I can take it!
verhaal voor Wahwah 11, september 2008
Toen ik thuiskwam van mijn eerste bezoek aan oncoloog Gerritsen ging ik op mijn stoel zitten, pakte de afstandsbediening en zette MTV aan, zoals ik gewoon was te doen. In beeld verscheen een rij glimmende terreinwagens. Dat moest een van de eerste beelden van de clip zijn, want de muziek was nog aan het opwarmen.
Een man zingt. Ik kan hem niet goed verstaan. Hij heeft een vreemde hoge stem en de beat is even hoog en opgefokt bovendien.
Flitsen van bezweette zwarte basketballers. Een vlakke blauwe zee met een stad aan de oever, gezien van boven. Weer die basketballers. Eentje gooit de bal in de lucht en twee anderen strijden erom, hoog boven iedereen uit. Jongens kijken toe. Scooters. Eentje heeft een zonnebril op, zijn bovenlijf ontbloot. Tatoeages. Een andere heeft een handdoek op zijn nek.
Een piano pingelt door de beat heen. Piepgeluiden, zoals het schieten van een videogame.
De basketballers gaan een duel aan. Ze dragen allebei een zwarte broek. Een van hen kijkt en loert en draait. De ander vangt hem op. Ze dansen. Dan dunkt die ene de bal door de basket. Krachtig en stijlvol. De zon brandt op hun schouders.
Bronze skin and cinnamon tans who-o-o.
Dan ga ik naar de boulevard. Daar staat een meisje in een blauwe bikini onder de douche, fietsen jongens, is de zon nog feller en zitten meisjes met grote borsten op een hek, of zitten op een stenen rand. Dat kan ik niet goed zien.
Tonight, zingt de man. The party tonight.
Een neger op rolschaatsen krult zijn voeten om pionnetjes. Hij draagt een blauw shirt met CUBA erop. Hij rijdt voor het muurtje - dus toch - langs waar de anderen op zitten. Borsten, bikinibroekjes hoog om de heupen, een man met een motor, een hele grote motor.
In the heat of the night.
En dan is daar een meisje met lang bruin haar, donker, een Latino. Ook zij heeft een blauwe bikini. Ze heeft een zonnebril op en ze lacht en ze laat haar borsten deinen in de bikini.
De stad in de n acht opeens, mannen op scooters. Alles flitst en ik denk nog aan dat meisje. Komt ze nog terug?
Ik zie jongens trainen aan een rekstok, een jongen gooit een vliegtuig door de lucht. Het vliegtuig is net af, onbeschilderd, en het doorklieft de zon en wordt even een zwarte vlek. Zomerse oorden, vakantiehuizen aan het water, van elkaar gescheiden door hagen en schuttingen. Een afslag met daarop MIAMI BEACH. En een jongen op een hek, heel relaxed. Zijn bovenlijf breed en bloot. Weer dat meisje dat onder de douche stond en daar is ze weer. Met haar dansende blauwe borsten. Ze lacht weer naar me. Heel even maar.
Can't get you out of my mind.
Ik zie witte jeeps op een parkeerplaats. Allemaal met de kont naar de zee, de neus naar de boulevard, naar het leven. De deuren open. Een gespierde kerel met een pet op zijn hoofd rent van het strand af. Hij heeft een American football in zijn handen. Ik zie een fietser trucs doen, hij springt op zijn achterwiel. Hij heeft een lange broek aan en een shirt met lange mouwen, allemaal zwart, veel te warm. Het maakt niet uit.
Cause a girl like you is so hard to find.
Eerst een ontmoeting tussen een man die er Mexicaans uitziet, en een verlegen meisje dat haar armen langs haar lichaam houdt en met haar schouders draait, terwijl ze amper beweegt. Ook een Latino. Dan zie ik ze staan, dat groepje mannen, jongens hangen eromheen, en in hun midden dat meisje met de dansende borsten. Ze zijn vrolijk. Ze zwaait.
De beelden herhalen zich nu. Het hek, de meisjes die erop hangen, de felle kleuren van de kleine lapjes stof, het meisje onder de douche dat haar haren uitspoelt, in een ander beeld is alleen haar mooie platte buik te zien.
I'm waiting for the day to make you mine.
Daar gaat ze. Daar is ze weer. Ze heeft haar zonnebril afgezet.
I can't take it.
Ze draait om me heen, op rolschaatsen zo te zien, en ze daagt me uit. Pruilt haar lippen. Lacht.
De mannen en de jongens kijken toe. Armen over elkaar. Niks aan de hand.
Brown skin and cinnamon tans who-o-o.
Ze zien hoe het meisje om me heendraait en ze knikken en lachen. Ze hebben hun auto's. Er is die blauwe zee. Alles glimt en straalt. De gebouwen zijn hoog en hebben wanden van glas waarin het zonlicht weerkaatst en er is niemand die daar zit te werken, niemand die iets moet, niemand die in een kamertje zit bij een arts met te zware dingen in de borstzak van zijn jas.
De zee is prachtig, er zijn eilanden of schiereilanden met huisjes, tuinen, zwembaden, en daartussenin de turquoise zee waar witte boodjes in dobberen. Zeilbootjes en motorbootjes.
Vlak voor ik een honkbalveld zie met palmbomen ervoor en glazen gebouwen erachter, laat ze haar borsten nog even dansen. De zonnebril weer op, haar lach wordt ondeugender. Ze houdt een mondhoek scheef.
We're gonna party as much as we can.
Een kale man, een bbeetje gezet, rijdt over straat op een scooter en even later drukt hij zijn vuist tegen de vuisten van andere mensen op de boulevard. Bij een picknicktafel. Weer dat meisje dat staat te douchen. Haar haar is nat en donker. Ze houdt haar gezicht in de waterstraal. Negers kijken toe en lachen. De Football-speler vangt zijn bal moeiteloos.
Hey-yeah, ooh, hey-yeah.
Ze schudt haar borsten. Ze zijn magnifiek.
Hey-yeah, ooh, hey-yeah.
Meisjes in bikini en jongens in witte shirts kijken naar de zee en de zee is enorm, en toch is hij vlak en lijkt het water op dat van een meer. Een donkere spierbundel staat onder een douche, een andere. Hij spuwt water uit. Hij lacht.
Moonlight, zingt de man en ik zie de stad bij nacht. Hoge gebouwen aan het water, skyline, zwarte lucht.
Cruisin' down the boulevard.
De zon gaat onder. De dag is nog niet voorbij. Het begint eigenlijk nu pas.
Steeds die omgekeerde volgorde. Eerst nacht, dan zonsondergang, steeds een grote stap vooruit en een paar stapjes terug. Dat is mijn leven nu ook. Stapjes terug en toch vooruit.
Strobe lights watching you your body's tight.
Verschillende meisjes komen in beeld. Is dit hetzelfde meisje, die in die kleine bikini? Hetzelfde krulhaar, die lach. Ik weet het niet.
De mannen rijden in een auto heel langzaam door de straten. Avond.
De Football-speler is nog op het strand. Hij gooit zijn bal weg. Naar wie?
De rolschaatser met zijn CUBA-shirt, de scooterjongens die slingerend de weg over gaan, zonder doel. Die jongen in zijn ontblootte bovenlijf op dat hek. Zijn ellebogen op zijn bovenbenen, zijn handen in elkaar gevouwen. Hij zit daar nu nog, vijf jaar ouder.
Hey-yeah, ooh, hey-yeah.
Ook een mooi beeld: De basketbal die de ring mist. Een hand probeert hem nog een laatste zetje te geven, maar de bal is niet te corrigeren. Mis, maar het geeft niet, want de muziek gaat verder, die vreemde beat en dat gezang van die man die mijn hoofd niet meer verlaten zullen, alles gaat verder, die beelden natuurlijk ook, en de zon blijft schijnen, en alles is hoopvol en vrolijk en zonder zorgen.
I can't take it.
Weer die neger onder zijn douche. Nu giet hij een flesje water over zijn hoofd. Deed hij dat net ook al? Ook hij kent geen zorgen, alleen het zoeken van een beetje verkoeling om daarna weer te gaan sporten. En ik ken eigenlijk ook geen zorgen, op dit moment, als ik denk aan die clip en de beelden die in mijn hersenen verankerd zitten weer op mijn netvlies komen.
Hey-yeah, ooh, hey-yeah.
Dat is zorgeloosheid: springen op een fiets, een auto waarvan een van de portieren open staat, achteruit rolschaatsen om pionnetjes heen, met soepele benen. Op een scooter zitten in de schaduw, basketballen in de zon. Dansen en lachen en je borsten laten dansen. Andere meisjes die haar voorbeeld volgen. Die kale in zijn oversized shirt staat tussen de meisjes en houdt wijs- en middelvinger voor zich in de lucht. Een teken waar ik de betekenis niet van weet, maar desondanks geeft het hoop. Een jongen schenkt me hetzelfde gebaar. Ik bal mijn vuist, op mijn stoel voor de TV.
This ain't nothing but a summer jam.
Dat is het, niet meer en niet minder. Ik kijk ernaar en het lijkt een eeuwigheid te duren. Ik wil dat het een eeuwigheid duurt.
Toen de clip afgelopen was heb ik gewacht tot ik hem weer zag. Op The Box, of op TMF. In de zomer van 2003 werd Summer Jam, van The Underground Project, ieder uur uitgezonden. En iedere keer opnieuw keek ik naar deze geweldige clip, ontdekte ik nieuwe gezichten die naar me lachten, nieuwe tekenen van hoop, van leven. Iedere keer hervatte het deuntje zich in mijn hoofd, als die eerste keer. Alsof het nooit weggeweest was.
I can take it. Dat zong dat mannetje. Geen ontkenning. I can take it! Zo sprak hij het uit. Ik kan het hebben! Dat denderde keer op keer door mijn hoofd.
Bij de laatste tonen draait de camera weg van de mooie lijven die op het hek zitten, het hek zelf verdwijnt onder in beeld en de zee ligt daar blakend blauw in het zonlicht. De zee en de muziek en deze vrolijke mensen sleepten mij die verschrikkelijk hete klotezomer door.
Dat is nu vijf jaar geleden en de jaren van controles zijn zojuist afgesloten door een telefoontje van dokter Gerritsen, die zei: Het was me een waar genoegen, maar je bent nu van me af.
Goed, zei ik. Kan ik er eindelijk over schrijven.
Groeten uit ...
artikel voor Wahwah 10, maart 2008 (fragment)
Ik heb het niet zo op de zee. De zee is groot en zout en onbetrouwbaar, en de bodem is zacht. Het strand vind ik ook niks, daar is geen schaduw en los zand is ook niet de juiste grond voor onder mijn voeten. Pas wanneer de klei bereikt is voel ik me veilig.
Welke plaat ik absoluut mee zou nemen naar een onbewoond eiland, bijvoorbeeld ons eigen Rottumerplaat?
Alleen zijn is doorgaans vreselijk, omringd door zeewater is het de hel.
En mij wordt dus gevraagd een enkele plaat uit mijn vertrouwde platenkast halen en dan afreizen naar een van de meest vervelendste oorden die ik me voor de geest kan halen, en die plaat moet het verblijf daar draaglijk maken.
Als ik de ruggen van de CD's in mijn platenkast bekijk dan klamp ik me bij iedere titel, bij ieder liedje, bij ieder hoesje steviger vast aan de herinneringen die bij die platen horen, zoals een paar laarzen zich vastzuigen aan stevige kleigrond. En die herinneringen horen bij thuis, of bij concerten in de buurt, en heel soms bij een vakantie. De gedachte aan een zandplaat waar de natuur dominant is en het tij meedogenloos, blokkeert het maken van een keuze.
Het antwoord op de vraag wordt een stuk eenvoudiger wanneer die vervelende, door de zee omgeven plek waar ik helemaal niet wil zijn, vervang door een bijzonder aangename plek, waar de muziek die ik graag hoor misschien zelfs live klinkt.
Met andere woorden: Welk concert had ik graag bijgewoond?
Dat plaatje gaat mee in de tas.
Nog voor ik werd geboren speelde een jongen van net twintig avond aan avond in clubs de Amerikaanse Oostkust in de staat New Jersey, in Monmouth County op precies te zijn. Een van de plaatsjes waar hij regelmatig speelde was Asbury Park. Een plaatsje van niks. Nog geen twintigduizend inwoners. Inmiddels behoort Monmouth County tot de wijken met de duurste postcode van Amerika, in de jaren zeventig was dat anders. Toen liet een opgepoetste boulevard en een zee waar de zon iedere ochtend uit tevoorschijn kwam de mensen dromen, terwijl op het droge de vervallen pretparken en aftandse gokhallen hetzelfde proberen te doen. En de mensen worstelen met hun eigen bestaan, dat veelal heel wat minder te dromen biedt. Over zo'n plaatsje en over zulke mensen zong deze jonge muzikant...
Afdalen naar de geest van Tom Joad
artikel voor Wahwah 9, maart 2008 (fragment)
In de jaren dertig van de vorige eeuw woedde op de Noord-Amerikaanse vlakten enorme stofstormen. Door eenzijdige landbouw in de jaren twintig, met name het op grote schaal verbouwen van tarwe waar de natuurlijke begroeiing voor moest wijken, kreeg de wind na een droge periode vrij spel. Wolken van stof, soms wel honderd bij tweehonderd kilometer, schoven over de Great Planes van de MidWest, van de Mexicaanse grens tot Canada. Vooral Oklahoma werd zwaar getroffen.
De gevolgen voor de natuur waren desastreus. Tijdens de stormen werd het land gezandstraald. Als de wind ging liggen werd het land bedekt onder een dikke laag stof.
De gevolgen voor de mensen zo nodig nog rampzaliger. Oogsten mislukten jaar na jaar. In de MidWest heerste armoede en honger. Honderdduizenden mensen laadden hun schamele bezittingen op een wagen, spanden er een ondervoed paard voor en vertrokken naar Californië, het land van de perzikboomgaarden, waar vruchtbare grond op de boeren uit Oklahoma lag te wachten, waar het klimaat goed was en waar - om mee te beginnen - werk in overvloed was.
Ze kwamen bedrogen uit.
Over de tragiek van deze volksverhuizing schreef John Steinbeck de roman The grapes of wrath (De druiven der gramschap), die in 1939 verscheen en een jaar later sterk verfilmd werd door John Ford. Woody Guthrie zong liedjes over de stofstormen. En halverwege de jaren negentig liet Bruce Springsteen zich inspireren tot de schitterende en sobere plaat The ghost of Tom Joad.
Het boek van Nobelprijswinnaar John Steinbeck zou verplichte stof moeten zijn voor alle eerstejaars economiestudenten aan Nederlandse universiteiten. In plaats van te leren over vraag en aanbod, en de vervelende consequenties daarvan enkel logisch te vinden, zouden deze ambitieuze jonge mensen die klaar staan carrière te gaan maken in het bedrijfsleven het verhaal van Tom Joad moeten volgen, die met zijn gezin in armoede in Oklahoma woont en lekker gemaakt wordt door pamfletten van perzik- en sinaasappelboeren uit Californië.
Kom bij ons werken. Zoveel cent per dag. Werk genoeg.
Ze weten niet of ze moeten gaan of beter kunnen blijven. In het eerste hoofdstuk van het boek vragen de vrouwen: Wat zullen we doen? Steinbeck:
En de mannen antwoordden: Ik weet het niet. Maar het was in orde. De vrouwen wisten dat het in orde was en de kijkende kinderen wisten dat het in orde was. Vrouwen en kinderen wisten diep in zichzelf dat geen ongeluk te groot om te dragen was, wanneer hun mannen de moed erin hielden. De vrouwen gingen de huizen binnen naar hun werk, en de kinderen begonnen te spelen, hoewel nog aarzelend in het begin. Naarmate de dag vorderde werd de zon minder rood en schitterde op het met stof bepoederde land. De mannen zaten in de deuropening van hun huizen; hun handen waren bezig met stokjes en steentjes. De mannen zaten stil - te denken - te overleggen.
(uit: The grapes of wrath)
Ouderwets opgebouwd, heb ik eens een literatuurliefhebber die zichzelf een kenner noemt, over dit fragment horen zeggen.
Tsjongejonge, heb ik een geëmancipeerde vrouw over dit fragment eens horen zeggen.
Maar Steinbeck schreef zijn roman niet voor verwende kunstminnende vrouwtjes die zestig jaar na de stofstromen in de Westerse wereld groter in getal waren dan de armoedige Okies van toen.
Gelukkig maar. Er is veel bereikt. Tragiek wens je niemand toe.
Maar de tragiek van de Okies levert - wanneer Steinbecks het onder handen neemt - wel prachtige literatuur, op die niet gebaseerd is op opinie of vrolijke praatjes en gevatte theorieën, maar op eenvoud en kracht en saamhorigheid, zoals de mannen die gezamenlijk in de deuropening die niks hoeven te zeggen en toch een duidelijke mening hebben.
Tom Joad vertrok naar het beloofde land. Echter, bij de poort van de eerste de beste goed omheinde perzikboomgaard bleek de familie Joad niet de enige te zijn. Honderden arbeiders verdrongen zich voor het hek, en de lonen bleken een schijntje te zijn van wat de pamfletten vermeldde.
We hebben werk voor honderd mensen, voor dit loon. de rest kan vertrekken. Wil je niet voor dit loon werken, dan kun je ook vertrekken. Een ander neemt jouw plek wel in.
Woody Guthrie, over hem later meer, verwoordde het in een van zijn Dust bowl ballads zo:
Lots of folks back East, they say, is leavin' home every day
Beatin' the hot old dusty way to the California line
'Cross the desert sands they roll, gettin' out of that old dust bowl
They think they're goin' to a sugar bowl, but here's what they find
Now, the police at the port of entry say
You're number fourteen thousand for today
(uit: Do Re Mi)
Tom Joad zag het onrecht en protesteerde. Hij sloot zich aan bij de voorlopers van de Amerikaanse vakbond. Niet geliefd in die tijd in Amerika, de vakbeweging, en eigenlijk nog steeds niet. In het land waar de mogelijkheden onbeperkt zijn, maar je wel voor jezelf moet zorgen omdat simpelweg niemand anders dat doet, werden vakbondsmensen gezien als communisten, en communisten waren praktisch vogelvrij.
Als er over het werk en over het loon gepraat wordt vraagt Tom Joad zich hardop af: Die perziken moeten meteen geplukt worden, hè? Zodra ze rijp zijn? Nou stel dat die mensen bij elkaar komen en zeggen: 'Laat ze verrotten.' Dan zou het heus niet lang duren voor de prijs omhoog ging.
De reactie van een jongen die al langer in Californië zit: Ze zullen je in een sloot vinden, met opgedroogd bloed op je mond en je neus.
Een Springsteencover op een boksgala in Zwaag
artikel voor Wahwah 4, november 2006 (fragment)
In de popmuziek wordt het spelen van covers nog wel eens als een teken van zwakte gezien, in de Amerikaanse rootsmuziek is het spelen van een cover eerder een verplichting. Het geeft de muzikanten een kans te laten zien waar hun roots liggen, wie hun voorbeelden zijn en hoe ze tegen hun idolen aankijken. Het rootspubliek luistert kritisch naar covers; een cover is een proeve van bekwaamheid. En soms is het een eer om goed gecoverd te worden. Zo kwam Johnny Cash op zijn fenomenale American Recordings met covers uit onbekende hoek, zoals bijvoorbeeld Your own personal Jesus van Depeche Mode. Dat is roots: ongeacht de genres speel je een liedje om de kracht die van het liedje uitgaat. Een goed liedje, daar kan geen mens omheen. In de meeste gevallen blijft de muzikant bij zijn genre, maar wat als DJ Jean een nummer covert van Bruce Springsteen? Dan schenkt een boksgala in Zwaag de oplossing. Zwaag ligt vlakbij Hoorn.
Factoren buiten het liedje kunnen veranderen: politiek, actuele gebeurtenissen en economische bloei of crisis; een goed liedje komt keer op keer in een ander daglicht te staan, maar blijft actueel. Toen Springsteen dit jaar met zijn We shall overcome kwam en weer volledig terug naar zijn roots ging twijfelde niemand eraan dat de huidige situatie in Amerika en in Irak van invloed waren op de plaat, terwijl daar voornamelijk songs van het begin van de vorige eeuw op staan. De liedjes worden door de actualiteit ingehaald.
Nu zullen er lezers zijn die denken: Wat is er nou roots aan Bruce Springsteen? Denk zijn patserige E-street band weg, luister goed naar zijn teksten en naar de liedjes op Nebraska en op The ghost of Tom Joad. In 1995 zag ik hem in zijn dooie uppie Carré betoveren en veranderde hij voor mijn ogen in een protestliedjeszanger.
Protest en roots, dat gaat ook goed samen. Protest is van alle tijden, protestliedjes grijpen terug op die tijden. Bob Dylan heeft het in zijn autobiografie uitvoerig over Woody Guthrie. Daar luisterde hij naar toen hij negentien was en op sommige platen van Dylan hoor je Woody meezingen. This land is your land blijft een van de pijlers van de Amerikaanse muziek en gelukkig weet de oplettende luisteraar een onderscheid te maken tussen nationalisme en oprechte betrokkenheid. Dat is soms moeilijk. Born in the USA gaat toch echt over een mislukkeling van een kerel die dat gevoel van mislukking te lijf wil gaan, maar het nummer wordt door negen van de tien serieuze muziekliefhebbers in Nederland tot patriotisch deuntje vervloekt om het schreeuwerige refrein en het gebruik van de Amerikaanse vlag op de hoes. Het is moeilijk te vergeven, maar soms doen nevenfactoren de oren sluiten en wordt persoonlijke politiek verheven boven universele tragiek.
Dat is ook een sleutelwoord: tragiek. Liedjes van Hank Williams, Woody Guthrie en The Carter Family leven voort door de directe en eenvoudige vertolking van tragiek. Dit zet aan tot coveren. Steve Earle was the hardcore troubadour, tot hij eind jaren '90 opeens in pak en met baard in Paradiso verscheen temidden van The McCoury Brothers, een mannenfamilie die bluegrass drinkt en eet en ademt. Het werd een legendarisch concert, omdat Earle zich volledig ten dienst stelde van de oude verhalende liedjes en ze samen de tragiek voelbaar maakten.
Gelukkig is een groot aantal muzikanten in staat dit heden ten dage met eigen werk te doen, wortelend in de traditie van directe tragiek. The Gourds zingen: Get the to a nunnery, get the to a nunnery. En je hoort: Naar het klooster met die trut! Een nieuwe favoriet is Nels Andrews, een oud-houtsnijder die afgelopen winter in Nederland was. In zijn liedje over zwerven en parkbankjes en liefde zingt hij als afsluiting van het refrein: But can you keep me home? Een vraag zo eenvoudig en toch zo verstrekkend. En over Nels Andrews gesproken; tragiek kleeft aan de ware rootszanger: tijdens zijn kleine Europese tour langs kroegen en obscure zaaltjes werd in Parijs zijn volledige honorarium gestolen. Zat in de kontzak van een van de bandleden.
Ook een flink aantal vrouwelijke muzikanten vertokt tragische rootsmuziek: de onvermijdelijke Emmilou Harris, de hemelse Allison Kraus en de immer getergde Gillian Welch. Hun muziek kwam door de soundtrack van de O-Brother-film van de Coen broertjes onder de aandacht van een miljoenenpubliek. Inmiddels ligt de soundtrack van die film bij Get Records in de ramsj en draai ik mijn Gillian Welch cd's ombeurten en schieten keer op keer mijn ogen vol als ze zingt:
I had a daughter called her Annabelle
She's the apple of my eye
Tried to give her something I never had.
Didn't want to ever hear her cry
In het volgende couplet ligt Annabelle op het kerkhof.
Tragiek is tijdloos, het vraagt alleen om een goed moment. Toen Patti Smith in de jaren tachtig Because the night vertolkte maakte ze van het bestaande nummer, niet het meest subtiele Springsteen-liedje dat te vinden is op de zwarte live-cd van Springsteen, een vrouwelijke versie. Vanuit het perspectief van een vrouw klinkt Take me now baby here as I am schrijnender dan wanneer Bruce het zelf zingt. Een prestatie die direct het label 'geslaagde cover' verdient.