Trouw, juli 2014

Omdat mijn ouders geen auto hadden was de belangrijkste component van onze zomervakanties de fiets.
Toen ik klein was zaten mijn tweelingbroer en ik achterop de fietsen van pa en ma. We reden door Nederland, over dijken, door polders en door bossen, heel soms een heuvel op en weer af. Ik weet daar bijna niks meer van, behalve de voetsteuntjes en mijn korte broek, de blote benen vlak onder de veren van het zadel maar misschien is die herinnering vooral gekoppeld aan de voetsteuntjes die aan de as van mijn eigen fiets zitten en waar mijn dochter haar schoenen op zet.
Vanaf het moment dat ik zelf kon fietsen fietste ik mee. Ik herinner me de zware canvas fietstassen die aan weerskanten van mijn bagagedrager hingen. De fiets was zo zwaar dat hij niet meer op de standaard bleef staan.
Met vader, moeder en tweelingbroer op fietsvakantie betekent: in formatie rijden. Mijn ouders aan de buitenkant en mijn broer en ik aan de binnenkant van de weg, de kant van de berm, dat was veiliger. Met mijn kinderen doe ik nu precies hetzelfde.
Zelden fietste ik naast mijn broer.
Als er een gebroken fles op de weg lag dan riep degene die voorop reed: Glas! En dan probeerden we daar omheen te rijden en als dat dan niet lukte en de scherven knarsten onder je banden dan dacht ik direct aan oponthoud en aan het metalen doosje met de rood-witte blokjes waar bandenlichters in zaten, lijm en plakkertjes.
Ik hield erg van fietsen. Ik kon het prima volhouden. Ik hield van weids uitzicht en van afdalen. Ik had een kilometerteller op mijn stuur gemonteerd. We fietsten naar Drenthe waar we een huisje gehuurd hadden. In die ene week legden we bijna duizend kilometer af. We fietsten niet naar Drenthe om daar in een hangmat te gaan liggen, we fietsten naar Drenthe omdat daar eindeloos veel fietspaadjes waren, veelal van schelpen.
Natuurlijk bezochten we de hunnebedden en ook een attractiepark in Appelscha waar een achtbaan was met wagentjes die samen een rups vormden, maar de vakantie bestond vooral uit het fietsen zelf, het veranderende landschap, een gedetailleerde kaart met veel geel en groen en met smalle paadjes, paddenstoelen die je de richting wezen met in rode cijfers hoe ver het nog was, het vooruitzicht van een softijsje in het volgende dorp.
Een kind van zes gaat gewoon mee op vakantie, een kind van acht ook. Mijn zoon is inmiddels elf en wil meebepalen wat er gaat gebeuren. Hij wil geen vakantiehuisjes met roze kozijnen. Hij wil water bij het huisje en je moet zo het bos in kunnen lopen. Je moet er een hut kunnen bouwen. Die fase kwam voor mij destijds wat later, maar hij kwam wel.
Mijn moeder vertelt vaak het verhaal van het touw. We waren op een vakantiepark en mij werd gevraagd een touwtje te zoeken om een vuilniszak dicht te knopen. Ik had daar geen zin in, maar moest het gaan regelen. Ik slofte het terrein over en vond een enorme bos scheepstouw dat gebruikt werd als afrastering, het hing slap tussen paaltjes. Ik zeulde de bos touw naar het huisje en zei: Hier heb je touw.
In een doos vond ik laatst een klein notitieblokje met een ringbandje erdoor: ‘VAKANTIE 1985’. Ik bladerde het onlangs nog door. Mijn jeugd kende een verloop van steeds minder fietsen naar steeds meer schrijven. Of eigenlijk een verloop van gezinsleven naar mijn eigen leven.
In 1985 was ik veertien en fietste ik nog gewoon mee. In het boekje noteerde ik wat waar we waren en hoe laat, heel kort. Op de eerste bladzijde staat: ‘De vorige avond inpakken en om 6.45 vertrek, om 8.00 koffie in Zaltbommel.’
Toch geeft het boekje een mooi beeld en vult het mijn herinneringen aan. We reden niet in één keer naar Drenthe, we konden halverwege overnachten bij mijn oom en tante in Doesburg. Zij woonden aan de IJssel. We zwommen in de rivier. In Drenthe aten we pannenkoeken en kochten we heel vaak een ijsje, we bezochten pretpark Hellendoorn en bij het vakantiehuisje was een pingpongtafel.
Op de terugweg had mijn vader bij Rhenen een lekke band.
Toen ik vijftien was ging ik voor het laatst met mijn ouders op vakantie. We fietsten naar Twente. Voor mijn ouders was het geen leuke week, omdat ik niet de hele dag op een fiets wilde zitten. Ik ging wel mee, maar met een lang gezicht. Puberverzet.
Uit mijn aantekeningen blijkt echter niet hoe weinig zin ik in die vakantie had, behalve dat ik als de laatste regel bij thuiskomst noteerde: ‘Thuis. Alles snel uitpakken en Wimbledon kijken. En dit schrijven’
Dat deed ik heel graag: binnen sport kijken op tv, vooral op warme dagen. En schrijven.
Het jaar erop ging ik met mijn broer en twee vrienden – de ene klein en de ander met rood haar – naar Otterlo, zonder ouders. We namen twee tentjes mee, wat kleren, een voetbal. We gingen naar de Veluwe. Met de fiets.
Ik weet niet of ik over die vakantie op de Veluwe iets opgeschreven heb. Van die eerste vakantie zonder ouders herinner ik me nog het voorzichtige bier drinken, stiekum roken. Onze ouders zochten ons op. In het zijvakje van de tent zat het pakje shag verborgen. Naast de tent stond een kratje bier.
Ook herinner ik me het speeltoestel op de camping waar wij eigenlijk te groot voor waren maar waar we toch in zaten. Het was een ronde bak die om een vaststaande kolom kon draaien. Bovenop de kolom een schijf waartegen je je kon afzetten. Mijn knie kwam tegen een lange bout die door de schijf stak. Ik zei tegen de anderen dat ze het bakje niet moesten draaien, want ik zat klem. Mijn broer draaide toch en de bout vrat zich in mijn knie.
We bezochten de huisarts in Otterlo, die hechtte mijn knie. Het fietsen op de terugweg ging moeizaam, mijn knie kon niet goed buigen.
Een jaar later gingen mijn broer, de jongen met het rode haar en ik naar Texel, met de trein. Van die vakantie heb ik eenzelfde soort notitieblokje, in een hoesje van de Rabobank, met een klein blauw pennetje erin gestoken dat nog steeds in het hoesje zit.
Alle campings waren vol. We vonden een plekje op een weiland bij een boer die in de schuur een wc en een douche had. Het was avontuurlijk. De eerste avond bezochten we de kroegen van De Koog. We sliepen in één tentje, op dunne matrasjes.
Ik las De teerling is geworpen, van Sartre. Een wonderlijke combinatie: een roman lezen van een Franse filosoof tijdens een typische jongerenvakantie met strand en uitgaan.
We hingen veel voor ons tentje en voetbalden op het verder lege veld. We aten heel veel macaroni. Ik schreef: ‘Na de macaroni gingen we de kroeg in.’ We dronken een plaatselijk juttersbittertje dat Pikeurtje heet.
Op de tweede dag noteerde ik: ‘Alle blow al op.’ In Gorinchem had ik een zakje stuf gehaald. Roken was geen geheim meer, blowen wel.
We huurden fietsen. Op de derde dag had mijn broer een lekke band.
Er was een tweespalt tijdens die vakantie. Mijn broer was veel zelf op pad, ik maakte met mijn roodharige vriend vrienden in Texelse kroegen.
Op de laatste dag schreef ik niks anders dan: ‘Huiswaarts.’
Ik verheugde me er niet op maar uit de notitie blijkt ook niet dat ik nog langer op Texel wilde blijven. Met de trein reden we terug naar Brabant.
Het verloop van de vakanties in mijn jeugd was niet bijzonder maar wel belangrijk: ik koos voor mezelf. Vakanties als langzame opmaat naar zelfstandigheid.
Een jaar later studeerde ik in Amsterdam. Na het eerste studiejaar liftte ik met een rugzakje naar Normandië. Alleen. Daarvan hield ik ook een dagboek bij, ook heel gedetailleerd en nauwkeurig maar niet wat betreft plaats en tijd, eerder wat betreft gevoel en de overdrachtelijk daarvan. Uit dat boekje blijkt dat ik heel graag wilde schrijven, en iets wilde overbrengen.
Op een van de eerste bladzijden staat:
‘Op de grens heb ik schuilend voor de stromende regen onder het afdakje van een douanekantoor staat liften. Dit duurde niet lang. Een Fransman met een baardje nam me mee naar Calais. Hij reed goed maar was opgefokt. Ik wist niet dat Calais zo ver was.’
Deze zinnen zijn bijna vijfentwintig jaar oud. Vandaag de dag zou ik ze niet anders opschrijven.

Jan van Mersbergen