Met mijn dochter ging ik naar een avond over verhalende journalistiek. Dat was omdat ik eerst met mijn dochter naar een concert van Katy Perry was geweest en daar een stuk over had geschreven in Vrij Nederland. Dat verhaal werd tot de tien beste verhalende journalistieke verhalen van vorig jaar gerekend, en alle makers van die documentaires, podcasts of geschreven verhalen kwamen bij elkaar in de Brakke Grond aan de Nes in een programma dat vooral ging over de sturende hand van de makers.
Ik werd voor het publiek geïnterviewd. Ik vertelde dat ik negentig procent van het verhaal al geschreven had voor we naar het concert gingen. Ik moest alleen bij het concert goed op de volgorde van de liedjes letten, dat moest kloppen met mijn verhaal.
Verontwaardiging in de zaal. Er waren een paar strenge journalisten aanwezig die zich bezighielden met feiten checken en met hoor en wederhoor, en met een heleboel andere journalistieke principes.
Een man vroeg wat mijn opdracht was. Ik zei dat ik Vrij Nederland had gemaild: ik ga met mijn dochter naar Katy Perry, is het goed als ik daar een stuk over schrijf?
Er kwam al snel een antwoord: Ja, dat is goed.
Dat was in januari vorig jaar. De lading die het verhaal nu heeft was er toen nog niet, of in ieder geval niet dusdanig dat ik een verhaal had. Alleen mijn dochter en ik naar een concert, dat is te weinig voor een verhaal. Die lading kwam in het voorjaar pas. Het concert was eind mei.
Nog meer vragen uit de zaal: Maar kloppen de feiten wel?
Voorafgaande aan de avond had ik een geluidsfragment ingesproken. Dat werd daar afgedraaid.
‘Ze zit zwaar op mijn schouder. Meisjeslijf, lange meisjesbenen. Bambi. Ik hou haar knieën vast.’
Ik hoorde mijn eigen brommerige stem deze zinnetjes voordragen en dacht meteen: Bambi? Ik zat daar helemaal niet met Bambi op mijn schouders. Klopt niks van. Feitencheck, niks.
Dus ik vertelde dat het verhaal mijn verhaal is, en dat het gevoel achter het verhaal mijn gevoel is en dat die Bambi een beeld is dat staat voor mijn dochter op mijn schouders. Het zijn beelden, metaforen. Dat is een verhaal.
De strenge journalisten zwegen. Hier konden ze natuurlijk helemaal niks mee. Het werden norse journalisten die verder niks meer tegen me zeiden, ook niet na afloop. Ik voelde me een afvallige en een indringer, in het domein van de kwaliteitsjournalistiek, waar alles moet kloppen en waar verhalen in orde zijn. Verhalen die niemand iets doen en die de volgende dag in de kattenbak liggen, maar wel met de juiste feiten.
Ik moest me in die zaal verdedigen, ik moest laten zien dat mijn manier van schrijven en persoonlijk onderzoek en het overbrengen van een gevoel ook waarde en betekenis heeft. Daar had ik geen zin in. Ik kan me prima verdedigen als ik aangevallen wordt op gebied van schrijven, dan weet ik welke keuzes ik maak en wat andere schrijvers doen. Allemaal eender. Maar journalisten die niet willen dat een schrijver met een persoonlijk verhaal komt, daartegen verdedig ik me niet. Het was alsof ik van een voetbalveld afgestapt was, met kicksen aan en modder tussen de noppen, zo een gymzaaltje in waar wat zaalvoetballers rondhingen.
Dat is trouwens een vergelijking. De Brakke Grond is geen zaalvoetbalhal. Ik had ook geen kicksen aan.
Het werd dus een vervelend gesprek, al vond ik het sarren wel leuk. Het ingaan op die vragen.
Mijn dochter werd ook geïnterviewd. Na het gesprek over de feiten en de check van de feiten vroeg de gesprekleidster haar: Maar was het wel leuk bij Katy Perry?
Mijn brave dochter zei in de microfoon: Ja ja, het was heel erg leuk.
Ik stond naast haar, keek haar aan en zei zachtjes: We zijn er helemaal niet geweest.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen