Sport in de oorlog, april 2010 (fragment)

Op een etagewoning op driehoog aan de Amsterdamse Nassaukade kijk ik samen met de twee dochters en de kleinzoon van Luc van Dam naar filmbeelden van deze legendarische bokser.
Een bijzonder beeld in de film: zes mannen die door een kaal landschap joggen. Ze plaatsen stoten, maken schijnbewegingen, duiken en blijven lopen. Achter deze boksers fietst een man in een lange zwarte jas. Hij heeft een hoed op.
‘Zie je dat?’ zegt Ilona, de jongste dochter. ‘Het ziet eruit alsof ze in de polder lopen, maar dit is hartje Rotterdam.’
Als de boksers een bocht maken, rennen ze langs stukken puin die als een wal langs de weg liggen. In het laatste beeld lopen ze voor de Laurenskerk langs waarvan de helft nog overeind staat.
‘Dit is vlak na het bombardement,’ legt oudste dochter Bianca uit.
Deze beelden zijn exemplarisch voor het Nederlandse boksen in de oorlogstijd. De rookwolken van het bombardement waren amper opgetrokken en het hart van Rotterdam lag in puin, maar de boksers waren volop in training. Ondanks de oorlog zijn de gezichten van de mannen onbezorgd, vrolijk haast. Ze dollen onderling en lachen.
De haast onbezorgde filmbeelden van de boksers in Rotterdam staan ver af van de verhalen die we uit de periode tussen 1940 en 1945 in Nederland kennen: over bezetting, onderdrukking, angst, onmenselijkheid, deportaties, razzia’s en uiteindelijk genocide. De dochters van Luc van Dam beseffen dat het met hun vader en hun Joodse moeder heel anders had kunnen lopen. Het is alsof er een schaduw over hun ogen valt. Veel zeggen ze er niet over, die middag in Amsterdam-West, en op mijn beurt vraag ik niet veel. Zwijgen is meer op zijn plaats.
Bianca rookt een sigaret.
Haar zus Ilona zegt: ‘Het is niet te vatten.’
Kleinzoon Harm knikt.

In het Duitsland van de jaren dertig was boksen één van de grootste en populairste sporten. In Mein Kampf beveelt Hitler de sport van harte aan. De nazi’s zagen boksen als een geschikt middel om de suprioriteit van het Arische ras te etaleren. Faciliteiten voor de bokssport waren goed. Er werd gevochten in grote zalen met veel toeschouwers.
Het boksen in Nederland lag in die jaren vrijwel geheel op zijn gat. Dat had vooral te maken met de gemeentelijke boksverboden die vrijwel overal in Nederland golden. Boksen was barbaars. De voornaamste reden voor de boksverboden was dat er in Scheveningen een bokser was doodgeslagen. Ook in de huidige tijd laait de discussie over het verbieden van boksen vooral op na dergelijke incidenten, zoals in 1995, toen James Murray tijdens een partij om de Britse titel in het bantamgewicht overleed.
Voor de oorlog was het boksverbod in Amsterdam berucht. Daar konden slechts bij grote uitzondering bokswedstrijden plaatsvinden. Zo werd er tijdens de Olympische Spelen van 1928 wel gebokst, zodat Bep van Klaveren de Olympische titel kon veroveren. Ook was er nog een wedstrijd in Tuschinski tussen een man en een kangaroe.
Toen voor de oorlog in Amsterdam de discussie over het opheffing van het verbod op gang kwam reageerde burgemeester Willem de Vlugt, die van gereformeerde huize was en lid van de ARP (Anti Revolutionaire Partij), als volgt: Wie bloed wil zien, gaat maar naar het abattoir.
Rotterdam kende in die jaren wel een acceptabele boksgeschiedenis. De man die in Rotterdam het boksen op poten had gezet, was de man in de lange jas op de fiets uit het filmpje: Theo Huizenaar. Toen de Duitsers in mei 1940 Nederland waren binnengevallen en het land was bezet, werden snel daarna de boksverboden opgeheven. Dat was goed nieuws voor Huizenaar. Hij had zelf kort gebokst, maar gaf voornamelijk boksles en organiseerde bokswedstrijden. De komst van de Duitsers bood hem kansen.
Tijdens het bombardement op Rotterdam was de boksschool van Huizenaar verloren gegaan. In de eerste oorlogsweken kreeg hij een nieuwe locatie toegewezen op de bovenverdieping van een schoolgebouw aan de Voorschoterlaan. In zijn biografie schrijft Huizenaar: ‘Aanpakken, niet gaan zitten kniezen.’ Die praktische houding is in het vervolg van de oorlog kenmerkend voor Huizenaar. Vlak na het bombardement fietste hij al weer achter zijn boksers aan. Hij zag eerder kansen dan bedreigingen.
In Rotterdam boog Huizenaar met de Duitse bezetters mee, in Amsterdam waren Joodse boksers in 1941 betrokken bij de februaristaking. Uit het dagboek van Salomon de Vries: ‘Maandag ontwaakte de veerkracht en de jonge joden gingen zich onder leiding organiseren. Er waren kerels op de Jodenbreestraat, geoefende worstelaars en boksers en zij durven hun man in de ogen te zien. Maandagmiddag en -avond werd er gevochten met ijzeren staven en ander materiaal dat te vinden was.’ De boksers trainden bij Richter Joshua, een Joodse boksschool. Zij bewaakten in die dagen de Amsterdamse Jodenbuurt aan de oostkant van de Amstel.
In eerste instantie organiseerde Theo Huizenaar in Rotterdam benefietavonden ten bate van de slachtoffers van het bombardement. Boksers die voor de oorlog al bekend waren, kwamen in de ring: Jo de Groot, Jan Nicolaas, Nico Diessen, Jan de Bruin, en Dorus Elten, die de laatste maanden van de oorlog in Kamp Amersfoort zat. Elten overleefde de oorlog en bokste daarna nog twaalf partijen, die hij allemaal verloor.
Een bezoek van de Gestapo aan zijn boksschool leek een bedreiging te kunnen zijn voor Huizenaars ambities. Huizenaar had een instructeur die lid van de NSB was, de toegang geweigerd. De bokspromotor maakte zich er vanaf door te vertellen dat deze man een betalingsachterstand had. De Gestapo accepteerde het verhaal, maar drukte Huizenaar op het hart ervoor te zorgen dat er geen klachten meer over zijn boksschool binnen zouden komen, want, zo zei de Duitser, ‘Sport staat boven politiek.’ Dat is precies de tekst die Huizenaar direct daarna op een muur van zijn boksschool kalkte.
Vanaf het moment dat Theo Huizenaar zijn boksschool veilig stelde, ging het balletje voor hem rollen. Hij organiseerde wedstrijd na wedstrijd en de zalen zaten vol. Het grootste probleem voor Huizenaar was dat veel boksers te werk gesteld werden. Bij Oberinspektor Kania, die op het arbeidsbureau in Rotterdam aangesteld was, wist hij een werkvrijstelling voor Luc van Dam te regelen. Hij had hiervoor een pakje Consi-sigaretten gebruikt dat op de zwarte markt 40 gulden waard was. Bovendien had Huizenaar het geluk dat de Oberinspektor een boksliefhebber was die in het vervolg graag en in burgerkleding bij bokswedstrijden aanwezig was, samen met de Duitse bokspromotor Walter Englert, die een goede vriend van Huizenaar werd.
Na Van Dam werden nog andere boksers uit de stal van Huizenaar vrijgesteld van de tewerkstelling. Een van hen was Harry Staal, die met zijn Joodse vriendin opgepakt was en al in kamp Amersfoort zat toen Huizenaar verklaarde hem nodig te hebben voor bokswedstrijden. Onder druk van Englert lieten de Duisters Staal gaan. Zijn vriendin lieten ze niet gaan.
Een ander verhaal gaat over Daaf van Klaveren en zijn vrouw, beiden joods. Via de Belgische bokspromotor Pierre Brakkeniers regelde Huizenaar een vlucht naar Zwitserland, waar de Van Klaverens tot het einde van de oorlog konden blijven. Ze slaagden er zelfs in diamanten naar Zwitserland te sturen die de van Klaverens konden verkopen, om zo wat geld te hebben.
Deze anekdotes komen uit de biografie van Huizenaar, een bonte verzameling boksverhalen met als titel: De waarheid over de bokssport. Huizenaar’s biografie leest als een jongensboek. Zijn vertelstijl is vol bluf en bravoure. Over momenten van angst heeft hij het amper en zijn kwetsbare kant toont hij niet, zoals boksers tijdens een partij ook hun kwetsbaarheden liever niet laten zien. Natuurlijk kent de oorlog zijn helden en natuurlijk kent het boksen zijn helden, maar de verhalen in Huizenaars biografie staan echter bijna allemaal in dienst van zijn eigen imago, en afgezet tegen de schrijnende verhalen over boksers uit de oorlogsjaren geeft Huizenaars boek een waardevol, maar erg eenzijdig beeld. Bovendien heb ik geleerd dat boeken die in de titel ‘de waarheid’ verkondigen, het beste gewantrouwd kunnen worden.

Jan van Mersbergen