I.M.

omslag tirade Tirade 438, mei 2011 (fragment)

Hoe kan ik over mijn eigen dood schrijven als mijn ouders nog leven?

Wat ik wel kan doen is mijn moeder opbellen. Ik wil haar iets vragen. Ze zitten net te eten. Wat ik dan kan doen, terugbellen.

‘Ja met mij, we hebben het op. Wat zei je net nou allemaal over toen jullie geboren werden, wat wil je weten? Nou, ik heb het boek er maar even bij gepakt, het is al even geleden, en wat ik nog wel weet is dat we op een gegeven moment naar het ziekenhuis moesten en dat ze daar toen zagen dat het er twee waren. Ik kon gelijk blijven en later ben ik zo’n dubbele kinderwagen gaan halen. In het donker.

Ik zeg nog altijd jullie, altijd gedaan. Dat krijg je als je met z’n tweeën bent. In die tijd was het nog zo dat je dan allebei dezelfde kleren aan had, maar dat hebben wij nooit zo gedaan. Ik weet nog dat jij een paar vlekjes bovenop je voet had, de linker of de rechter, dat weet ik niet meer, maar daaraan konden ze jou herkennen. Dan trokken ze de voeten onder de dekens vandaan en dan keken ze daar naar.

Het was in het ziekenhuis dus er waren de hele tijd mensen bij, verloskundige, verpleegsters, artsen, heel druk was het, en op een gegeven moment hadden ze jou en je broer allebei in een doek gewikkeld en zo naast me op bed gelegd of zo in mijn armen, ieder aan een kant, en toen gingen al die mensen weg en waren we even alleen, met pa ook er bij, en dat vergeet ik nooit meer. Wat heb ik zitten janken.'

Het was wel lekker weer geloof ik dat jaar. Het kan ook heel koud zijn in april. Ik weet nog een Koninginnedag dat er een versierde fietsenoptocht was en dat ik de winterjassen van de kapstok moest halen en dat jullie daar stonden, in de kou, maar dat was veel later. Toen jullie klein waren stonden die huizen aan de overkant er nog niet en vanuit jullie kamer keken we zo het weiland over naar de bomen van dat aangelegde bos.

Jullie huilden nooit en sliepen goed, daar hadden we geluk mee want dat kan ook anders zijn, daar weet jij alles van. Wij hadden twee van die bedjes, een tegen de muur en de ander bij de radiator, en daar tussenin een commode die we bijna niet gebruikt hebben en later naar ome Jaap is gegaan of naar Joost, dat kan ook. Pa had de kamer behangen, van die groene ronde figuren die in elkaar overliepen. Dat onthou je dan hè.

Op foto’s kunnen wij ook amper zien wie wie is. We hebben er nooit jullie namen bij geschreven en dus is het nou gokken of kijken naar de kleertjes. Jij had altijd een rood shirt met die clown erop en jouw broer een geel. Of andersom. Toen jullie baby’s waren is het helemaal niet te zeggen, dan zit pa daar op de bank met jullie allebei, met dat lange haar, en dan weten we het echt niet. Maakt het iets uit?

Je hebt me wel eens gezegd dat jullie later zo vaak ruzie hadden, of eigenlijk iedere dag, omdat jullie je wilden onderscheiden van mekaar. Ik weet niet of dat zo is, misschien wel, bij ons thuis hadden we dat niet en op school hadden jullie het ook niet geloof ik, maar later misschien wel. Dat je iets wilt laten zien, iets wat de ander niet kan of niet laat zien, zoiets. Dan is dat schrijven van jou misschien ook wel zoiets.

Jouw broer moest drie weken in de couveuse, dat heb ik wel eens verteld, en ik kon jou mee naar huis nemen en die eerste drie weken gingen we iedere dag naar het ziekenhuis om te kijken, dan konden we meerijden of pa ging op de fiets en dan bleven wij thuis en jij lag de hele dag te slapen. Toen we voor het eerst naar buiten gingen, vlak voor of na de Koninginnedag, toen was het mooi weer, echt lente.

In de badkamer hadden we een badje met zo’n ding aan de zijkant waar je de zeep op kon leggen, met van die ribbeltjes. Het stond op de vloer bij het putje en we hadden geen douchegordijn en eerst deed ik jou daar alleen in bad en later met z’n tweeën en toen jullie zelf konden zitten werd het nat tot achter de wasmachine aan toe. Net als toen met die poedersuiker en kerst en dat jullie zeiden dat het sneeuwde.’

Tot snel en de groeten aan pa.

 

 

 

Keyser Söze was het niet

omslag tirade Tirade 433, april 2010 (fragment)

Omdat ik alles gezien had mocht ik me een paar weken later als getuige melden. Of ik iemand zou willen komen herkennen op het bureau in de Pieter Aertszstraat.

Dat wilde ik wel.

Dus fietste ik naar het bureau en werd een kamer ingeleid waar achter een donkere glasplaat een Marokkaanse jongen stond, heel iemand anders.

Ik zei: Dit is hem niet.

Ik kon weer vertrekken. Ik liep naar buiten. Op datzelfde moment werd de Marokkaan vrijgelaten. Hij liep achter me aan naar de deur. Ik hield de deur voor hem open. Toen stonden we op straat.

Ik zei: Ik moest jou herkennen, maar je was het niet.

Hij zei: Natuurlijk was ik het niet.

Ik zei: Je voldoet waarschijnlijk aan het signalement.

Hij zei zoiets van: Dat moet dan wel.

Gebeurt je dit vaker? vroeg ik, want op zo'n toon praatte hij, dat hem dit vaker gebeurde.

Ja, zei hij. Dit is de negende keer dat ik in die kamer gestaan heb.

We stonden nog even op de stoep. Hij hield zijn handen in zijn broekzakken. Hij had een pet op en keek me aan, onder de rand van de klep door.

Toen hij weg wilde lopen zei ik: Mijn pa ligt in het ziekenhuis.

Jouw pa?

Ja, daarvoor was ik hier. Ze hebben hem het ziekenhuis in getrapt. Mijn pa.

Ik was het niet, zei hij en hij drukte zijn handen dieper in zijn broekzakken. De klep van zijn pet ging omlaag.

Ik zei: Ik zeg het je maar. Ik zeg je gewoon wat er gebeurd is.

Hij zei: Klote voor je pa.

Even zwegen we. Toen zei ik: Ik had gewoon kunnen zeggen dat jij het was.

Hij keek me aan en zei: Maar dat heb je niet gedaan.

 

 

 

En ze reden verder...

omslag tirade Tirade 429, augustus 2009 (fragment)

Tien jaar geleden vond ik in een huurwoning op de derde etage in de Amsterdamse Vrolikstraat een stevig pocketboekje met op de cover een cowboy te paard, een cactus en een ondergaande zon. Ik sloeg het open, las de eerste regels en – heel belangrijk – de laatste regels, ik leende het boek van mijn schoonzus en zwager die daar destijds woonden, en las het die avond en de volgende dag direct uit. Het was de vertaling van Cormac McCarthy's All the pretty horses.

Als ik dit boekje met het kitscherige omslag in tweedehands boekwinkels zie staan, meestal voor twee of drie euro, dan moet ik mezelf er echt toe zetten het niet te kopen, want ik heb nog een hele stapel liggen en tot een paar jaar terug deelde ik het uit aan mensen waarvan ik dacht dat ze er iets aan konden hebben. Het originele exemplaar ligt momenteel in Auckland, Nieuw Zeeland, waar mijn schoonzus, zwager en hun kinderen nu wonen. Twee keer ben ik bij hen op bezoek geweest, met mijn eigen gezin, en ook al was het een familiebezoek, niet lang na aankomst stond ik voor hun boekenkast om deze pocket te zoeken, en was ik werkelijk bang dat het boek verdwenen was. Ik vond het beide keren, sloeg het open, rook eraan en heb het beide keren dat ik in Nieuw Zeeland was gelezen.

De jonge cowboy John Grady Cole besluit in All the pretty horses zijn in verval geraakte ouderlijk huis vaarwel te zeggen en trekt de grens over naar Mexico, waar het echte cowboyleven nog te vinden is, waar hij verwikkeld raakt in een tedere maar onmogelijke liefde en waar blijkt dat het oude cowboyleven hard en meedogenloos is. McCarthy beschrijft deze John Grady heel summier. Hij is jong en mager, zijn kleren zijn sjofel, hij draagt een hoed en zijn snorretje is vlassig. Verder weet de lezer niets van hem, en toch kun je op iedere bladzijde precies voelen wat er in deze jongen omgaat.

Hoe kan een schrijver op zo'n effectieve en tegelijkertijd indirecte manier gevoelens overbrengen? Dat mysterie wilde ik doorgronden.

 

 

 

Altijd honger

omslag tirade Tirade 425, oktober 2008 (fragment)

Hij zit aan de waterkant net voorbij de brug en hij kijkt naar zijn dobber en wacht. Het water is vlak. Het riet aan de overkant staat recht en stil in de oever. Van de dobber is alleen het oranje puntje te zien.

Ik moet er een kleiner loodje aan doen, denkt hij. Een van die dikke brokken eraf knijpen en een kleinere eraan doen. Ik word godver scheel zo.

Dat dacht hij de vorige zondag ook, en die week daarvoor ook.

De dobber beweegt. Hij houdt zich stil, er gebeurt niets.

Hij gaat verzitten. Er knispert iets in de kontzak van zijn broek. Hij tast en haalt er een wikkel van een Snickers uit. Hij denkt: King size. Godver.

Hij heeft de reep eergisteren gekocht bij het wegrestaurant aan de snelweg. Het meisje achter de kassa verkocht hem gewoon dat ding, ze keek niet zoals Vera kan kijken en de mensen hier bij de supermarkt. Niemand die zegt: Gaat goed hè.

Of: Is het vol te houden?

Of ze vragen wanneer het op TV komt.

En Vera die dan begint te praten.

Van ja hoor het gaat prima. Het is goed te doen en zo. Het valt reuze mee. Echt.

O ja, in het nieuwe seizoen pas. Dat neemt allemaal nogal wat tijd.

Godver.

Hij ruikt aan de verpakking. Zijn maag draait om.

Ik kan er ook dat andere tuig aan doen. Met die blauwe dobber.

Hij gooit de wikkel in het gras en haalt de hengel op. Het bolletje witbrood hangt nog aan de haak. Misschien iets dieper. Hij laat het tuig naar zich toe vieren, pakt het net boven de haak bij een van de loodjes vast en schuift de dobber een stukje naar boven.

Pinda's en caramel. Ik geloof dat het caramel heet, die troep. Blijft aan je tandvlees plakken. Net als een Mars.

Hij at de Snickers in de auto, op de rechterbaan, hield af en toe zijn ogen dicht. Het was heerlijk.

Er zit een groene sliert aan de onderkant van de dobber. Iets van een plant. Lijkt wel wier. Hij haalt het weg en wrijft zijn hand af aan zijn broek. Hij gooit de hengel uit en kijkt.

Na een tijdje wordt de dobber met korte schokjes naar beneden getrokken en de dobber veert terug en kringen verspreiden zich over het water van het kanaal. Hij verschuift de hengel in zijn handen, verschuift ook zijn voeten. De hoge viskoffer waar hij op zit kraakt onder het gewicht van zijn lichaam.

Als de dobber een flinke schok krijgt haalt hij op. Hij voelt geen weerstand en de haak komt boven water zonder vis, zonder aas.

Godver hij is weg.

Hij haalt het tuig naar zich toe, pakt het in zijn rechterhand waar hij ook de hengel mee vasthoudt en met zijn vrije hand graait hij in de broodzak. Hij trekt een pluk witbrood los, spuwt in zijn hand en wrijf een bolletje tussen zijn duim en wijsvinger. Hij steekt het aan de haak.

Het brood is gisteren door Vera gekocht bij de bakker. Niet bij de supermarkt, bij de bakker in het dorp. In een papieren zak. Het ruikt lekker.

Hij vouwt de plasticzak dicht en gooi de hengel weer uit. In de verte achter de griend ziet hij de wieken van de molen stil tegen de wolkenlucht en als hij naar de brug kijkt ziet hij aan de andere kant van het kanaal de roodbonte koeien staan die hier vorige week ook al waren. Ze kijken naar hem.

De dobber beweegt eventjes, dan ligt hij stil in het water. Hij haalt op, gooit weer uit.

De lucht in het oosten wordt lichter. Een strook blauw verschijnt boven de bomen en in dat blauw zal straks de zon verschijnen en dan is het afgelopen hier. Dan kan ik alleen nog aan de andere kant gaan zitten, in de schaduw van de griend. Waar de muggen zitten. Waar Bennie vorig jaar vast kwam te zitten met zijn laarzen, vast in de modder bij het riet. Dat krijg je ervan. Niet weten wat-ie doet met dat vette frietlijf van hem, en dan stap je altijd verkeerd.

De dobber wordt naar beneden getrokken. Hij geeft een ruk aan de hengel en voelt dat de lijn gespannen wordt.

Hebbes.