Ik ben opgegroeid in een dorp in de kop van Noord-Brabant. Inmiddels woon ik vijfentwintig jaar in Amsterdam, en altijd ben ik op zoek naar het dorp in de stad. De afgelopen drie jaar is de Marathonbuurt mijn dorp.
De buurt in Amsterdam Zuid bestaat vooral uit sociale huurwoningen, ingeklemd tussen de villa’s van de Apollobuurt, de Schinkel en de Willemspark, en de zuidkant van de Stadionweg waar vooral koopwoningen zijn, daarachter de kantoortorens van de Zuidas.
De centrale straat is de Marathonweg, die naam sluit ook goed aan bij het Olympisch Stadion, iets verderop. Dat stadion is heel bekend maar eigenlijk onzichtbaar in de buurt. Als ik vroeger uit moest leggen waar ik vandaan kwam dan noemde ik de Biesbosch, dat gebied kende iedereen. Ik kwam er echter nooit. Die rol heeft het stadion in mijn buurtje ook. Groot en bekend, maar ik kom er alleen als mijn kinderen daar sportdag van school hebben.
Niet de gebouwen maken van de buurt een dorp, dat doen de mensen.
Het begint met groeten. De mensen gedag zeggen, dat doen mensen hier. Ik ook, maar niet bij iedereen. Er zijn mensen die zich onttrekken aan die codes, daar zeg ik niks tegen. Twee keer goeiemorgen tegen iemand zeggen en twee geen antwoord krijgen, dan is het klaar.

Na het groeten volgen de gesprekken. Dat weet je wat er speelt.
De buurvrouw van twee deuren verder kletst graag. De overbuurman, tevens beheerder van de fietsenstalling, ook. De man met muts die vaak op straat is, die aan zijn auto rommelt, met dozen sleept, zijn dochter naar school brengt, en wiens hond los loopt op de stoep. En natuurlijk de mensen van de winkels.
De Albert Heijn aan de Stadionweg is in feite net zo’n dorpswinkel als supermarkt Groen in mijn Brabantse dorpje, inmiddels ook een Albert Heijn.
Ik ken de beveiligers die de scholieren van het Spinoza Lyceum vragen hun tassen bij de mandjes achter te laten voor ze naar binnen gaan.
Ik ken de vrouwen van de kassa: de oudere mevrouw die niet haar voornaam op het naambordje heeft maar Mevr, en dan haar achternaam. Steekt af tegen de meisjes met de moeilijke Marokkaanse namen en de altijd lachende Diana– ze weten allemaal dat ik geen bonnetje wil, net zoals de jongen van kiosk het Rokertje weet dat ik postzegels moet hebben als ik daar kom. Ik rook niet meer en kranten of tijdschriften koop ik zelden.
Ik hoop altijd dat de mannen van de toto bij het Rokertje zijn. Ik volg hun gesprekken.
Het zijn ouder mannen en het zijn allemaal voetbal-kenners. Ze weten wie er geschorst of geblesseerd is, welke teams er in vorm zijn. Maar vooral wordt bij het Rokertje duidelijk dat gokken een sociaal spel is, de gesprekken tijdens het invullen van de toto-uitslagen zijn belangrijker dan de winst of het verlies van het gokken.
Om de hoek zit een man sigaretten te roken op een tuinstoel. De stoel zit met een ketting vast aan de regenpijp. Hij zegt nooit iets maar knikt naar me als ik naar de glasbak loop of naar de snackbar aan de Olympiaweg. Hij doet me denken aan Mooiweer, een jongen met Down die in mijn Brabantse dorpje op de dijk stond en tegen iedereen zei: Mooi weer hè!
Bij slecht weer stond hij niet op de dijk.
De Marokkaanse jongens van de snackbar weten dat drie patat zonder moet hebben, en voor de kinderen een frikandel, een mexicano, en een bakje satésaus. Mayo en ketchup heb ik thuis.
Mijn dochter wil altijd mee als ik daar friet ga halen, ze weet dat ze een snoepje krijgt.
Ze vroeg een keer of ze ook een snoepje mocht voor haar broer, die blijft gewoon thuis. Dat mocht natuurlijk, de jongens van de snackbar vonden het heel lief van haar.
Toen ze de snoepjes aangepakt had zei ik: Maar je hebt helemaal geen broer.
Daar konden ze jongens van de snackbar wel om lachen.
Laatst vroeg de grootste van hen aan een man en zijn zoontje: Hoe is het met die lelijke hond van jullie?
Het zoontje zei: Die hond is knapper dan jij.
Het was de dialoog van een stad maar ook die van een dorp, omdat ze elkaar kennen.

Na het groeten en het praten is het belangrijkste van het dorpsgevoel in de stad: elkaar helpen.
Mijn benedenbuurvrouw was toen ik hier kwam wonen al ziek en opgegeven. Ik zette haar vuilnis buiten, of liet mijn kinderen dat doen. Ik bracht haar post naar de bus.
De benedenbuurvrouw was heel taai. Haar maag functioneerde niet meer, ze had veel pijn. De artsen gaven haar steeds een paar maanden of een half jaar, en steeds haalde ze dat en ging ze verder.
Ze gaf mijn kinderen ijsjes en snoep. IJsjes uit de vriezer. Niet te veel, zei ik dan tegen haar, maar daar trok ze zich niks van aan.
In november sprak ze me aan bij de deur. Ze wilde niet meer. Ze had met de huisarts overlegd en ging euthanasie plegen. Ze had zo lang geploeterd. Het leek een marathon, en een marathon is heel erg ver en vreselijk vermoeiend, hij eindigt op een gegeven moment wel.
Ik schrok van het nieuws. Het maakte duidelijk wat voor band we hadden. De benedenbuurvrouw met haar gesprekjes, haar geklaag over de woonstichting en het waterleidingbedrijf, hoe ze lachte naar mijn kinderen als ze ’s ochtends naar school gingen.
Dat was me zeer dierbaar. Als dat gaat verdwijnen voel je dat plots heel sterk.
Het ging heel snel.
Ze wilde eerst haar verjaardag nog halen, in december, maar in de week daarvoor belde ze me al op dat haar euthanasie vervroegd werd en een paar dagen later belde ze weer en toen zei ze: Kom je nog even langs? Het is vanmiddag geworden.
Ik ging langs, natuurlijk. We spraken op die laatste dag over mijn kinderen en over haar man die jaren terug al overleden was, en nu ging ze zelf. Ze liet me foto’s zien van haar leven.
We namen afscheid. We omhelsden elkaar en ze zei: We hadden het goed hier.
Ik ging weer naar boven en die middag haalde ik mijn kinderen van school en toen ik terugkwam was het benedenhuis heel stil. Mijn kinderen wisten ervan, die waren ook stil.

Jan van Mersbergen