Mijn grappige familie
bij film op Wintertuin, november 2011
Op verjaardagen waren we buiten, soms met jassen aan. Mijn ooms dronken bier en deden grappig. Ze deden elkaar na of vertelden moppen.
Soms deed een van hen alsof hij Jack Johnson was die een neger tegen de grond sloeg. De oom die de neger nadeed maakte apengeluiden.
Eén oom kon heel goed een paard na doen. Ze imiteerden komieken die we kenden van de bioscoop. Charlie Chaplin. Buster Keaton.
Er zat een gat in de heg waar mijn ooms doorheen liepen als door een haag van mensen.
Een andere oom vertelde iedere keer de mop van de kip. Dan vroeg hij mijn moeder: Wat zegt een kip als hij tegen de muur loopt? Tok.
We hadden een hond die op een vos leek en die we Foxy noemden. Er was ook vaak een zwarte hond, maar die was niet van ons.
Ik hield graag mijn moeders hand vast, vertelde ze me later. Ze wilde dat niet, die hand. Ook geen andere handen. Het leek wel spelen. Maar het voelde niet als spelen.
Mijn moeder had een ranke hals. Ze was niet mooi, mijn moeder. Ze had een tik. Een trilarm. Ze hield die arm tegen haar lijf.
Mijn ooms hadden grote handen en lachten hard. Mijn moeder is niet gek. Oma zwaaide.
De oom die Churchill na kon doen zei tegen mijn moeder: Ken jij die mop van de mummie? En dan schudde ze haar hoofd waarop hij zei: Ingewikkeld hè.
Ik herinner me bezems en een bijl. Ze rookten sigaren. Ze rookten sigaretten.
Mijn dikke oom vertelde iedere verjaardag het verhaal van hoe mijn ouders bij elkaar gekomen waren.
We waren een van de eersten met een auto. Ook als ze deden alsof ze iemand hadden doodgereden moest ze lachen. Ze deden grappig. Ze deden grappig en ze schreeuwden.
Ook als de Churchill-oom vertelde over mijn moeders rijlessen. Dan zei hij dat ze voor het stoplicht stonden en dat de instructeur tegen mijn moeder zei: Het is groen. En dat zei zij: Eh… een kikker?
Die auto was heel wat. Nu heeft iedereen een auto. Niemand draagt meer een hoed. Mijn broer, die is er niet meer, die had een pet. Ik had ook een pet, of een mutsje.
Hoe ze bij elkaar kwamen. Mijn moeder kwam een café binnen met een papegaai op haar schouder, en mijn vader zat daar aan de bar, met vrienden. Dan zei mijn moeder: Degene die raadt wat voor dier er op mijn schouder zit, mag met mij mee. Mijn vader antwoordde: Een krokodil. En mijn moeder zei: Dat reken ik ook goed.
Een oom zei dat mijn moeder met een vis bij de dokter kwam en dat de dokter zei: Hij is uit de kom. Mijn moeder moest altijd lachen om de mop van de vis. Met haar trilarm tegen haar lichaam.
Een oom vertelde graag de mop van het ijsje. Mijn moeder zou een ijsje krijgen als ze binnen drie pogingen in haar handen kon klappen. De eerste keer mis. De tweede keer mis. De derde keer: Klap. Ze gaven haar een ijsje in haar trilarm, en mijn oom deed het voor, zijn vuist met een onzichtbaar ijsje erin tegen zijn bril. Lachen.
Er was een kat. Die was van de buren. Een slome kat. Bezems herinner ik me. Ze deden alsof ze haar met een bezem sloegen. Ze lachten. Mijn moeder lachte ook.
Die auto, ze deden grappig met die auto. De Churchill-oom ook. Grappig met hoeden en deuren. Sigaren. Een auto. Lachen.
Apen konden ze na doen. Met geluiden en springen en grappig lopen.
Mijn moeder vertelde me nooit hoe het echt was, toen. Ze zegt: Nu komen zulke dingen op televisie, bij Funniest Home Videos, maar toen deden wij dat ook al. Grappig.
Ze deden grappig in de speeltuin. We hadden een auto en reden naar de speeltuin. Hup. Harder.
Ze deden alsof ze dronken waren.
Ze vroegen: Wat is Laurel en Hardy in het Duits? Nou? Laurel und Hardy.