Buun, oktober 2010

In de trein trok ik mijn pak aan. Het was februari 2007 en ik reed naar het zuiden. Ik verwisselde mijn broek en shirt en de rest van mijn pak en ik wist toen nog niet dat een carnavalspak in Venlo een pekske heet. Beter nog: een Vastelaovespekske. Ik moest nog veel leren en met mijn vijfde Vastelaovend inmiddels in het vooruitzicht durf ik te zeggen dat ik het festijn inmiddels iets beter begrijp. Iets.
Ik ken het Brabantse Carnaval. Ik woon twintig jaar in Amsterdam, maar ik ben opgegroeid in het gebied tussen de Bergsche en de Afgedamde Maas, kleigrond bevolkt door gereformeerden en hervomden die niks van Carnaval willen weten en een hitsige groep jongeren die smachten naar een feestje. Dus trokken we ieder jaar met een groep de Maas over, in onze goedkope pakken op de veerpont, en vierden een paar dagen feest in Raamsdonksveer, in Oosterhout, Breda, Geertruidenberg of Bergen op Zoom.
Het Brabantse Carnaval verschilt op twee punten essentieel van de Venlose Vastelaovend: De Brabantse liedjes zijn minder subtiel en in Brabant volstaat een boerenkiel en een paar ovenhandschoenen aan een koord als pak. Ik heb mijn complete jeugd in een oude geel-bruin gestreepte pyama gelopen waar mijn moeder een washandje in had genaaid, een binnenzak waar ik mijn muntjes, geld, pakje shag en aansteker in kon doen. In Venlo is werkelijk iedereen prachtig uitgedost.
De Venlose leedjes zijn wonderschoon. In Brabant klinken de Carnavalskrakers die in de aanloop naar het feest op 3FM gedraaid worden met tussendoor de oude nummers over Grote bloemkolen en Van achter bij de schouders. Het verschil schuilt in de gelaagdheid. In Brabant zingen ze dat ze gisteren zo veel gezopen hebben. In Venlo zingen ze: ‘Ik had gisteren zo’n dorst.’
Het is moeilijk de Venlose liedjes te leren. Alleen op het gehoor lukt niet, je moet de teksten er echt bij zoeken. Als groep hebben we heel lang: ‘De zon komt op voor een dubbeltje’ gezongen, wel met flinke toeten bier in de hand.
Vorig jaar februari stond ik op het perron van station Amsterdam Amstel met een enorme tas waar mijn pekske, mijn boerenbruiftskostuum, tandeborstel, slaapshirt, extra schoenen en een voorraad Elstar-appeltjes in zaten. Er liepen wat jongens in blauwe kielen met sjaaltjes en een van hen vroeg me of ik ook naar de Carnaval ging. Ik zei: ‘Nee, ik ga naar de Vastelaovend.’
Dat was een overwinning, want ik kwam werkelijk los van het Brabantse Carnaval en voelde me op dat tochtige perron sterk verbonden in Venlo.

Dat begon al die zondag in 2007, ik werd met open armen ontvangen. Toen ik in mijn Schotse kilt met jasje en rode pruik, kousen met klosjes en stevige schoenen van het station de stad in liep werd ik bij het eerste dranghek al door een vrouw aangesproken. Ze herkende mijn pekske en zei: ‘Jij bent één van de Amsterdammers.’ En vervolgens vertelde ze me waar het hotel was en waar de rest van de Amsterdammers waarschijnlijk op dat moment uithing. Het was hartverwarmend.
Die positie is langzaam verworven. Een deel van de Amsterdammers, allemaal vrienden van een gezellige Amsterdamse voetbalclub, trekt al elf jaar naar de Vastelaovend, een mooi getal. Een paar dingen zijn daarbij belangrijk: we proberen te zorgen voor een thema, voor mooie en praktische pekskes, we beginnen in september met sparen zodat we flink kunnen lappen en geen dorst zullen krijgen, en we leren de liedjes. Dat wordt gewaardeerd in Venlo. Authentieke Venlonaren zijn oprecht ontroerd als tien Amsterdammers Eine echte Venlonaer meezingen.

Ook dat lappen zet onze positie in Venlo kracht bij: We zorgen voor omzet. Vooral in de Loco, waar jongeren twee muntjes per keer aanschaffen aan de muntenbalie. Afgelopen winter waren we te gast bij het Höfbal van de Pimpelaers, in Old Dutch, en daar zeiden we tegen de chef van de Loco dat we dit jaar niet konden komen met de Vastelaovend. Er trok een onweersbui over haar gezicht.
Het gevoel dat je welkom bent is essentieel voor een geslaagde Vastelaovend. Hotel Puur laat dit ieder jaar blijken, want in oktober komt er steevast een telefoontje met de vraag of we er de komende Vastelaovend weer bij zijn. ‘Natuurlijk,’ is dan het antwoord. ‘Weer dezelfde verdieping, asteblief.’

Vanzelfsprekend blijven we buitenstaanders. We zijn niet opgegroeid met de muziek en met de optocht, we kennen niet alle tradities. Langzaam leren we de verschillende facetten kennen en ontstaan onze eigen tradities. De kop erwtensoep in de middag op de Mert om de hongerklop tegen te gaan. De voorbereidingen op Amsterdamse marktjes, waar ze ons inmiddels ook al kennen en waar we bij vijftien graden vorst in januari shirtjes staan te passen. Het ontbijt met eieren met spek van Puur. De bankjes achterin de Keulse Kar. De groepsfoto in de nacht op het bordes van het stadhuis.
Soms zijn de ervaringen uiterst subtiel. Afgelopen jaar stond ik bij de portiek in de bevroren Gasthuysstraat toen daar een Joekskapel speelde en zag ik een trompetist zijn vingers warmtoeteren toen de anderen even stil waren en dat geluid, van die ene trompet, keert nog vaak terug in mijn hoofd en draagt de Vastelaovend, ook als het zomer is, ook als het kerst is. Een dag later hoorde ik een man Ein jaor zingen op de Mert en zag ik de tranen in de ogen van de mensen in hun Boerenpekskes, een collectief gevoel van verdriet en ook van hoop en de zekerheid dat het volgend jaar weer Vastelaovend is en dat ook dan alles weer schitterend zal zijn.
Ieder jaar gaan er nieuwe Amsterdammers mee. Sommigen hebben het na een dag gezien, anderen blijven plakken en zetten het jaar erop alvast in de agenda en leren ook de Vastelaovend te vieren. Leren is nodig. Je moet de sfeer leren kennen. Je moet leren hoe je de tijd kunt overwinnen, want drie of vier dagen achter elkaar is lang en zwaar. Je moet de energie van het feest opsnuiven en aan het feest teruggeven om de dagen goed door te komen.
Wat ieder jaar hetzelfde is: De treinreis terug is de hel. Dan rij je naar Brabant en stap je bij Eindhoven in een forensentrein, met de schmink nog onder je ogen en je oren suisend van de muziek en je lijf bonkend van het bier, en dan moet je anderhalf uur terug naar de stad waar je graag woont, maar waar de realiteit zo verschilt van de Vastelaovend dat het is alsof je in een grote gele tijdmachine zit, en dan denk je eigenlijk alleen maar: ’n Jaor det kin vleege, ’t Is zoë veurbeej. Veur we ôs misse, zien weej weer beejein.

Jan van Mersbergen