Carnaval als kunst

revu Nieuwe Revu, februari 2012 (fragment)

In de herfst werd ik gebeld. ‘Kun jij even meekijken in de winkel op dat hoekje bij de Ferdinand Bol?’ Ik wist welke hoek hij bedoelde, ik wist waar het over ging. De vriend die belde was een van de Amsterdammers die in Venlo bekend zijn als Den Amsterdammers en als een dolle het Limburgse Carnaval – de Vastelaovend – vieren. Het was zeker vier maanden voor het begin van het feest. Ik zei: ‘Over vijf minuten ben ik er, Pater.’

Ik noem hem de Pater, omdat hij een echte patersjas heeft en omdat een van mijn romanfiguren naar hem gemodelleerd is: de Pater die meteen op de eerste bladzijde van Naar de overkant van de nacht hoofdpersoon Ralf mee op sleeptouw neemt.

De winkel heeft een bruine gevel met gaas voor de ramen dat vroeger gebruikt werd om beton te vlechten of om afzettingen te maken, grof en lomp. Rechts een toonbank waarachter een klein vrouwtje op een kruk zat. Over haar origine kan ik niets zeggen, dat zou ons pekske verraden.

‘Hier moet je even kijken,’ zei mijn vriend. Hij wees me lange jassen, heel mooi bewerkt met stiksels en prulletjes, alles kleurrijk en glimmend. Hij wist alle jassen te hangen en kende ook al de prijzen. Hij was hier vaker geweest.

‘Deze is niet zo duur,’ zei de Pater. Hij pakte een rode mantel die zwaar aanvoelde. Hij paste de mantel. ‘Dit is het,’ zei hij. ‘Zo gaan we.’ Het pekske zag er schitterend uit, vooral met de passende hoed erbij en de lange kleurrijke sjaal. (...)

 

 

 

Het jaar E.

revu Nieuwe Revu, december 2011

We hadden van die mooie briefjes in groen en rood met koppen van beroemde Hollanders. Muntjes die nergens anders bestonden. Dubbeltjes, kwartjes en rijksdaalders. Zo’n dikke van vijf. We hadden de snip en een paarse vuurtoren. En toen moest de gulden weg en kwam de euro, ook al was ons niets gevraagd. Lelijke briefjes, honderden verschillende muntjes. Het lijkt zo lang geleden.

Waren we net gewend aan dat omrekenen aan de kassa, net gewend aan dat het goed gaat, dat de economie booming is, slaat het om. Crisis met de euro, met 2011 als rampjaar. Nieuws dat we normaal gesproken weggemoffeld zagen op de financiële pagina’s verhuisde naar de voorpagina. Vette koppen met moeilijke woorden. Journaal opende avond aan avond met een grafiek en de lijn duikelde naar beneden. Stijgende overheidsschulden in de eurozone, dalende belastingopbrengsten, ratingverlaging, knoflookcrisis. Het nieuwe jargon.

Landen waar de mensen een zorgeloos leventje leiden en waar wij graag op het strand liggen bleken hun zaakjes niet zo goed op orde te hebben. Iedereen wist dat, de bussen rijden ook niet op tijd. Maar in Brussel drong het pas door toen de centen op waren en er geld bij moest, bijvoorbeeld in Griekenland. Vergaderen, overleggen, geld doorsluizen. Hoeveel? Miljarden, miljarden, miljarden. In ruil voor interne bezuinigingen. De Grieken de straat op, de Griekse premier de laan uit.

Boekhouden, wij houden er niet van. Behalve als het om de balans van een ander gaat. Spanje, Italië, Portugal en natuurlijk Griekenland zitten ons niet alleen moet voetbal dwars. Ze doen maar wat, ze dokken niet. Belastingafdracht kan geregeld worden op het terras van het café. Maar wij weten wel dat het niet aan de mensen ligt. Wij betalen zelf ook niet graag belasting. We weten wel waar het kwaad zit, bij de mannen in grijze pakken. Die smeren vet in hun haar en nemen risico’s. Ze speculeren met ons geld en snoepen uit de suikerpot.

Het grootkapitaal dacht alleen aan zichzelf, verrijkte zichzelf. Maar als de politici afspraken maken klinkt het opeens: wij moeten netjes betalen, wij moeten meer inleveren en minder ontvangen, de broekriem moet aan, bij iedereen. Het mes erin. En daar staan we dan met die paar glimmende euromuntjes in de hand. En we voelden: Dit is niet ons geld, dit is het geld van die schamele 1%. We moesten iets doen. Een paar van ons deed echt iets. Zetten in Europa tentjes op, ook op het Beursplein. Ze zitten er nog steeds, niet allemaal voor dezelfde zaak, maar ze zitten er wel.

Waar moet dit naartoe? Europa blijft praten. In het Frans en Duits en Engels horen we oplossingen en toenaderingen. Spanje ligt brak op de grond. Italië wankelt. We voelen wel dat we alleen staan. Voelen die grijze regeringsleiders dat ook, die samenklitten rond een vergadertafel? Wij voelen wel dat bondgenoten elkaar niet laten stikken als het om verdragen gaat, of om afspraken of grenzen. Maar het gaat nu om de centen.

 

 

 

Het jaar W.

revu Nieuwe Revu, december 2010

Hij domineerde het debat. Hij domineerde de verkiezingen. Hij domineerde de formatie. Hij domineert de regering. 2010 was het jaar van Wilders. Het jaar W. Er was een wedstrijd, er was de winst, er was een confrontatie met de wet, er was waanzin en werkelijkheid, en er kwam wraak.

Vrijheid is het sleutelwoord van Wilders. Vrijheid om te zeggen wat je denkt. Vrijheid is een groot goed, dus natuurlijk mag je zeggen wat je denkt. Doe maar, roep maar. Echter, niet iedereen vindt het leuk om voor tuig en uitschot en boef uitgemaakt te worden. Kom je op straat iemand tegen en neem je die vrijheid, dan heb je ruzie. Zit je in de politiek en neem je die vrijheid, dan heb je beveiliging nodig. En boven al: Dan sta je alleen.

Al zes jaar leefde Wilders geïsoleerd. Hij werd gedwongen op een plek te wonen waar hij niet wilde wonen. Hij zei niet bang te zijn, maar iedereen kon zich voorstellen dat hij bang was, en even alleen als op dat grote verkiezingsbord langs de snelweg.

In de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van juni 2010 verscheen hij in TV-debatten, consequent op de rechterflank, en ging hij de straat op met een logo op zijn rug. Hij verkondigde zijn mening even hard als altijd. Er klonk applaus, maar in de politieke arena stond hij op een eiland en op straat was hij omringd door brede mannen in pak, en eigenlijk was hij alleen.

Toen knalde de confetti en kwam het besef dat hij de grote winnaar van de verkiezingen was. Wilders moest een hand tegen zijn hoofd leggen. 1.454.493 mensen hadden op hem gestemd, en toch stond hij erbij zoals eerder die dag in een Haags stemhokje. Alleen.

Na de overwinning begon het onderhandelen. Praten, praten, praten. Wilders stapte snel uit de overleggen. Wat de voorstellen ook waren, hij had een andere visie en regeren zat er niet in. Of de anderen hem buiten de deur hielden of hij zelf in een hoekje kroop, het maakt niet veel verschil, want hij was alleen.

Er volgde een proces. Lastige vragen van lastige mensen, gekaderd in een lastig rechtssysteem. Wilders mening veranderde niet, een veroordeling kwam er niet, maar ook in het beklaagdenbankje zat hij alleen.

Vierentwintig zetels moesten worden gevuld. Hij zocht drieëntwintig mensen, bood ze een plek, en moest toezien hoe de een na de ander ontmaskerd werd als sms-fraudeur, brievenbuspisser, kopstootvechter, CV-vervalser. En dus was hij alleen.

Na een lange formatie mocht hij toch meedoen. Twee hoofdrolspelers hadden hem nodig. Dat was de triomf. Ze keken naar hem en nu pas voelde hij de winst, hij had invloed. Hij was een baas.

Het jaar W eindigde met de wraak van een gedwongen solist. Er kwam een beleid dat niet enkel de vrijheid van alle mensen waarborgt, maar dat als bindende factor een gevoel heeft dat hij heel goed kent: We zijn nu allemaal alleen.

 

 

 

Er gebeurt niks op het Binnenhof

revu Nieuwe Revu, september 2010

Ik verwacht in een gonzend kabaal terecht te komen, zoals op een kermis, maar het Binnenhof is stil. Het is nog voor half elf. Ik loop een rondje en besluit de vrouw van de souvenirs te vragen naar de formatie en vooral naar de pers die daar op af komt, want daar kom ik voor.

Ze zegt: ‘Nu zie je geen journalisten, maar als er iets gebeurt dan zwermen ze hier opeens met tientallen rond. Je weet niet waar ze allemaal vandaan komen.’

Inderdaad geen pers te bekennen. Tot na een halfuur een cameraman verschijnt. Samen met een man die een koptelefoon op zijn hoofd heeft en een microfoon in zijn hand steekt hij het Binnenhof over. Ze scharrelen wat rond, pasjes bungelen aan hun broeken. Uiteindelijk gaan ze bij nummer 1A naar binnen en wordt de ruimte tussen de muren weer ingenomen door toeristen, een vrouw met een kinderwagen, een tiental scholieren en een man met een grijze baard, een bolhoed op zijn hoofd en een bord voor zijn buik waar op staat: JEZUS LEEFT!! JIJ OOK? Een Italiaans ijskarretje gaat midden op het Binnenhof staan, maar de pers laat zich niet zien.

Ik loop door de onderdoorgang naar het Buitenhof waar voor de Hofvijver een haringkar staat: Hollandse Nieuwe - Malse maatjes. Naast de haringkraam gaat een man – ook al met een hoed – op een bank zitten. Hij een zak oud brood uit zijn jaszak en gooit stukjes brood voor zijn voeten.

Duiven komen aanvliegen. Eerst twee, dan nog een paar en binnen de kortste keren wemelt het op het pleintje van de duiven. De haringboer noemt ze vliegende ratten, net zoals Amsterdammers doen.

 

Weer op het Binnenhof kijken of er al wat meer journalisten, fotografen en cameramensen zijn. Als ik onder de galerij sta, meteen om de hoek, blijkt dat het vandaag wel eens lang kan gaan duren. Ga je schrijven over de wachtende pers op het Binnenhof, ben je zelf degene bent die rondhangt en wacht, op die pers. Het voelt tamelijk klote. Ik ben veel te ongeduldig voor rondhangen en wachten.

De beveiliging heeft me inmiddels ook opgemerkt.

Twee politiemannen in pak nemen me apart. Een van hen zegt: ‘Je valt erg op.’ Dat klopt. Ik ben de enige hier in spijkerjas, de enige met stevige bruine boots en ook de enige die – old school - in een notitieboekje schrijft. Een van de agenten controleert mijn identiteit, de ander mijn tas. Ik vertel dat ik schrijf, van artikelen tot romans, en vandaag schrijf ik over het Binnenhof. Verder geen probleem. Ze laten me gaan. Die ene zegt nog: ‘Ik zal je opzoeken op google.’

Ik sjok nog wat rond. Het zit me niet lekker dat ik in de gaten gehouden wordt, terwijl het de bedoeling was dat ik naar anderen zou loeren.

Meer pers komt aangeschuifeld. Een fotograaf met twee tassen. Andere fotografen. Verslaggevers van BNR Nieuwsradio, van Radio 1. Een vrouw die een cameraman als een hondje achter zich aan heeft lopen. Ron Fresen van het NOS Journaal staat in zijn roze overhemd en jasje voor nummer 22, waar ik hem op TV vaker heb zien staan. Een cameraman speelt Black Deal op zijn telefoon. Eénentwintigen.

Deze aangroeiende meute pers oogt relaxed.

Een fotograaf zegt tegen een collega: ‘Gister heb ik spaghetti carbonara gemaakt zonder room.’

De collega zegt: ‘Zonder room? Maar dan is het droog.’

‘Nee, je roert er op het laatst gewoon een geklust ei doorheen.’

Een cameraman rookt een sigaret, iets buiten de groep. Dranghekken worden klaar gezet. Er komt meer publiek. Een man staat met twee racefietsen in zijn handen midden op het Binnenhof. De politiemannen die mij aanspraken controleren nu de tas van een jongen die op een van de bankjes zit. Twee oude vrouwtjes herkennen in een lange man in kostuum Ivo Opstelten.

Dan rijdt een auto door de poort. De pers vliegt op. Eerst draaiden de koppen allemaal tegelijk een slag, dan verplaatst een deel zich over het plein naar de auto en dan stokt het weer, ook allemaal tegelijk. Het is loos alarm. Het keuvelen hervat zich.

 

Ik moet pissen. Geen idee waar dat hier kan. Dus loop ik weer naar buiten, naar de McDonalds waar de toiletjuffrouw me vertelt dat het allemaal schijtbakken zijn, die van het CDA, dat ze niet met de PVV willen. ‘Wij hebben er toch voor gekozen.’

Terug langs de haringkar, waar inmiddels zes satelietwagens staan. Eén Vandaag, NOS, RTL. Schotels op de daken. Sigarettenrook, een man die tegen een portier leunt, kisten met kabels worden uitgeladen.

De duiven zitten op de gevel aan het Buitenhof. Zevenentwintig duiven een richel. Ze loeren en wachten en houden alles in de gaten, maar toch lijken ze onverstoorbaar. De duiven kijken uit op de enige staatsman die ik tot op heden gezien heb en hij zit op een paard en is van brons en heet Koning Willem II.

Hij steekt hoog boven de busjes van de televisie en haringkar uit, zwaait met zijn hoed. Op zijn kale hoofd staan een stuk of zes lange sprieten. Het lijken dunne haren, die recht overeind staan, maar het zijn van die pinnen die duiven van balkons weg moeten houden.

Deze koning laat zich niet op zijn kop schijten.

 

Aan het einde van de ochtend stroomt het Binnenhof vol. Dan verschijnen één voor één de hoofdrolspelers van de formatie: Rutte, Verhagen en Wilders. Dan wordt het flitsend en rumoerig, wordt er gerend, en bestormen de persduiven de politici alsof ze zakken voer in hun handen hebben. De professionals scheiden zich van de formatietoeristen. Rutte (groene stropdas), Verhagen (rode stropdas) en Wilders (rode stropdas) wringen zich naar de ingang, op nummer 22, omgeven door journalisten. In het gedrang beantwoorden ze haastig maar toch vriendelijk de vragen die ze toegeslingerd worden. Zes, zeven, acht gekleurde microfoons voor hun gezicht. Camera’s worden in de lucht gehouden voor een shot van Verhagen en Wilders, over de beveiligers (grijze stropdassen) heen. Een geluidsman hengelt.

De politieke kopstukken lijken rustig, zelfverzekerd en machtig, maar tegelijkertijd zie je dat ze zich wapenen tegen de aandacht en tegen het publieke domein.

Eigenlijk willen ze op een paard zitten, hoog boven het gewone volk en boven het persvolk, beschermd door van die lange scherpe sprieten, net als die ouwe Koning Willem II.