Het Financieele Dagblad, november 2012

Mijn zoon had het plan Sinterklaas te ontmaskeren. Hij vroeg zich af wie de cadeautjes in de schoen stopt als hij – negen jaar oud – die schoen onder de schouw zet; Sinterklaas of zijn moeder? Op een of andere manier komt Sinterklaas alleen bij het huis waar hij met zijn moeder en zusje woont, niet bij mijn huis. Dat is hij gewend denk ik, we zijn sinds begin dit jaar uit elkaar.
Zijn plan was slim en eenvoudig. Hij zou de appels op de fruitschaal tellen. Als zijn moeder het was die de appel uit de schoen haalde en inwisselde voor een cadeautje dan zou ze die appel waarschijnlijk niet opeten, zoals het paard dat zou doen. Ze zou de appel terugleggen op de fruitschaal. Hij zou in de ochtend weer tellen, hij zou het ontdekken.
Nu is het herfst en heeft zijn moeder hem verteld dat Sinterklaas niet bestaat. Toch heeft de dikke folder van de speelgoedwinkel die half september bij mij op de mat viel voldoende aantrekkingskracht voor hem om er dagen in te bladeren, samen met zijn zusje, die nog wel gelooft. Met een pen kruist hij aan wat hij wil hebben, en hij adviseert zijn zusje. ‘Die moet je niet doen, dat is te duur, je kunt beter die doen. Dat gaat snel kapot. Daar moeten batterijen in.’
Mijn zoon richt zich op het ontvangen van de cadeaus. Ook al weet hij nu dat Sinterklaas niet bestaat en dat zijn ouders en opa’s en oma’s het zijn die de zak vullen, hij vraagt zich niet af of hij nu ook iets moet geven.
In Amerika vieren ze Thanksgiving, iedere vierde donderdag van november. Het is een oogstfeest, in feite. Wat in die naam schuilt: Dank voor het geven. De Nederlandse variant is de Dankdag voor Gewas en Arbeid, een vergeten protestantse feestdag waarop vroeger bedankt werd voor de oogst.
Geven en danken in één woord, dat vind ik mooi. Het afgelopen jaar heb ik ontdekt wat geven kan betekenen. In deze feestmaand mag geven meer aandacht krijgen. Sowieso mag geven meer aandacht krijgen.
Het ontdekken van het geven begon bij Vastelaovend, het Limburgse Carnaval dat ik iedere jaar in Venlo vier. Ik kwam erachter dat het belangrijk is een bijdrage te leveren aan het feest en daarna pas het feest terug te ontvangen. Eerst geven, dan nemen. Als je naar het zuiden gaat met slechts de intentie om van het feest te nemen, dan is je bijdrage aan het feest miniem en voeg je niks toe. Dat is niet vol te houden, want de kern van het feest is: Geef!
Die kern heb ik verpakt in mijn laatste roman, een boek dat op zijn beurt weer een bijdrage was aan de Venlose Vastelaovend.
Ik hou van televisieprogramma’s waarin geven geen platte een-op-een betekenis heeft. Het is mooi om een vrouw een presentator te zien omhelzen omdat ze in een spelshow een stereoset heeft gewonnen, maar die vreugde is grotendeels materieel. Een klein deel van die vreugde is het winnen op zich, dat is altijd leuk. Ik kijk graag naar Extreme Home Makeover. In die Amerikaanse show, door mijn zoon ‘Het O-my-God programma’ genoemd, wordt in één week een armoedig en slecht huis veranderd in een geweldige villa met ruimte, schone lucht, een tuin, themakamers, degelijke trapjes en deuren die wel scharnieren. De mensen krijgen een heel goed huis, maar wat gegeven wordt is veel groter. De gezinnen hebben vaak een gehandicapt kind of kinderen met allergieën of astma of iets anders. Dat probleem, die zorg, drukt op het gezin. De grootste opdracht is het huis zo te veranderen dat die beter kinderen een leven gegeven wordt. En dat lukt altijd, en de blijdschap gaat niet alleen om een nieuwe geluidsset, de vreugde is levensvreugde: O my God! En dan moet ik huilen.
Laatst kreeg ik een iPhone 5 cadeau. Een materieel cadeau. Ik was de mensen die me dat cadeau gaven zeer dankbaar, maar wist niet goed wat ik met die telefoon moest. Ik was er zelfs een beetje bang voor, een ander toestel. Ik legde de telefoon in de kast. Toen dacht ik aan een vriend uit Venlo die gek is van Apple en die vaak tegen mij heeft gezegd dat ik een fatsoenlijke telefoon moet kopen. De nieuwste iPhone had hij echter nog niet, dus ik vroeg hem of hij die wilde hebben. Hij was als een kind zo blij. Hij sms-te: Jaaaaaaaaa! Jaaaaaaaaa!
Ik antwoordde: ‘Als je maar niet meer klaagt over mijn telefoon.’
In de feestmaand aan het einde van het jaar worden cadeau gegeven uit naam van een ander, Sinterklaas of de Kerstman. Het is typerend voor onze cultuur. Geven doe je in bescheidenheid. Het ontvangen van een cadeau wordt makkelijker gemaakt omdat degene waarvan je het cadeau krijgt al door is naar de volgende schoorsteen of voordeur.
Mijn zoon weet wel wat hij wil. Laatst zei hij: ‘Ik wil dat jij met Sinterklaas bij ons bent.’
Dit wordt de eerste Sinterklaas sinds zijn moeder en ik niet meer samen zijn. Ik zei: ‘Dat doen we.’
Dus straks gaan zijn moeder en ik proberen samen Sinterklaas te vieren. Ik hoop dat het lukt. Ik wil graag het gezicht van onze dochter zien als zij haar cadeaus krijgt en ook wil ik graag het gezicht van mijn zoon zien die weet dat wij die cadeaus hebben gekocht. Dan speelt hij mee en zegt hij, zo luid dat zijn zusje het horen kan: ‘Dank u Sinterklaasje.’
Kerst hebben we nooit met cadeaus gevierd. Alleen met bezoeken aan opa’s en oma’s. Dat zal dit jaar ook anders zijn. Het zal gespleten zijn, maar ook rustiger. Hoe die dagen gaan verlopen weet ik nog niet. Voor de kinderen proberen er iets van te maken, dat is de opdracht. Dat voelt ook als geven. En daarbij: alles wat dwars en scheef zit tussen hun moeder en mij voor even wegdrukken.
Ik herinner me de vorige Sinterklaas. Ik voelde me niet lekker. Het enthousiasme waarmee de kinderen zich op de jutezak stortten, waarmee ze het pakpapier aan stukken scheurden en waarmee ze hun cadeaus ordenden en ermee gingen spelen, ik kon het niet goed voelen.
Ik weet nog dat ik een vuilniszak pakte en het pakpapier daarin stopte, en ook de verpakkingen van het speelgoed, karton en plastic. Ik wilde opruimen. De sporen van het feest uitwissen. Ik wilde het liefst dat het allemaal achter de rug was.
Dit jaar zal ik proberen dat anders te doen. Voor het kinderlijke enthousiasme bij het krijgen van een cadeau zal ik dankbaar zijn, net als voor het geven.

Jan van Mersbergen