Trouw, oktober 2012

Afgelopen juni stierf Huub. De kanker was bij hem terug en ze gingen er niks meer aan doen, er was niks meer aan te doen. Eerder in weken dan in maanden moet je denken, schreef hij. Het nieuws overviel me. Ik las het bericht midden in de nacht, alles donker en ook mijn gedachten waren donker. Ik ging op mijn balkon zitten en stak een sigaret op. Ik had vier jaar niet gerookt en begon weer. Daar zat geen logische gedachte achter. Ik wilde alleen dat de rook mijn lijf zou overmeesteren. Dat gebeurde.
Ik dacht dat ik de ziekte kende, maar werd nu toch overvallen en rookte een sigaret, en ik verdween langzaam.
Inmiddels ben ik weer gestopt met roken.

Het was niet de eerste keer dat zo’n bericht tot me kwam. In mijn familie is kanker de ziekte waar ooms en tantes aan sterven en dus ook de ziekte die alle andere ooms en tantes en neefjes en nichtjes goed kennen.
Mijn tante uit Wageningen was in mei bij mijn ouders op bezoek, mijn moeder was jarig. Ik fietste door Amsterdam en mijn moeder belde en zei dat mijn tante op bezoek was geweest en dat was een heel goed bericht, ondanks dat het fout zat bij mijn tante. Ieder bericht was eigenlijk fout, maar haar verjaardagsbezoek was een overwinning.
Mijn tante zat toen nog volop in de wedstrijd. Eind augustus stierf ze. Toen ik dat hoorde zat ik thuis aan tafel, voor me stond mijn laptop, mijn kinderen zaten op de bank en keken tv. Er kwam reclame, iets met prinsessen. Mijn dochter zei: Die wil ik hebben.
Ik had waterige ogen.
Eerder die week had ik mijn neef gevraagd hoe het met zijn vader ging. Hoe zijn vader er onder was.
Hij zei: ‘Mijn vader houdt zich groot.’
En tegen mijn dochter zei ik: ‘Morgen gaan we naar de winkel.’

In de Amsterdamse buurt waar ik eerst woonde sprak ik een bekende. Hij had een kuur van een jaar doorlopen. Het zat in zijn darmen. Eerst was het weg, toen kwam het terug, en de kuur was zo zwaar dat hij tegen lotgenoten zei: ‘Doe maar niet, die chemo. Het is verschrikkelijk.’
Nu liep hij over straat met een plastic tas. Hij had plantjes gekocht en ging die in zijn tuin zetten.
Ik dacht aan mijn oom die voetbalscheidsrechter was en stierf aan botkanker. Dat duurde heel lang en was pijnlijk. Hij werd langzaam gesloopt. Ik dacht aan de man van de voetbalclub die stierf aan prostaatkanker. Ik dacht aan de huisschilder waar ik ooit mee werkte, een zwijgzame man die ook over zijn ziekte niets zei, behalve: ‘Het zit er en het gaat niet meer weg.’
Ik dacht aan de mensen die er niet meer zijn en aan de mensen die – net als ik – kanker hebben gehad en die er nog wel zijn.
Er zitten geen gradaties in.
De ziekte komt en dan is het maar afwachten. Hopen dat de artsen de juiste conclusies trekken, het juiste pad uitstippelen. Zelf heb je er niks over te zeggen, tenminste, zo voelde dat.
Ik heb nooit het idee gehad dat roken iets met mijn kanker te maken had. Het is bekend dat sigaretten kankerverwekkend zijn, maar ik was een roker die kanker kreeg in een van zijn ballen en legde die link niet. Je weet niet wat de oorzaak is. Je weet niks. Opeens ben je ziek. Je weet niet hoe het gaat lopen. Je weet alleen: het zit in je, het moet weg.
De opties zijn: of ik ga weg of de ziekte gaat weg. Bij mij was het allebei. Ik verdween, de ziekte verdween.

In 2003, vlak na de geboorte van mijn zoon, zat ik aan een tafeltje in het ziekenhuis. Op de tafel stond een telefoontoestel dat stil bleef en een computer die niet aan stond, en aan de muur hingen allerlei onderzoeksapparaten met slangen en knopjes die ook niks deden, geen geluid, geen beweging, en in mijn lijf bonkte niet zo zeer die ziekte maar wel de schok van het bericht, en ik keek naar de arts tegenover me die heel rustig was, en ik zei niks maar vroeg hem toch – door hem aan te kijken – wat er allemaal ging gebeuren, en hij vertelde me het traject.
Ik was er vroeg bij. Nog nooit had de arts iemand gezien die er zo vroeg bij was, en dat maakte van die ziekte een soort wedstrijd, en ik ging die wedstrijd winnen terwijl anderen achter me aan hobbelden, mensen die in de maanden van controles en scans en bloedprikken en longfoto’s naast me in de wachtkamer bij de röntgenafdeling van hetzelfde ziekenhuis zaten, sommigen heel rustig en spraakzaam, anderen volkomen overmeesterd door een berusting waardoor ze juist niet meer praten konden, waardoor er met hen niet meer te praten viel. Veel van die mensen leven niet meer.
De uitslagen waren goed, ook dat voelde als een wedstrijd. De bal met de tumor werd verwijderd. Ik hoefde geen kuur, alleen die operatie.
De huisarts die ik als eerste bezocht en tegen wie ik zei dat ik een bobbel op mijn bal voelde belde me later nog op. Hij was er zo van geschrokken. Hij had nog nooit een kankergeval in zijn praktijk gehad en toen ik bij hem in de spreekkamer zat was hij nerveus en daadkrachtig tegelijk. Meteen belde hij het ziekenhuis, regelde een afspraak. Nu vroeg hij hoe het ging.
Ik zei hem dat het goed kwam, en ook dat het met mijn zoon, toen een week of zes, goed ging. De huisarts was gerust gesteld. Mijn zoon lag te slapen, ik zat op de dakkapel een sigaret te roken en had mijn huisarts aan de lijn en ik stelde hem gerust. Dat was wat ik in die periode deed: mensen gerust stellen.
Mijn eerste idee was: ik vertel het niemand. Ik val niemand er mee lastig. Ik los het wel op.
Dat was natuurlijk niet vol te houden, maar ik dacht het wel.
Op die manier kun je ook een wedstrijd aangaan: helemaal alleen. Proberen te winnen van jezelf zonder dat anderen het merken.
Een sigaret roken op de vensterbank van een dakkapel, het huis waar ik toen woonde. Een operatie achter de rug, vijf jaar controles voor de boeg, en maar roken. De ziekte was tijdelijk, ook het roken was tijdelijk. Na vijf jaar controles stopte ik met roken.
Nu heb ik een balkon, en begon ik weer.

Huub was de nachtportier in mijn vaste hotel in Venlo. Iedere Carnavalsnacht eindigden we bij hem in de kelder waar een klein barretje is. Onze nachtportier schonk dan de laatste biertjes en bakte soms eieren met spek, een nachtontbijtje.
Bij de kanker van Huub was geen sprake meer van een wedstrijd. Die was nog wel aan de gang maar de uitslag stond al vast. De bal nog wat rondspelen, de tijd volmaken. Wachten op het laatste fluitsignaal.
Ik vertelde het nieuws van Huub aan mijn vrienden van mijn Amsterdamse Vastelaovesvereniging. Een van de jongens zei: Huub heeft ons vaak naar de overkant van de nacht gebracht.
We deelden het nieuws en het verdriet. En ik maar roken.
Als ik alleen was dan leunde tegen de balkonreling en probeerde naar mezelf te kijken. Het nieuws hakte erin. Het voelde alsof er een gat in mijn lijf zat, ter hoogte van mijn buik. Zo groot dat een kanonskogel er door zou passen. Het voelde eenzaam.
Cellen in mijn lichaam deelden zich terwijl ze dat niet behoren te doen. Dat is de ziekte. Als de cellen in je lichaam een eigen leven gaan leiden, dan voelt dat eenzaam.
Kanker krijgen in je ballen terwijl je net vader bent geworden. En het gevoel dat overheerst is eenzaamheid.
Ik deelde me, kreeg een zoon. Maar waar was ik zelf?
Ik wist het niet meer.
Het enige dat ik kon verzinnen toen ik ziek was: schrijven. Werken. In die tijd schreef ik een roman die speelde in een proefdierenhuis. In mijn studententijd werkte ik bij het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis, gespecialiseerd in kanker. De hoofdpersoon van dat boek is zelf niet ziek, maar komt in contact met een meisje dat een vriend heeft die ziek is. Kanker is dus erg op afstand. De hoofdpersoon rookt doorlopend.
Het basisidee voor de volgende roman was dat een man hoort dat hij kanker heeft en besluit weg te gaan zodat niemand last zou hebben van de ziekte. Liever verdwijnen dan de bezorgde blikken van andere mensen te moeten trotseren. Maar van dat verhaal kon ik geen roman maken, dus ik gooide het verhaal om, maakte van mijn hoofdpersoon een bokser en gaf hem een ander motief om weg te gaan, om in Pamplona terecht te komen.
Kanker bleef op afstand. Nu ben ik negen jaar verder en kan die afstand niet blijven. Ik kan erover praten, ik moet erover praten, al worden anderen er ziek van. Ik vertel er meteen bij dat de kanker weg is, dat scheelt. ‘Alles is nu goed,’ zeg ik dan. ‘De kanker is verdwenen.’
Dat klopt niet.
Het zit er nog.
Niet de ziekte, wel het gewicht van de ziekte. En de ziekte is dichterbij dan ooit wanneer hij zich bij een ander openbaart.
Weer die tegenstrijdigheid.
In de tijd dat ik ziek was wilde ik verdwijnen, maar dat lukte niet. Ik wilde over de ziekte schrijven, maar drukte de ziekte tussen de woorden weg. Nu kan ik zeggen dat mijn kanker verleden tijd is en doet het nieuws dat een ander ziek is me harder en langer huilen dan toen ik zelf hoorde dat ik ziek was.
Kanker komt pas binnen als het weg is.

Jan van Mersbergen