Die volgende ochtend begon het vechten weer.
Afspraken, instanties, begeleiding, het zoeken naar een manier waarop… het vinden van een eenvoudig… mailen, vragen, smeken. Welke wapens zet ik in? Zakelijk blijven, duidelijk, weer uitleggen. Geduld.
Steeds denk ik aan het gezicht van mijn dochter, vlak voor ze ging slapen. In de badkamer.
Zitten we hier in de badkamer, zei ze.
Ik zat op de rand van het bad en knikte. Dit is mijn kantoor, zei ik.
Ze veegde haar tranen weg en moest toch even lachen.
Na een geweldig weekend met een turnwedstrijd, die ze zo goed deed dat ze naar de volgende ronde van het regiokampioenschap mag, en vriendinnen op bezoek de dag erna. Een weekend met spanning, maar goeie spanning voor een meisje van elf, omdat een radslag doen op de balk in een sporthal nu eenmaal spannend is. Een weekend met veel onbezorgd plezier, omdat bezoek en vriendinnen dat geven. In het laatste uur van dat weekend toch weer die zorgen. En tranen.
Ze gaat op bezoek bij haar moeder, een moment in de week. Maar hoe ziet dat eruit, wat gaan ze doen? Wat kan haar mama doen? Is er lunch?
Ik zet muziek op. Met een gitaar en melodietjes die me helpen.
Haar zorgen over bezoek aan haar moeder. Dat ene moment is inmiddels zo klein en minimaal dat je zou denken dat het wel te regelen valt, dat er even iemand op kan letten, dat we toch met z’n allen inmiddels wel weten wat er moet gebeuren.
Dat zijn vergissingen, en helaas weet zij dat ook vlak voor ze naar bed gaat en ik haar goedenacht wens en welterusten zeg, als ze heel stil in de deuropening van de badkamer staat. Ik ga nog niet naar beneden. Op een traptrede blijf ik staan.
Ik weet wel wat er is, maar ik zeg niks. Ik laat het haar zeggen.
Dat doet ze.
Over woensdag, zegt ze.
Dan weet ik genoeg.
We praten. Ik weet dat ze haar moeder wil zien op woensdag. Ik weet dat ze wenst dat het beter met haar moeder gaat. Ik weet dat ze daar niet alleen moet zijn. Dan gaat ze zorgen voor. Even dit, even dat. Glaasje water pakken, broodje smeren.
En wat ze ook steeds weet: aan haar moeder moet ze niks vragen, niks van wat zij nodig heeft, een meisje van elf. Ze zal aan zichzelf wel van alles vragen, en nog meer vragen.
Ik weet ook: morgen ga ik weer vechten.
De liedjes helpen. Hij zingt: Schepen met gaten erin zullen zinken.
Het probleem met liedjes is: iedere zin gaat over alles wat er op dit moment gebeurt.
In de badkamer zei ze: Ik vind het moeilijk.
Natuurlijk. Er wordt aan haar getrokken, een beroep gedaan op haar loyaliteit, dat is niet uit te schakelen.
Ja hoor, bezoek kan wel. Ja hoor, er is iemand bij. Ja hoor, dat regelen we onderling wel, aan de vader vragen we niks. Anders zegt hij: er moet dit geregeld, er moet dat geregeld.
En een meisje van elf voelt wel aan dat er niks geregeld gaat worden, dat er dus van alles aan haar gevraagd wordt. Onzekerheid, zorgen, gezeik.
Ik zeg dat de rol waar ze in zat niet meer hoeft. Ik stel haar gerust. Wat moet ik verder zeggen? Welke woorden passen?
Welterusten.
En laten zien dat ik voor haar vecht.
Natuurlijk sliep ze onrustig. Ik sliep ook onrustig.
Wat moet ik schrijven, de volgende dag? Maandag. Dat ik die ochtend een vogelnestje heb ontdekt in de schutting bij de schuur? Tussen de klimop. Dat ik mijn jongste zoon dat liet zien en dat hij bij de opvang kwam en tegen de juf zei: Vogelnestje.
Natuurlijk gaat dat allemaal door, maar dan is het vechten nog niet eens begonnen. Mailen, instanties benaderen, update, herhaling van zetten, wat hier aan de hand is, wat wij vragen…
En dan nog een verhaaltje schrijven? Fictie?
Die liedjes doen me huilen. Daar zijn liedjes voor.
Eerst haar zien huilen in de badkamer en het enige wat ik kan doen is haar gerust stellen. Zelf huilen, daar heeft ze niks aan.
Vechten, mailen.
Als de hele kolerezooi de deur uit is en overal de trage vastgeroeste radartjes weer piepend gaan draaien gaat de muziek aan en schrijf ik alles op en als er ook maar één iemand is die heel voorzichtig zegt: ‘misschien moet je dit niet opschrijven’, dan gaat de muziek nog even een tikkie wat harder en tik ik ook wat harder, want ik schrijf alles op.
Ieder gevecht heeft zo zijn wapens. Ik heb woorden. Ze zitten alleen stevig vast, het duurt even voor ze los komen.
Muziek helpt.
En dan wacht ik op een bericht van haar, helemaal aan het einde van de schooldag. Dat ze bij een vriendin gaat spelen of dat ze naar huis komt, dat maakt niet uit. Antwoorden, alles is goed, tot zo.
En toch vreemd, zorgeloos zijn in een stad, op een fiets, midden in het leven, en zorgen hebben over je moeder, en daar ook steeds voor moeten vechten. Of daar tegen. Voor zichzelf.
Ze gaat naar een vriendin.
Ik zie je straks, zeg ik.
Dat zijn eenvoudige sterke woorden die laten zien: ik ben er voor haar.
Tot zo, zegt ze.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen