Trouw, oktober 2014

Dinsdagavond, ik ging nog wat drinken bij café Bos in Amsterdam Zuid, aan de Amstelveenseweg, waar voornamelijk hippe koffie- of ijssalons zitten, restaurants met Thaise, Italiaanse of fusionkeuken. Tapas. Urban. Bos is de enige buurtkroeg. Café de Blauwe Reiger aan de overkant is ook prima, maar het was warm en we wilden buiten zitten. Café Bos heeft een terras.
We schoven aan bij een vrouw die shag rookte. Ze had in haar leven al heel veel shag gerookt. Ze dronk bier. Ik bestelde eerst koffie en daarna bier. De kroegbaas bediende ons buiten.
Toen het voetballen van de Champions League begon hoorde ik door het opengeschoven raam de mannen in het café praten.
‘Dat was geen penalty,’ hoorde ik iemand zeggen. En direct daarna een andere man: ‘Echt wel.’
Verder werd er niks gezegd en ook op het terras werd niet veel gezegd. Dat is een belangrijk kenmerk van een buurtkroeg: Er wordt niet te veel gepraat. Of: minimaal gepraat.
In de grote cafés in de stad, die vanaf een uur of tien in de ochtend open zijn, komen mensen samen om iets te bepraten. Ooit zag ik in de Balie aan drie tafeltjes naast elkaar redacteuren zitten, daar tegenover schrijvers, tussen hen in stapels papier. Dat is geen kroeg, dat is een vergaderruimte met bar. Ik doe dat zelf ook. Aanstaande maandag heb ik een afspraak in café de Jaren. Een project bespreken.
In een buurtkroeg komen mensen samen om iets te drinken, liefst dichtbij huis. ’s Ochtends koffie, ’s avonds bier.
Ketens als de Coffee Company of Starbucks zijn weer anders. Daar komen klanten geen koffie drinken of iets bespreken, ze komen werken, individueel. Ze gebruiken een half uurtje de wifi met de code die op het bonnetje van de koffie staat.
Met bevriende muzikanten kom ik graag bij Kingfisher, een redelijk hippe tent aan de Ferdinand Bolstraat. Daar zie je ook laptops en werkafspraken maar als we koffie bestellen dan krijgen we zwarte koffie in een kopje. Geen schoteltje, geen lepeltje, geen koekje, geen melk. Zwart zonder niks. Ze weten het. Dat maakt van Kingfisher onze perfecte buurtkroeg.

In het gelijknamige koffiehuis aan de Albert Cuypmarkt wordt de koffie voor de marktkooplui gezet en met een kar langs de kramen gereden. Er wordt de krant gelezen. Er wordt naar het nieuws op de grote tv. De meeste klanten zijn op de markt aan het werk maar als ze in het Koffiehuis zitten zijn ze niet aan het werk, een belangrijke nuance.
Ze komen er voor een bak koffie, met bekenden. Vroeger kwam de koffie uit een ketel en koste die één euro veertig. Inmiddels staat er een goed koffieapparaat en is de prijs omhoog gegaan maar de sfeer is hetzelfde en de koffiemaker heet geen barista en in het schuim van de cappuccino worden geen draken of engeltjes getekend.
Er kwam een keer een man in pak het koffiehuis binnen, laptop onder zijn arm. Bij de Coffee Company in de Van der Helststraat deed het internet het niet. Hij vroeg aan de eigenaar van het koffiehuis: ‘Hebben jullie wifi?’
De eigenaar keek naar het meisje dat ook in het koffiehuis werkt. Ze stond op een ladder het krijtbord bij te werken.
Hij vroeg: ‘Chantal, hebben we wifi?’
Chantal: ‘Ja hoor. Waf waf waf.’
‘Dat is dan vijftig cent,’ zei de eigenaar.

Ik ben afgestudeerd socioloog en ik kan een betoog houden over de individualisering van onze maatschappij en de sociale rol van buurtkroegen. Dat laat ik graag aan anderen over. Ik ben een romanschrijver die gewoon wat wil drinken en heb mijn voorkeur, en die stamt van ver voor mijn studie.
Ik ben opgegroeid in Almkerk, een dorpje in de kop van Noord-Brabant. In het dorp waren twee cafés: de Alm en het Wapen van Emmickhoven. In de Alm kwamen mannen uit het dorp bier drinken en op de gokkast spelen, in het Wapen kwamen ze bier drinken, gokken en biljarten.
Ik kwam graag in deze kroegen. Iedereen kende er iedereen. Je zei de mensen gedag, ging aan de bar zitten, dronk bier. Nooit kwam er iemand van buitenaf. Mensen van buiten, dat zijn indringers. In een dorpscafé of een buurtkroeg ben je samen omdat je nou eenmaal bij elkaar woont. Mensen van buiten voelen de sfeer niet aan, die weten niet wat er speelt.
Wij wilden met rust gelaten worden. Wij gingen ook nooit naar de kroegen in andere dorpen.
In Amsterdam is dat niet veel anders, al is het aanbod groter. Een van mijn favoriete cafés is In ’t Aepjen, aan de Zeedijk. Kortweg de Aep. Mijn Kingfisher-vriend Jan staat daar achter de bar.
De straat is druk, toeristen blijven voor het pand staan en kijken op naar de bijzondere houten gevel of ze komen in de deuropening staan om foto’s van het interieur te nemen. Soms gaan ze alleen naar de wc in de kelder, zonder iets te zeggen of te vragen. Ze sluipen de trap af. De barmensen haten dat. Ze maken van een mooie ontmoetingsplek een openbaar toilet.
Toeristen die even binnen komen gluren krijgen van de barmensen even de tijd maar als ze zwijgend blijven rondkijken wordt er geroepen: ‘Hello! Here we say hello ja!’
De Aep is geen attractie.
Een dame uit het noorden van het land deed een puzzeltocht op de Dijk. Ze vroeg barman Jan of er een opgezette aap in de kroeg was. Er hangen allerlei apenpoppen, maar een opgezette aap is er nooit geweest, dus Jan zei: Nee.
De vrouw bleef volhouden, ze wilde blijkbaar bevestiging van het verhaal dat in haar hoofd zat of op de puzzelpapieren stond.
Lichtelijk in paniek zei de vrouw: ‘Maar wat is er met die opgezette aap gebeurd?’
Jan zei: ‘Die is met vakantie, en nou wegwezen.’

De Aep is een Amsterdamse buurtkroeg vergelijkbaar met de cafés in mijn Brabantse dorpje, alleen de plek is wat drukker en internationaler. De regel is: bekenden zijn belangrijker dan buitenstaanders.
Wat ook mooi is: Als een van de stamgasten in het ziekenhuis ligt, dan weet iedereen daarvan. Dan wordt er naar gevraagd. Dat doen toeristen niet, dat gebeurt bij de koffieketens niet, en in de hippe tentjes met perfect opgeschuimde cappuccino ook niet.
Een voorbeeld van een tijdje terug, het had geijzeld. Vaste klant Emmy was nog niet in de Aep. Emmy woont om de hoek. Ze is een van de ouderen en loopt met een stok.
Barman Jan zei: ‘Let even op die bar.’
Hij liep naar buiten, naar de zijstraat en even later kwam hij terug met Emmy aan zijn arm. Samen kwamen ze de Aep binnen.
Een barman die een van zijn vaste klanten op gaat halen omdat hij weet dat ze graag onder de mensen is, dat ze moeilijk loopt, dat ze misschien niet de gladde straat over durft, het was ontroerend. En wat eigenlijk nog mooier was: niemand zei er iets over. Het gebeurde gewoon. Juist die vanzelfsprekendheid is een bijzondere kwaliteit van buurtkroegen. Ze maken van de stad een dorp.

Dit verhaal kan bedreigend zijn voor buurtkroegen, daar ben ik me van bewust. Straks gaan mensen met dit artikel in hun achterhoofd naar die kroegjes om het buurtkroeggevoel te ontdekken.
Mensen, doe dat niet.
De modus van buurtkroegen is erg ingewikkeld. De barmensen en ook de vaste klanten zijn gastvrij en buurtkroegen zijn openbare plekken, maar in principe zitten ze niet op jou te wachten.
Daarom enkele richtlijnen:
– Ga alleen naar de kroeg, niet met een groepje of met een vriend of vriendin. Dan kun je contact maken.
– Begroet de mensen, ga zitten en bestel wat te drinken.
– Bestel geen vreemde drankjes.
– Laat een bonnetje maken, op jouw naam. Dan weten ze je naam.
– Ga niet op de praatstoel zitten, laat anderen praten. Of beter nog: Laat anderen zwijgen.
– Klaag niet over de muziek en vraag geen muziek aan.
– Blijf zitten, let niet op de tijd.
– Geef fooi maar niet te veel, niet potsierlijk. Gewoon naar boven afronden en niet te gretig ingaan op het dankjewel dat volgt.
– Zeg iedereen gedag en een fijne avond nog.
– Kom binnen afzienbare tijd terug en herhaal de avond.
– Kom daarna weer terug.
– Hou vol.
– Als de barmensen en de vaste klanten je gaan herkennen en met je beginnen te praten, dan zit je op het goede spoor.
– Als de barmensen en de vaste klanten je begroeten met je naam, dan zit je helemaal op het juiste spoor.
– Vraag naar bekende vaste klanten als die er niet zijn en trek je zo min mogelijk aan van de gesprekken over jou als jij er niet bent.

Welkom in je nieuwe thuis.

Jan van Mersbergen