Seconds out, april 2012

Twee boksers die voor het begin van een partij tegenover elkaar staan kijken elkaar aan, in stilte en bewegingsloos.
Ze kijken elkaar aan om te tonen dat ze niet bang zijn en tegelijkertijd weten ze dat ze allebei bang zijn, voelen ze in iedere vezel van hun lichaam de angst.
Ze weten allebei dat ze klappen gaan krijgen, maar ze focussen op de klappen die ze zullen uitdelen, daar en daar, het ontvangen wordt weggedrukt.
Ze kijken elkaar in de ogen om de tegenstander te lezen. In de ogen van een bokser is dat kleine beetje angst te herkennen dat zijn lijf niet laat zien.
De eenzaamheid van het boksen wordt samengevat door een gong en twee woorden:
Helpers weg.
En de mensen die de bokser in de weken van voorbereiding hebben bijgestaan stappen tussen de touwen door, het krukje dat rust gaf en veilig voelde wordt opgepakt, een laatste tik tegen de wang of op de schouder en de bokser is alleen in de ring. Zijn tegenstander ook.
Boks, klinkt het.
Een kort handgebaar van de scheidsrechter dat de ruimte tussen de twee vechters doet verdampen, en ze naderen.
Ze ademen gecontroleerd. Nu nog wel.
Bewegen, dansen haast.
Een eerste tik, maar niet voordat de handschoenen even tegen elkaar zijn gedrukt, hoger dan bij een stoot. Een gebaar van respect.
Even is die angst verdwenen of is die angst er juist toch, maar bij allebei. Openheid.
Soms zelfs een glimlach.
Angst en lef komen in boksen samen. Dat gebeurt in meer sporten: bungeejumpen, motorracen, wielrennen… Maar in geen enkele andere sport is de confrontatie tussen twee mensen zo scherp.
Boksers kunnen niet weg lopen, ze staan in een ring, tussen touwen. Ze mogen niet weglopen. Van zichzelf niet, van de begeleiders niet, van het publiek niet.
Ze blijven tegenover elkaar staan en loeren naar elkaar loeren.
Ze horen de coach, ze horen de mensen in de zaal, ze horen de ademhaling van de ander. En dan iemand:
Pak hem.
Boksers bewegen om hun angst heen, en ze proberen elkaar te slopen.
Hoge smalle veterschoenen.
Boksen is constant bewegen, niet stilvallen. Voeten laten werken, de voorhand laten werken, het lijf in beweging houden.
En altijd die angst. Ook tijdens de partij wil een bokser zijn angst tonen. Hij kijkt en loert niet alleen om het gevecht aan te kunnen en te zien wat de ander doet, maar ook wil een bokser het kleine beetje angst in die ander ontdekken.
Hij houdt zijn ogen strak.
Als de partij vordert verandert die blik.
Dit is niet vol te houden.
Een puntenvoorsprong, een paar stoten die door komen, en nog kijken ze naar elkaar, de jongen die denkt dat hij gaat winnen kijkt naar een andere jongen die er misschien minder goed voor staat, maar nog steeds hoopt dat hij gaat winnen.
Vertrouwen en hoop in een oogopslag, waar vind je dat?
Bloedspetters op de mouw van het scheidsrechtersshirt.
Bloed op de laptop van de journalist aan de ring.
Bloed op servetjes die een bord met stukjes leverworst en kaas voor een jurylid afdekken.
Boksen is hard. Trainingen zijn hard. Wedstrijden zijn hard.
Een stoot tegen je hoofd krijgen voelt hard. Zelfs met een kap op.
Zelfs een misser voelt hard voor degene die stootte.
Een blik van een bokser is hard, van onder die kap vandaan eigenlijk nog meer. Zoals een hoed schaduw werpt op het gelaat.
Buiten de ring zijn die ogen niet hard.
Na het douchen, als de wonden iets opgelapt zijn en toch het gelaat sieren. Dan zijn de ogen van een bokser open en speels, dan is hij bekomen van de partij.
Zijn ogen weer normaal.
Kom op, klinkt het vanuit de zaal.
Een vader die zijn zoon toeroept, met een trilling in zijn stem die de hele zaal doet trillen. Alsof die vader zelf de klappen voelt.
Hij beweegt mee.
Bewegingsloos kijken naar twee boksers, je adem inhouden.
Kijken naar een bokswedstrijd is mooi. Kijken naar alles wat er om het boksen heen gebeurt is mooi.
Een partij is te volgen door naar de vader van een van de vechters te kijken.
Niet naar de moeder kijken. Ik heb nog nooit een moeder naar een bokspartij zien kijken.
Een moeder durft zelf niet te kijken.
Boksen is de mooiste sport om heel dichtbij te zitten, om zintuiglijk mee om te gaan.
Het zweet springt weg, speeksel, bloed, een bitje op het canvas, een krukje tussen de touwen door, een emmer met een spons.
Grote broeken in verschillende kleuren.
Bleke huid, donkere huid. Tatoeages.
Stukken tape om een vinger.
Alles beweegt tot de gong er is en de hoek wordt opgezocht, even rust, een wapperende handdoek die verkoeling brengt.
Het is mooi om alleen de scheidsrechter te volgen. Een scheidsrechter die met minimale woorden de leiding heeft.
Boks. Break. Stop.
Die met zijn handen en handschoenen de leiding heeft, en ook met zijn ogen.
Dwingende ogen. Oplettend.
Een vlag die de zaal wordt binnengedragen door een jongen die voor een bokser uit loopt, dat is wonderschoon. De jongen trots, de vlag hoog, de bokser erachter ingetogen, geconcentreerd.
Ze kennen elkaar. Het zijn vrienden.
Een vlag die om de schouders van de winnaar ligt na de partij, dat is mooier dan een beker of een riem.
Bloemen die de zaal in gegooid worden, en gevangen.
Heel soms een scheidsrechter die zegt dat er niet geklemd of geleund mag worden, in het Engels.
Een knik met het hoofd en dan daarna toch klemmen of leunen, omdat je niets anders meer kunt.
De angst voor de handdoek tijdens een ronde, de koelte van die handdoek tussen de rondes in.
Water uit een fles met een tuit.
Het zijn geen praters, boksers.
In de sport worden niet veel woorden gebruikt en mij is ooit verteld dat de sport niet in woorden te vatten is. Daar leg ik me niet bij neer.
Ik besef heel goed dat de mooiste kijksport, de sport waarin kijken zo belangrijk is, woorden minderwaardig zijn.
Dat woorden niet tellen, behalve dan het tellen.
Zelfs dan zijn vingers dominant. Het gebaar in de lucht.
En weer die blikken, van de man die neer is gegaan en opkijkt naar de scheidsrechter, probeert op te kijken, probeert te verbergen dat hij van binnen sterft.
En de tegenstander die ook kijkt, of het gaat lukken, die al om zich heen kijkt en de coach zoekt, die de reacties in de zaal voelt, die de sterkste is.
Twee blikken die eerst identiek waren zijn uit elkaar getrokken. De mens openbaart zich.
Dat is wat er in de ring gebeurt: vechters worden mensen.
Boksen is een sport voor foto’s, meer dan een sport voor bewegende beelden.
Het gaat te snel, boksen op televisie is te vlak en zonder diepte op een beeldscherm.
Het is te ver weg, het beweegt, boksen gaat te snel.
Boksen in een film kan schitterend zijn, als er een goeie fotograaf achter de camera zit, maar alles blijft bewegen.
Als ik naar boksen kijk voel ik ergens van binnen het verlangen die snelle bewegingen van vuisten, voeten, hoofden, lichamen stil te willen zetten.
Het kan bijna niet, het boksen stilzetten.
Het kan wel.
Break.
Klik.

Jan van Mersbergen