Deze nacht met jou is levensecht

revisor De Revisor, december 2011 (fragment)

Ik was uitgenodigd voor een themafeest. Het thema was Duitsland. ik ging er naartoe en zag een vrouw met een man dansen. De vrouw had een hekel aan Duitse muziek, ze hield wel van dansen. Toen er een lied van Keulse band Die Höhner ingezet werd, Schenk mir dein Herz, aarzelde de vrouw, maar de man waar ze mee danste hield haar handen vast, keek haar aan en zong de tekst mee:

 

Schenk mir heut´ Nacht dein ganzes Herz

und bleib bei mir

dann schenk ich dir mein ganzes Herz und zeige dir

was dir gefällt - na na na na na na na

die ganze Welt - na na na na na na na

und wenn du willst auch noch ein bisschen mehr

 

En op dat moment voelde de vrouw dat hij via de muziek contact met haar maakte, een functie van muziek die ze amper kende.

Wanneer ze voorheen Duitse of Nederlandstalige muziek hoorde was jarenlang haar reactie: ‘Kan dat niet af?’ En: ‘Niet om aan te horen. Hoe kan een mens hiernaar luisteren?’

Toch zijn er veel mensen die wel naar deze muziek luisteren, en met een reden. Zij luisteren niet alleen naar de klanken van de instrumenten of volgen het idioom van goede smaak, ze luisteren met hun hart naar de muziek en vooral naar de teksten. Ze beleven de muziek. Ze voelen.

Tot dat moment hoorde deze vrouw alleen het deuntje, ze ving de tekst niet op. Ze liet zich leiden door het vooroordeel dat Schlagermuziek per definitie niet om aan te horen is. Beleving bij muziek kende ze wel, maar voor haar moest muziek in de eerste plaats aan individuele emoties beantwoorden. Door muziek raakt ze in contact met haar eigen gevoelens, worden die gevoelens vergroot of zelfs helder gemaakt. Andere mensen staan hier in feite buiten, of die mensen moeten ook hun eigen gevoelens opzoeken. Muziek als individuele expressie, vooral overdrachtelijk van uitvoerende naar luisteraar. Het lijkt wel een definitie van kunst.

De man waar ze mee danste op het liedje van Die Höhner liet deze vrouw de muziek en tekst voelen, alleen door haar aan te raken, haar aan te kijken en de woorden over te brengen.

De man en de vrouw waren niet alleen op de dansvloer. Ik zag de vrouw om zich heen kijken, naar andere danskoppels die in dezelfde modus dansten. Het werd haar duidelijk dat het niet alleen om het deuntje gaat, maar om de mensen die gezamenlijk naar dat deuntje luisteren, die het lied meezingen en samen dansen. Na twee refreintjes behoorde ze zelf tot die groep en voelde ze wat muziek collectief doen kan.

Sommige liedjes worden sterker wanneer ze massaal meegezongen worden. Sommige liedjes zijn geschreven om één op één tegen elkaar te zingen.

Geef mij vannacht je hart en blijf bij mij.

 

 

 

Helden, slachtoffers, rampen

revisor De Revisor, september 2011 (fragment)

Dokter Bernard,

u moet me zeggen,

hoe gaat het met hem nu?

 

Een directe en eenvoudige vraag om een lied mee te beginnen. Deze regels worden door Bonnie St. Claire gezongen, gericht aan een dokter, en omdat er in de zin een man voorkomt en een tijdsaanduiding reikt de tekst verder dan het gesprek tussen de dokter en de vrouw. Er is iets gebeurd met die man. De dokter weet wellicht hoe hij er voor staat. Sterker nog, de dokter is de enige die de vrouw dit kan vertellen. In de woorden schuilt hoop en verlangen, gedragen door de stem van Bonnie St. Claire die verderop in het lied overtuigend verzucht: Dokter, ik ben zo bang.

Voor mij is Dokter Bernard een held. Een van de weinige beeldende figuren in een Nederlands lied. Een man die reddend op kan treden. Een man waar we op vertrouwen kunnen. Daar zijn er in de Nederlandse liedjescultuur niet veel van. In Amerika wel.

 

Casey Jones was een machinist. Hij werkte voor de Illinois Central Railroad. Op een mistige nacht in het jaar 1900 bestuurde hij een volle passagierstrein die bij Vaughan, Mississippi op een stilstaande trein dreigde te botsen. Casey Jones zag de botsing aankomen. Hij had de keuze: uit de trein springen en daarmee zijn eigen leven redden, of proberen zijn trein af te remmen en mogelijk het leven van de passagiers redden, met het risico zelf dood te gaan. Hij zei tegen de stoker dat hij moest springen, greep zelf de hendel van de rem. De trein minderde vaart maar een botsing was onvermijdelijk. Casey Jones was de enige die omkwam, met een hand aan de rem en zijn andere hand aan het koord van de fluit.

Casey Jones werd een nationale Amerikaanse held. In Amerika worden helden op een voetstuk geplaatst. Letterlijk, als standbeeld, maar ook komen de helden terug in films, liedjes, verhalen… in de hele Amerikaanse cultuur.

Walt Disney maakte in 1950 de tekenfilm The Brave Engineer, een mooie versie van het verhaal met de aanpassing dat Casey Jones de botsing overleeft en uiteindelijk precies op tijd met zijn postzak het station in komt rijden, juist als zijn naam van het krijtbord in de hal geveegd dreigt te worden. Een held die op tijd komt, typisch een benadering van de jaren vijftig.

Nu heb ik niet veel met tekenfilms. Met Amerikaanse liedjes heb ik veel meer. Woody Guthrie zong over John Henry (‘who died with a hammer in his hand’, ook bezongen door Gillian Welch, Pete Seegers en Bruce Springsteen), pistoolheld Jesse James, vliegheld Lindbergh, en over Jesus Christ. Ook zong Guthrie over Amerika, een land dat zijn land is, een land dat jouw land is, over de Hoover Dam, over treinen en hobo's.

In onze tijd zijn muzikanten zelf volkshelden geworden en is het moeilijk te geloven dat er een tijd geweest is waarin de muzikanten tot het werkvolk behoorden. Dat ze de stem van het volk vertolkten door bestaande liedjes te zingen en nieuwe liedjes te schrijven, over nieuwe helden.

Een van deze muzikanten was Wallace Saunders.

Saunders werkte als monteur op het station van Canton. Hij maakte de machines schoon. Naar verluidt zong en floot hij tijdens zijn werk. Hij schreef de Ballade van Casey Jones en zong zijn eigen liedje niet in kroegen of op podia, maar gewoon tijdens zijn werk. De treinen en het station waren zijn podium. De treinpassagiers zijn publiek. Het spoor was zijn zender. Het lied werd verspreid.

 

In de versie die door Janie Jones, de weduwe van Casey, gezien wordt als authentiek, luiden de laatste regels:

 

Casey Jones, he died at the throttle,

Casey Jones, with the whistle in his hand.

Casey Jones, he died at the throttle,

But we'll all see Casey in the promised land.

 

Hier de tekst van Saunders zoals opgenomen in het boek American Ballads and Folk Songs van John and Alan Lomax’, uit 1934.

 

Casey Jones was a good engineer,

Tol’ his fireman not to have no fear,

All I want’s a lil water an’ coal,

Peep out de cab an’ see the drivers roll,

Oh, see de drivers roll, see the drivers roll,

Peep out de cab an’ see the drivers roll.

On a Sunday mornin’ it begins to rain,

’Round the curve come a passenger train

Tol’ his fireman he’d better jump,

Casey those two locomotives is boun’ to bump.

 

De Ballade van Casey Jones had in de versie van Saunders al een pakkend deuntje. Hitpotentie. Al poetsende aan de stoommachines floot en zong Saunders zijn liedje en via het spoor verspreidde het deuntje zich. Op een gegeven moment pikte William Leighton, een monteur van Illinois Central Railroad, de ballade op. Leighton liet het zijn broers Frank en Bert horen, twee variétéartiesten. De broers voegden een refrein toe en namen het nummer op in hun programma.

 

 

 

Kôm gank mei

revisor De Revisor, december 2010 (fragment)

Tegen middernacht klom een man op het podium op de Markt van Venlo en toen hij voor de microfoon ging staan waren alle mensen op het plein stil en zong hij zonder begeleiding een lied.

 

Want euver ein jaor, staon we weer heej

Ein jaor allein

'n Jaor det kin vleege, 't Is zoë veurbeej

Veur we ôs misse, zien weej weer beejein

 

Ik keek om me heen en zag de mensen, allemaal gekleed in Boerenbruiloftzwart, huilen. Het lied, geschreven door Frans Pollux, heet Ein jaor en is een treurzang omdat het Limburgse Carnaval (de Vastelaovend) weer afgelopen is. Toch biedt het lied troost en zekerheid.

Toen de man de laatste regels zong, heel helder en mooi ingeleefd, omhelsden de mensen elkaar, ze veegden elkaars tranen weg. Ik zag een oude man in zijn ogen wrijven. Ook zelf voelde ik dat het einde van deze Vastelaovend bijna gekomen was en ik voelde dat werkelijk in mijn hart.

 

Ik wil het niet hebben over literatuur, niet over poëzie, niet over alles wat zich daartussen beweegt en meent te moeten bewegen. Ik wil het hebben over liedjes en deze liedjes hebben een gemeenschappelijk kenmerk: een ijzersterke collectieve strekking.

Het zijn geen – en deze kunstdefinitie is even achterhaald als actueel – zuivere individuele expressies, zoals literatuur. Integendeel. Deze liedjes zijn gemaakt voor het publiek. Nu staan de hitlijsten vol met goedkope liedjes die voor een publiek geschreven worden, aan een tweede belangrijke voorwaarde voor een collectief krachtig nummer voldoen er niet veel: deze lied zijn geschreven voor een goedgekozen moment.

Stadsdichters wordt wel eens gevraagd bij een gebeurtenis een gedicht te schrijven. Zelden heeft dit goede poëzie opgeleverd. Als het te veel poëzie is happen de mensen niet toe en is het bereik miniem. Als het te veel voor de mensen geschreven wordt draait de literatuur de dichter de rug toe.

In het geval van Ein Jaor is het moment het einde van drie dagen Venlose Vastelaovend. In Friesland werkt dit liedje niet, in de zomer werkt dit liedje niet, zelfs op de eerste dagen van het feest werkt het lied minder. De woorden passen bij de beleving van de Vastelaovendafsluiting. Ze passen bij de stad, laten het feest tot het einde toe leven en zo is niet alleen het lied er voor het feest, maar is het feest er ook volledig voor dit ene lied, om middernacht op de dinsdag van de Boerenbruiloft.

De ware Vastelaovesvierder neemt niet alleen het feest tot zich, maar geeft ook terug. Ook daar is een lied over geschreven. Veur altiéd eine Venlonaer gaat over een man die in Parijs zijn geliefde moet verlaten om in Venlo bij de Vastelaovend te zijn. Hij kan niet zonder het feest, het feest kan niet zonder hem. Als hij zich tot zijn meisje richt heeft het moeilijk:

 

Maar ein dink môsse waal weite

Ik heb dich zoë leef

Gluif maar det ik heb zitte zweite

Veurdet ik dich verleet

Dich bliefs de leefde van mien laeve

Wao ik gaon of staon.

Jao dich, wil alles gaeve

Al vruuëgse um de maon.

 

Een man die jammert omdat alles moet wijken voor zijn Vastelaovend. Een menigte op de Markt die met tranen in de ogen zingt dat we over een jaar weer hier zijn. Dan kun je praten over effectbejag, over dat iedereen bezopen en gammel is van drie dagen doorhalen, over volksaard en misplaatste gevoeligheid, feit is wel dat de woorden werken, net zoals reclameslogans en een goede politieke speach werken, en een hip stopwoord. Groot verschil is wel dat de Vastelaovesliedjes niet tijdelijk zijn. Een goed lied is voor de eeuwigheid. Het blijft leven onder de mensen, blijft de emotie raken, zit vastgebikt in het collectieve geheugen van de stad.