Trouw, juli 2013

De laatste keer dat ik op reis ging zat ik in de langst mogelijke directe vlucht vanaf Schiphol. Naar Buenos Aires is dat, veertien uur vliegen. Ik schreef erover in deze krant.
Ik ben niet bang voor vliegen, ik ga gewoon zitten. Wel ben ik bang voor de controles op de vliegvelden, voor de tassencontrole en als ik mijn paspoort moet laten zien, en voor het zoemen in zo’n vliegtuigcabine.
Tijdens deze vlucht ontdekte ik wat daar achter zit.

Ik reis met enkel handbagage. Ik had een rolkoffer mee voor mijn kleren en een rugzakje waar mijn laptop in zat, en wat papieren, een boek, een pen.
Ik ging in de rij staan bij de paspoortcontrole, waar de balie net te hoog is. Ik liet mijn paspoort zien, de jonge douanier keek er even naar en gaf mij het document terug. Ik had me gemeld, of afgemeld. Zo voelde het.
Naar de gate. Daar wachtte ik tot de tassencontrole begon. Toen mijn tas de lopende band op kon kreeg ik het erg warm. Ik had geen verboden spullen bij me, geen wapens, vloeistoffen, drugs, en ik zat onder de maximale twaalf kilo handbagage. Ik had niks te vrezen, en toch zag ik de lopende band rollen en ik zette mijn tas erop en mijn jas en sleutels en geld en telefoon apart is een bak, mijn laptop ook in een bak. Ik kreeg het erg benauwd, ik keek naar het apparaat waar mijn spullen doorheen gingen. Dat ding herkende ik. Het was alsof ik zelf door dat ding ging. Ik hield mijn adem in, dat moet dan.
Een man van de tassencontrole wenkte me. Ik kon in de scan gaan staan, met mijn handen omhoog. Het zoemde. Ik wilde heel hard schreeuwen. Dat kon ik inhouden. In het ziekenhuis wilde ik ook heel vaak schreeuwen, maar ik deed het nooit.
De man van de tassencontrole zei dat alles in orde was, net als mijn oncoloog tien jaar geleden. Ik kon mijn spullen pakken, de laptop weer in mijn tas doen, mijn spullen in mijn broekzakken, het vliegtuig in.

Een vriendelijke stewardess wees me een goeie stoel, bij de nooduitgang. Ik bedankte haar, dat was veel beter dan naast het Chinese stel op rij zeventien.
Veertien uur zou ik in die stoel zitten. Ik had mijn laptop, mijn boek, een krant. Maar ik las niks en schreef niks. Ik luisterde alleen naar het zoemen van de motoren en ik keek uit het raam.
Op het schermpje dat uit mijn armleuning kwam zag ik waar we vlogen. Boven Frankrijk, boven Spanje, daarna de Atlantische Oceaan. Het aftellen van de kilometers volgde ik nauwkeurig, dat gaf me een idee van verplaatsing, en van tijdverdrijf.
Veertien uur dat schermpje is niet vol te houden en slapen kan ik niet in een vliegtuigstoel, ook niet als ik mijn benen kan strekken, dus ik besloot een film te kijken. Ik deed de koptelefoon op, dat waren een soort klemmetjes om mijn oren. Ik keek bij de Nederlandse films. Ondertiteling is vervelend op zo’n klein scherm en ik had geen zin in Engels.
Ik koos De Marathon.
In de film gaan vier jongens van een garage de marathon lopen. Ze hebben geld nodig. Als ze de race uitlopen krijgen ze van een rijke garagehouder geld en is de garage gered. Als het niet lukt lijft de rijke garagehouder hen in.
Of dat lukt weet ik niet. Volgens mij laat de film dat open. Tijdens deze vlucht ontging het me. Ik volgde het verhaal tot een bepaald punt. Alle vier de karakters dragen een persoonlijk drama mee. Een van de mannen krijgt te horen dat hij kanker heeft. Hij heet Ger. En Ger besluit het niemand te vertellen.
In die vliegtuigstoel voelde ik de motoren trillen en dat trillen veranderde, werd zwaarder.
Ik had nog nooit een film gezien of een boek gelezen waar dat zo direct in verwerkt zat: ziek zijn en niks vertellen.
Ger ging lopen. Ger ging door. Ger hield vol.
Ik keek naar Ger. Hij liep door Rotterdam in een hardloopoutfit en ik zat in mijn eigen verhaal van tien jaar geleden. Ik werd ziek, ik wilde niks zeggen maar deed dat toch, ik hield vol.
Het was geen film meer.
Ger zei niks. Hij spuugde bloed maar liep door en ik zat in het vliegtuig en keek naar de ronding van die kist en naar de kunststof wanden en ik deed de oordoppen af en het zoemen van de motoren werd luider en ik lag weer op de smalle tafel van de CT-scan, die ook zoemt en rond is en van kunststof en waarop ik altijd de seconden aftelde en mijn adem inhield. Heel lang hield ik mijn adem in. Bij de tassencontrole hield ik mijn adem in en schoven mijn spullen door de machine, werden ze doorgezaagd om te kijken of er niks in zat dat er niet hoorde, en tien jaar hiervoor werd ik zelf door een scan digitaal in schrijfjes gehakt zodat de artsen konden zien of er in mij niet iets zat dat er niet hoorde, en ik deed mijn ogen dicht en hield de armleuningen vast en huilde.
Ger huilde niet in Rotterdam. Hij hield vol. Zijn vrienden van de garage huilden wel en dat was precies waar hij bang voor was.
Ik zei niet veel, toen. Ik huilde niet en wilde niemand laten huilen. In dit vliegtuig had ik de tijd en huilde ik wel.
Ger gooide zijn afspraakkaart weg. Hij ging niet meer naar het ziekenhuis.
Ik deed dat wel. Mijn afspraakkaart hangt tussen een heleboel kleine fotolijstjes aan de muur. Ik heb geen afspraak gemist. Ze hebben naalden in mijn armen gestoken om bloed af te tappen, ze namen echo’s van mijn longen en ik dronk liters contrastvloeistof en ging vaak door de scan tot de arts zei dat ik van hem af was en toen ging ik naar huis.
Ger niet. Ger liep door.

Een stewardess kwam vragen of alles in orde was. Ja, zei ik, alles is prima. Echt waar.
Ze keek me nog even aan. Echt, zei ik weer.
Ik voelde me geweldig. Ik kon voelen wat ik eerst niet voelen kon. En ook al was dat gevoel vreselijk, het voelen op zich voelde goed.
Soms denk ik dat ik te veel met kanker bezig ben. Dat is niet zo. Ik ben er niet mee bezig, het komt in momenten, bij liedjes die ik toevallig weer hoor in een kroeg of nachtcafé, als ik een pasfoto op een balie leg, in de supermarkt bij het schap met potjes appelmoes, op mijn balkon als het donker wordt.
Ik kan vertellen over Buenos Aires. Dat deed ik in deze krant. Ik was daar een week en ik heb een hele mooie week gehad maar iedere dag moest ik aan mijn afspraakkaart denken, bij mij in Amsterdam aan de muur.
Ik schrijf over kanker. Dat voelt altijd alsof het te veel is. Een stem zegt steeds tegen me: Hou er nou eens over op.
Maar als ik iets over reizen moet vertellen dan kies ik deze reis en dan vertel ik dit en niks anders omdat ik het eerst amper vertellen kon.

Jan van Mersbergen