De Limburger, februari 2013

Vorig jaar ben ik gescheiden, vlak voor Vastelaovend. Ik ging toen ook Venlo in en werd ondergedompeld in het feest, in de liedjes, de drank en de mensen. Even was ik bij de Boétezitting en toen liep ik naar een pleintje waar je alleen op kunt met een blauwe neus en waar een kleinschalig feest aan de gang was. Daar las ik iets voor en zong ik met mijn Amsterdamse vrienden het oude nummer over de klerenkast.
Daar stond ik te janken.
Vijf zangers uit Venlo zongen het lied dat Frans Pollux schreef en dat begint met: ‘Ik kôm neet naor hoés, vannach gaon ik door.’ Ik stond achter op het podium en moest me vasthouden aan de man die naast me stond. Ze zongen zo mooi. De mensen op het plein zongen mee.
Ik kon niet naar huis.
Het was pas de tweede dag en woensdag was nog ver en het besef dat alles veranderd was hamerde er opeens in. Toen het lied afgelopen was omhelsde ik de muzikanten en de zangers. Natuurlijk was ik trots daar te staan maar ik wist ook dat ik heel veel was kwijtgeraakt. Graag zou ik mijn ex opbellen op dat moment om haar te zeggen dat ik veel van haar gehouden heb en dat we het goed hebben gehad, en ik wist dat ze dan stil zou zijn en misschien alleen ‘ja’ zou zeggen. Ik wist ook dat ik niet kon bellen. Dat ik niks kon zeggen.
Ik liep van het podium af het plein op. Er was andere muziek. Mijn vrienden waren er. Mensen spraken me aan. Een blonde vrouw stond voor me en zei: ‘Jij voelt het allemaal en ik ook.’
Ze hield me vast. Ze vertelde me van haar scheiding. Van haar nieuwe liefde. Even was er niemand anders op dit plein. We troostten elkaar en dronken wat. We hadden elkaar nodig en alles wat we het hele jaar niet konden – een ander vasthouden en troosten – dat lukte tijdens dit schitterende Vastelaovesfeest wel.
Zometeen ga ik er weer naartoe en zal ik haar weer zien. We zullen weer met elkaar praten en elkaar weer vasthouden.


Herdenken

In het café heeft een groepje mensen zich verzameld rond een hoge tafel. Er staan fluitjes op de tafel. De mensen drinken rustig, het is nog vroeg. De mensen zijn stil. Er is iets met dit groepje, dat voel ik. Dus ik vraag aan een van hen of ze ergens mee zitten. De sfeer bij hen is anders.
Een vrouw zegt: ‘Ieder jaar komen we hier tijdens Vastelaovend bij elkaar om mijn man te herdenken.’
Ze vertelt dat haar man op Vastelaovesmaandag overleden is. Hij heeft geen vaste sterfdatum. De dag van de optocht is zijn sterfdag. En ieder jaar komen de mensen bij elkaar om Vastelaovend te vieren, maar ook om hem te herdenken.
De vrouw vertelt dat ze soms helemaal niet op die maandag in haar pekske de stad in wil. Het brengt herinneringen terug, het is verdrietig. De anderen halen haar op bij haar huis en ze nemen haar gewoon mee en zetten haar aan de hoge tafel in het café en geven haar een biertje.
We hadden een mooi gesprek. Een uur later stond de vrouw op het podium te dansen. Ze zwaaide nog naar me.
Ik moest ik denken aan Puck Derckx, de bouwer van de joeksmobiel waarmee mijn vrienden van blaoskapel D’n Heiten Haspel ieder jaar de Venlose optocht rijden. Een oude dubbeldekker. Hij overleed ook op Vastelaovesmaandag, in 2010.
De jongens van de blaoskapel wisten dat nog niet en vlak voor de optocht van start zou gaan wilde de joeksmobiel niet starten. De bus was een moment volledig stil, alsof de bus zijn bouwer wilde herdenken.
In de rouwadvertentie van Puck stond:
‘Vastelaovesmaondaag is ôzze pap, schoënpap en opa euverleeje. Kiékend nao de wiés wie heej in ut leave stônd, hat ut genne andere daag kinne zien.’
Vastelaovend is het leven en de dood samen. De mensen vieren het feest en rouwen met elkaar, op momenten die daarvoor geschikt zijn. Tijdens Vastelaovend is het niet mogelijk je te verstoppen, of je moet thuis onder een dekentje gaan liggen, met je ogen dicht. Dat is niet aan te raden.
Zoek elkaar op, vier het feest, geniet, herdenk en leef!


Een Amsterdams huisje

Deze ochtend gaan we naar het graf van Huub. Jarenlang was Huub tijdens Vastelaovend de nachtportier van ons hotel. Hij overleed in mei aan kanker. Het ging zo snel, we hadden geen tijd om afscheid te namen.
Huub vierde geen Vastelaovend. Wel merkten we aan hem dat hij ons er graag bij had, al die nachten, al die jaren. Een van mijn vrienden zei: ‘Huub heeft ons heel vaak naar de overkant van de nacht gebracht.’
Nu ligt Huub begraven in het bos. Mijn vrienden en ik van Venlose Vastelaoves Vereniging den Amsterdammers trekken vandaag ons Boerenbruiloftspekske aan en zoeken Huub op. We zullen even stil zijn bij zijn gras en er een klein Amsterdams porseleinen gevelhuisje achterlaten.
Het lijkt wel alsof ik alleen over de dood schrijf in deze Vastelaovescolumns. Dat klopt. En over afscheid nemen, over ontroering, vriendschap, verbroedering. Dat zijn de mooie kleine emotionele momenten die mij ieder jaar naar Venlo doen trekken, veertig dagen voor Pasen. Natuurlijk vier ik het feest, drink ik het bier, dans en sjans ik met de mensen en met de stad, maar vooral word ik emotioneel binnenstebuiten gekeerd. Ik heb niet alleen een pekske aan, mijn hart breekt open tijdens deze dagen.
Mensen in de Randstad zullen zeggen: ‘Dat je daar Carnaval voor nodig hebt.’
Die mensen hebben gelijk. Ik kan mijn hart niet het hele jaar open laten breken. Lukt simpelweg niet.
Maar wat gebeurt er met me als ik dat zelfs tijdens de Vastelaovend niet opzoek?
Dan verstar ik. Dan is de roes er niet, de ontlading is er niet, dan wordt het voorjaar niet aangekondigd. Dan kan ik na mijn Vastelaovesherstel niet verder met mijn werk, mijn kinderen, mijn leven. Dan roest ik vast.
Op deze Boerenbruiloft, de laatste dag, zal ik naar de optocht kijken, zal ik proberen bij de pleezitting van de Naate Raaf te zijn, zal ik om middernacht op de Mert staan en Euver ein jaor zingen, met mijn brakke stem, en dan zal ook ik de tranen op mijn wangen voelen.


De pony van Pien

We waren Pruisische Ponyfuisteraars. Wat die doen? Ze komen vlakbij je staan, buigen hun mond naar je oor en zeggen heel zachtjes: ‘Pony.’
Dat deden we drie dagen. Iedereen in Venlo begreep het.
We hadden groene paardrijbroeken aan, rode ondershirts, een mooi vestje met pony’s erop, hoefijzers, zweepjes. En we hadden een roze pluchen pony mee met een kabeltje en een afstandsbediening. Daar zaten twee knopjes op. Met het ene knopje konden we hem laten lopen. Met het andere knopje konden we hem laten hinniken. Als we dat laatste deden voor een glas bier dan was het net of de pony dronk.
De pony liep op de bar. We lieten hem door de Gasthuijsstraat lopen, naar de Mert. Daar liep hij ook over een bar. Ik sleepte de pony met me mee en na een tijdje was ik het zat dat beest aan die kabel om mijn nek te hebben hangen. Ik keek om me heen. In een bolderkar op de Mert zat een meisje onder dikke dekens, het was koud dat jaar. Het meisje heette Pien. Ze was de dochter ven Venlose vrienden, die ook ergens waren. Ik gaf Pien de pony en liet haar zien hoe ze hem kon laten lopen en hinniken. Er zat ook een borstel bij de pony. Daarmee kon Pien de manen en de staart van de pony kammen. Pien speelde de hele Vastelaovesmiddag met de pony en toen ze gingen vertrekken zei haar moeder dat ze de pony terug moest geven.
‘Dat hoefde niet,’ zei ik. ‘Ze mag hem hebben.’
Pien nam de pony mee naar huis.
Op de laatste dag van de Vastelaovend hoorde ik iemand mijn naam noemen. Het was de vader van Pien. Hij stond aan de andere kant van de straat. Ik glipte tussen de optocht door en zag Pien. Ze had iets voor me. Een ketting met spruitjes en een bierviltje dat met aluminiumfolie was bekleed en waar een mooie gele pony op getekend was.
Pien hing me de medaille om en bedankt me voor de pony. Op de achterkant van de medaille stond: ‘Vastelaovend in Venlo met Pien.’
Hij hangt nog steeds bij me aan de muur.


Huilen en vloeken

Ik werd gewezen op een item op tv over Carnaval, bij DWDD, dus ik zet dat ding aan in de hoop dat er een en ander verteld zou worden dat de kern van het Carnaval raakt of daar in ieder geval bij in de buurt komt. Giel Beelen was de hoofdgast. Hij is geboren in Haarlem. Hij zong ooit een liedje op de Mert in Venlo. Hij werkt bij de radio en heeft nu een Carnavalsmuziekwedstrijd. Een paar acts waren in de tv-studio. Er werd gezongen. Er klonk keiharde muziek die je ook na het skiën hoort. Een zangduo uit Limburg playbackte, zo leek het. Jan Mulder deed grappig. Er werd wat gelachen, de presentator toonde zijn op voorhand ingevulde onbegrip. Het publiek zat er bij als toeschouwers bij een freakshow.
Ik moest huilen. Ik moest vloeken.
Geen woord over saamhorigheid en relativering, verbroedering en loutering. Over de warmte van het feest. Daar zijn zo veel mooie voorbeelden van. Niks over de muziek en het uitdossen. Niks over de functie van het verkleden en schminken, over het spelen van een rol. Geen enkele mooie liedtekst kwam voorbij, liedjes waarin het leven in al zijn dimensies wordt verpakt, in een paar zinnen, want dat gebeurt in de beste Vastelaovesleedjes die ik ken. Ook geen blaoskapel die de muziek wel over kan brengen, in tegenstelling tot een tape en een paar verlegen zangers die onder de indruk waren van dwdd.
Ik zette de tv uit voor de polonaise werd ingezet en dacht aan het Pronke van afgelopen zaterdag. Een vrouw van zeker tachtig jaar liep in een schitterende rode jurk door de Klaasstraat. De blaoskapellen speelden. De vrouw danste bij de muziek en ik keek haar aan en ze zei: Ben je er weer jong? En ook toen moest ik huilen maar dan van de warmte. Ik kende haar niet, ze straalde, ik was welkom in haar stad. Ze zong een oud liedje: We springen gater in de lôch, det kan gerös, er is toch lôch genog. Iedereen zong dat lied. Zo zijn er honderden liedjes. Niet alleen gek doen en schreeuwen over bier of over een geit.
De nieuwe Prins liep zaterdag met zijn adjudanten door de Venlose straat. Ik gaf hem een hand en feliciteerde hem en zei hem dat wij er weer klaar voor zijn, en tot volgende week. Hij heeft in zeventien dagen 189 plichtplegingen. Die man hadden ze aan tafel moeten hebben. Sef kan heel goed praten, en ook heel mooi zingen. En hij is trots dat hij de Prins van de stad mag zijn, en samen met zijn vrienden ging hij juichend de stad door.
Verderop in de straat kwam ik een lieve vrouw tegen die twee jaar geleden bij de Leedjesavond bij me aan tafel zat. We dronken bier en Jägermeister bij de Brasserie. Op een gegeven moment zwaaide ze naar een man die langsliep en ze zei tegen me: Dat is mijn huisarts.
Dat is vastelaovend. Het lachen ligt op straat. Iedereen doet mee. Standen worden doorbroken. Ik sprak een Hagenees die nu in Venlo woont. Hij zag me een lied meezingen en balde zijn vuist. Hij vond het mooi mij te zien zingen.
Daarna was er een gemaskerd bal in een zaaltje achter het American hotel. Daar was de juiste muziek, de juiste sfeer. De juiste mensen. Het was er snikheet en in dat zaaltje heerste het gevoel van samen feestvieren, de nacht aanvallen, drinken, zingen, dansen. Ik gaf de vrienden van de club die het bal organiseerden acht ringen met de vorm van een vogelkop. Ik vond ze op de Noordermarkt en dacht meteen: Die zijn voor de Raven. Ik schoof ze om de ringvingers en later op de avond kuste ik een van die ringen en keek ik naar een glimmend en moe en voldaan gemaskerd gezicht, en ik omhelsde mijn vriend en was werkelijk gelukkig daar met hen te staan, ook al was ik moe en moest ik de volgende dag vroeg een trein halen, terug naar Amsterdam. Ik miste een trein, nam er eentje later, en was nog steeds moe en gelukkig.
Het is zo jammer dat een schitterend feest, bijna net zo groot als het leven zelf, dat werkelijk leeft bij de mensen, dat in het bloed van de mensen zit, op nationale tv neergezet wordt als een lacherige hobby. Een item op televisie dat alleen maar gaat over gare muziek en het maf doen en een geit, is dat niet alleen van een ongekende eendimensionale treurigheid, het is ook een diepe belediging voor alle mensen die de strekking van Vastelaovend begrijpen en voelen, die daarvoor leven.
Komend weekend gaat het weer van start. Ik ben nerveus. Iedereen is nerveus. Ik wil er graag weer bij zijn. Iedereen wil er bij zijn. Ik kan niet wachten. Ik kan niet slapen. Ik moet goed eten, ik moet goed slapen. Ik weet dat er momenten gaan komen van onvoorstelbaar geluk en blijdschap, en dat ik ook momenten met mensen zal delen die intens verdrietig zijn. Ik weet dat die humor en die lach net zo bij het feest horen als de tranen, en ik weet ook dat er mensen zijn die dat begrijpen, er staat er altijd wel een in de buurt, een bekende of een onbekende, en het geluk zal gedeeld worden en ook het verdriet zal gedeeld worden.

Jan van Mersbergen