektrische rolstoel. Hij is ziek en oud en zijn korte broek was afgezakt. Hij moest nog vier meter tot zijn voordeur en deed daar heel erg lang over. Toen ik thuis kwam stond de tv nog aan.

 

Met mijn hengel loop ik naar de Olympiakade, achter de kerk, op het rustige stuk waar bijna geen auto’s rijden en waar een ganzenkolonie woont. De ganzen zijn heel brutaal. Aan de kak op straat is te zien dat er inderdaad weinig verkeer is, dat de straat van de ganzen is. Ze zien me al aankomen. de voorste gans begint te blazen. Oprotten, zeg ik, en ik ga op het bankje zitten achter een hek, het perfecte visbankje hier in de buurt. Er liggen blikjes bier op de tegels en er staat een fiets tegen de leuning, dus er komen ook andere mensen hier, voor nu is dit mijn bankje en als die ganzen wegblijven kom ik de ochtend wel door.

Ik schuif mijn hengel uit, pak het tuigje met de kleine dobber, het enige tuigje dat nog fatsoenlijk is, ik schuif het rubbertje om de top van de hengel en pak dan het brood. De plasticzak haal ik niet uit mijn rugzak, dat zou de ganzen lokken. Met wat spuug maak ik een bolletje witbrood. Ik gooi de hengel uit. Er staan kleine golfjes op het water, de wind komt uit het zuidwesten, eigenlijk waait het te hard.

Vorige week zag ik een man aan de andere kant van de kade een voorntje vangen. Hij had zijn vrouw en twee dochters bij zich, een dikke Surinaamse vrouw, met twee dikke dochters. De man was ook dik, droeg een wit hemd en had een tatoeage op zijn beide bovenarmen en ook een op zijn schouder. hij draaide een sjekkie toen zijn vrouw de vis uit het water haalde. Dat is een mooitje, zei de man. Gooi maar weer terug.

Nu was er niemand aan de andere kant van de kade. De ganzen bleven op hun plek. Alleen toen een oude vrouw met een boodschappenkar op wieltjes uit een van de huizen kwam hoorde ik ze even tekeer gaan. Ik ving niets. Ik heb in Amsterdam nog nooit een vis gevangen. In mijn oude buurt niet, in de Amstel niet, in de Bosbaan niet, en na vandaag ook in Zuid niet.

Eens zal de eerste keer zijn.

 

Bij de supermarkt stond een vrouw net achter de schuifdeur. Ze had een badge op, dat was niet goed.

Toen ik vlakbij de deur kwam zei ze: We zijn gesloten.

Jammer, zei ik, en ik liep naar het Olympiaplein. Ik wilde de weekendbijlage van de Telegraaf even inkijken. Die haal ik uit het rek, ik blader de bijlage door tot ik het artikel heb gevonden wat ik wilde lezen. Ik lees het stuk, vouw de bijlage weer in de krant en leg hem weer terug in het rek.

Geen supermarkt, dus ik liep naar de snackbar (mijn ex-snackbar, want ik heb een betere gevonden) en ik had wat moeite er naar binnen te gaan en de bijlage van de Telegraaf te zoeken. Ik wilde niks eten, wilde ook geen bier of ander drinken kopen, geen ijs.

Ik ging toch naar binnen en vroeg de vrouw van de snackbar, een Hindoestaanse, of ze de krant had. Ze wees naar de vensterbank. Daar liggen de leesmap en de kranten, wist ik, en ik knikte en zei dat ik de weekendbijlage moest hebben, er stond iets over mijn boek in. De vrouw reageerde niet.

Ik vond het artikel, niet veel meer dan een foto van het omslag en twee regels enthousiaste tekst, prima. Ik bedankte de vrouw en legde de krant weer op de vensterbank bij de andere delen krant en de leesmap.

De vrouw zei: Je mag hem wel meenemen.

Dank u, zei ik. Dan zal ik u ook laten zien waar het om ging.

Ik liet haar de boekenpagina zien en wees naar het omslag. Daar staat mijn boek, zei ik. Vandaar.

Heb jij dat geschreven? vroeg ze. Ik knikte.

Nou, neem dan maar mee. Morgen komt er weer een nieuwe krant.

Dat klopt.

Langs de voetbalvelden ging ik terug naar huis, de krant in mijn hand. Op de hoek stond een kapotte stoel en een koelkast. Een man knielde bij de koelkast, opende de deur, drukte op de knop van het lampje. Het lampje deed het niet. Ik zei: De stekker zit er niet in.

De man zei: God ja.

En hij stond op en keek naar de achterkant van de koelkast. Zal-ie het nog doen? vroeg hij.

Je kunt het gokken, zei ik.

Maar ik woon helemaal daar, twee straten verder.

En ik heb niet een verlengsnoer dat lang genoeg is. Je zal moeten gokken.

Ik denk niet dat hij het nog doet, zei de man.

We zeiden elkaar gedag.

 

De bomen aan de Stadionweg zijn hoog en smal en zijn totaal niet geschikt om onder te schuilen, toch ga ik onder een van die bomen staan, mijn rug tegen de stam. Ik heb alleen een t-shirt aan, en spijkerbroek. geen jas. Het is een zomerse bui, de regen valt loodrecht naar beneden en in de plassen drijven luchtbellen. Dikke druppels kletteren op de stoeptegels, op de skatebaan, op het asfalt en de tramrails. De auto’s hebben hun lichten ontstoken, tram 24 ook. Het is koud opeens. Ik moet nog tweehonderd meter naar mijn huis en eigenlijk is dit schuilen iets wat ik uit gewoonte doe, net als vroeger als ik met mijn ouders op fietsvakantie was in Limburg of Drenthe. Heuvels en hunnebedden. In de stad is zo’n bui anders, dus ik pak mijn fiets en rij naar huis, en als ik hem op slot zet voor de deur druipt de regen uit de dakgoot. Daar zitten geen duiven nu, geen kak op de stoep. Boven trek ik mijn kleren uit en neem ik een douche. Als ik weer warm ben kijk ik tv. Dan wordt het droog en ga ik weer naar buiten. Ik moet boodschappen doen en loop met een omweg over de natte straten, langs het water achter de kerk en langs de kade waar nieuwbouw is en waar ik in een van die dure appartementen een geluidsinstallatie kocht, via Marktplaats. Een draagbare CD-speler, voor 10 euro. Ik loop langs het Olympisch Stadion. Vorig jaar of het jaar daarvoor, dat weet ik niet precies, kwam er tijdens de sportdag van mijn kinderen een enorme bui over. Alle kinderen zochten een plekje op de tribune, de onderste zitplaatsen werden nat, de regen sloeg onder de overkapping door, en toen de bui voorbij was en ik met mijn kinderen terug naar de Pijp fietste was de Stadionweg veranderd in een gracht. mijn zoon fietste door die plassen, zonder zijn trappers in het houden, zijn schoenen en broek werden nat, hij genoot.

 

 

 

Bijna negen

hardhoofd Hard/hoofd, april 2012

Mijn vader vraagt me wie die mond en die ogen op dat koekje heeft gemaakt. Voor me op mijn bord liggen een broodje hagelslag en een koekje dat ik uit de verpakking heb gehaald, een koekje met een gezicht er op. De ogen zijn twee lichtbruine rondjes en de mond is een streepje.

Ik zeg: Een machine heeft dat gemaakt.

Hij lacht. En wie heeft die machine dan gemaakt? vraagt hij.

Dat is moeilijk. Soms stelt hij moeilijke vragen. Ik zeg: Een andere machine, en dan moet ik nadenken.

Als de machine die de koekjes maakt weer door een andere machine is gemaakt, wie heeft die machine dan gemaakt?

Misschien is er een rij machines en als je die volgt dan kom je uiteindelijk bij de machine die alles heeft gemaakt. En de machine die alles heeft gemaakt, dat is God.

Dus ik zeg tegen hem: Eigenlijk zijn de ogen en die mond gemaakt door God.

Hij zegt: Jij geloofde toch niet in God.

Nu wel, zeg ik.

 

Kroepoek is gemaakt van garnalen. Veel mensen weten dat niet. Ik kan het voelen. Ik leg een stukje kroepoek op mijn tong en voel het zuigen. Het zuigt aan mijn tong als een garnaal.

Ik heb een bakje met kroepoek en op mijn bord heb ik nasi. Eigenlijk heb ik zin in knakworst. Ik weet dat er een blik op de plank staat, in de keuken, maar als ik dat zeg dan zegt mijn pa: Je hebt toch een knakworst.

Dat soort dingen zegt hij vaak. Dan kijkt hij zo.

Ik zeg hem dat ik eigenlijk gehaktballen wil en hij zegt: Die heb je ook.

Ik moet lachen. Ik wijs naar mijn broek, naar mijn kruis. Dan zeg ik dat ik geen kleine knakworst wil maar een grote en ik wijs naar hem, en ik zeg dat ik grote gehaktballen wil, hele dikke, maar als ik dat laatste wil zeggen dan stopt mijn stem en kijk ik naar mijn bord, naar de nasi.

Geeft niks, zegt hij.

Eén gehaktbal dan, zeg ik.

Ja, zegt hij. Hij heeft zijn eten al op.

Hij vraagt me of ik weet waarom hij maar één bal heeft. Ik weet het wel. Hij had een bobbel op zijn bal en toen is hij zo naar het ziekenhuis gegaan, en ik sta op van tafel en laat zien hoe hij toen moest lopen, met zijn benen een eind uit elkaar, en toen heeft hij die bobbel aan de dokter laten zien en die heeft die hele bal er met een mes zo afgehakt. Ook weer opgelost.

Hij is stil. Hij zegt: Kom even hier.

Ik ga bij zijn stoel staan. Hij legt een arm tegen mijn rug.

 

’s Ochtends maakt hij brood met hagelslag. Het is zwart-witte hagelslag. Er bestaat donkere, bruine en witte hagelslag. Allemaal uit een fabriek. Ze hebben rode verpakkingen waar ze de donkere hagels in doen, blauwe verpakkingen voor de bruine hagels, en groene verpakkingen voor de zwarte en witte door elkaar.

De boter is hard. Hij doet nooit boter op zijn brood, bij mij eigenlijk ook niet, alleen bij hagelslag, om het vast te plakken, als lijm.

Ik heb een bord op mijn kamer waarmee ze in een café de stand met biljarten bij kunnen houden. Er zitten draaiknoppen aan en openingen en als je draait aan zo’n knop dan veranderen de cijfers. Ik gebruik het bord om de datum aan te geven. De bovenste twee cijfers voor de dag, die daaronder voor de maand en de onderste voor het jaar, die gaat het langzaamst. Die beweegt eigenlijk niet.

Hij zei een keer tegen me: Het is acht jaar geleden nu.

Dat was een dag na mijn verjaardag. Hij moest onder het mes, dat zei hij en ik begreep hem niet. Ik dacht aan een heel groot mes, veel groter dan met botte mes waarmee hij brood smeert en ook veel groter dan het zware hakmes waarmee hij vlees en groentes snijdt.

Dat is een uitdrukking, zei hij. Minder erg dan het klinkt. Het is zoiets als: Op handen gedragen worden.

Wat is dat? vroeg ik.

Dat mensen je leuk vinden, zei hij. Of: Een veer in je reet krijgen.

Die heb ik wel eens gehoord. Ik vind hem gek maar ook grappig. Het kriebelt, alleen al als ik eraan denk.

 

Hij brengt me naar school en haalt me weer op. Ik draai aan de knop van het bord, maak er negentien van. Het is vandaag de negentiende.

Om drie uur gaat de school uit, dan staat hij bij het muurtje, altijd op dezelfde plek.

Ik heb een blauwe fiets die eigenlijk te klein is en de spatborden zijn verbogen en hij rammelt, maar ik vind het een goeie fiets. Hij heeft brede banden en hij trapt lekker.

Voorbij de markt ga ik sneller en ik steek mijn hand uit, ik wil linksaf want in die straat is er vlak naast een putdeksel een diepe kuil in het asfalt en daar wil ik doorheen fietsen.

Hij fietst achter me. Hij zegt: Eerst goed kijken, en ik kijk naar de trambaan, naar de fietsers die van de andere kant komen en ik ga langs een vrouw met een kinderwagen en dan langs de taxi’s, en dan zie ik de kuil. Mijn voorwiel bonkt erin, ik voel hem. Goed dat stuur vasthouden. Dan fiets ik verder.

Het putdeksel is nog nooit open geweest. Daaronder drijft poep en pies van alle mensen die hier wonen. Soms hoor je het bruisen bij zo’n put, als iemand de plee doortrekt. Als de put open is en ik zie het niet en ik rij er zo in met mijn fiets, dan val ik in de poep en pies en mijn fiets ook.

Bij de lantaarnpaal maakt hij mijn slot vast. Zijn fiets in het rek, in het hoge halfronde ding waar het voorwiel in past. Mijn fiets aan de zijne, met het slot.

Straks gaan we naar karate. Of eigenlijk ga ik naar karate en gaat hij alleen maar even kijken.