Brabant Literair, februari 2008

Waarom heb je die broek aan? En die schoenen.
Die had ik gisteren ook aan.
Maar gisteren was je hier niet.
Gelukkig niet nee.
Moet je een overall?
Nee.
Kan-ie?
Toe maar.
Sjef trekt de zaag iets naar zich toe. Theo pakt de beugel vast en wacht tot Sjef de zaag nog verder naar zich toetrekt en trekt hem dan terug.
Komt wel allemaal zaagsel op, op die broek.
Toe nou maar.
Ze zagen.
Niet duwen, zegt Sjef als de zaag zich een flink stuk de boom ingewerkt heeft.
Alleen trekken. De zaag laten lopen.
Zijn broer staat aan de andere kant van de boom die Sjef de dag ervoor met zijn vader heeft omgezaagd. De boom ligt een stukje van de stronk vandaan in de voortuin, hij is over de bevroren sloot gevallen en de top ligt in de berm van de weg die voor het huis langsloopt. De takken die over de weg hingen heeft Sjef er gisteren afgezaagd. Die liggen ook in de berm.
Laten lopen, zegt Sjef weer.
Dat doe ik.
Nee, je duwt.
Je kunt het ook alleen doen, als je het zo goed weet.
Sjef zegt niets meer. Hij trekt aan de zaag en probeert de zaag te corrigeren. Hij heeft het warm. De grond bij de stronk van de boom is door zijn schoenen modderig geworden.
Wacht even, zegt hij en hij houdt de zaag stil en maakt een paar knopen van zijn jas open.
Theo wacht. Hij kijkt naar de weg. Hij heeft een wollen muts op en hij heeft handschoenen aan. Zijn adem wolkt.
Wat sta je nou te kijken?
Wat?
Je staat zo te kijken.
Ik kijk gewoon, zegt Theo.
Ja ja, zegt Sjef. Hij kan weer.
Hij trekt de beugelzaag een stukje naar zich toe en wacht tot Theo ook trekt. Het gaat moeizaam.
Korte stukjes, zegt Sjef en ze bewegen de zaag kort heen en weer tot hij op gang is en de halen weer langer worden.
Kun je die kettingzaag niet gebruiken? vraagt Theo.
Nee.
Gisteren hebben jullie die wel gebruikt.
Toen kon het wel. Als je die zaag hierin zet loopt-ie vast.
Theo zet zijn linkerhand tegen de boom en zaagt verder.
Niet tegen duwen.
Waarom niet?
Dan gaat-ie wrikken.
Godverse klotezaag.
Nog een klein stukje.
Ze zagen nog het laatste stukje en als de zaag bijna door de boom is zegt Sjef: Pas op, en hij schopt tegen de schijf die hij eraf wil hebben. De schijf valt op de grond.
Dat was het, zei Theo.
We moeten er nog een paar.
Theo zucht. Kun je niet eerst die doen? Ik heb een zere arm.
Sjef zegt niets. Hij pakt de schijf hout op, legt hem op zijn bovenbenen, slaat zijn armen erom en draagt hem naar het hakblok dat op een vlak stuk in de voortuin staat, iets achter de stronk. Hij legt de schijf op het hakblok en bekijkt de lijnen in het hout. Dan pakt hij een stalen wig van de grond, zet hem op de schijf en slaat hem met een grote hamer in het hout. Het tikken van metaal op metaal. De wig wringt zich in het hout, het sap komt uit de nerven omhoog. Dan pakt hij een tweede wig en slaat die in dezelfde lijn, iets dichter bij de schors. Het hout splijt.
Theo staat tegen de omgezaagde boom aan, zijn schoen op de heiningpaal die onder de boom ligt. Hij hoort opnieuw de wig het hout ingeklopt worden. Hij ziet een auto passeren en een vrouw op een fiets. Ze steekt haar hand naar hem op en Theo knikt.
Als Sjef de grote schijf in een paar stukken heeft zet hij een stuk op het hakblok, pakt de kloofbijl, zet zijn voeten iets uit elkaar en slaat de bijl in het blok. Hij wrikt de bijl los en slaat nog een keer. Het hout splijt in tweeën. Met de kloofbijl hakt hij het hout tot blokken die in de kachel passen. De meeste blokken zijn tamelijk rechthoekig, zodat ze stapelbaar zijn. Af en toe schopt hij met zijn werkschoenen blokken opzij, om ruimte voor zijn voeten te maken. Als de hele schijf gedaan is verzamelt hij de blokken en legt ze tegen de muur van het huis.
Het gaat allemaal vanzelf, zegt hij.
Zijn broer lacht. Vreemd hè, zegt hij. Dit soort dingen gaan hier altijd vanzelf.
Klojo.
Je vroeg me om te helpen met zagen, niet met sjouwen.
Een volgende dan maar? vraagt Sjef als alle blokken tegen de muur liggen.
Theo knikt.
Sjef pakt de beugelzaag, zet hem op de schors van de omgezaagde boom, maakt een begin en wacht tot zijn broertje aan de andere kant staat en mee zaagt.
Als ze op tweederde van de boom zijn ziet Sjef vanuit zijn ooghoek een fiets naderen. Theo volgt de blik van zijn broer, houdt op met zagen en kijkt over zijn schouder.
Ze heeft haar bruine gevoerde winterjas aan. Op haar hoofd een muts met zo’n pluizig dingetje aan een touwtje. Een rode muts is het. Ze fietst en haar adem is zichtbaar tegen de blauwe lucht. Ze gaat met de flauwe bocht mee, rijdt ogenschijnlijk tussen de populieren door die in de berm staan, en als ze vlakbij hun huis is en de broers ziet houdt ze de trappers stil.
Zagen, zegt Sjef en hij trekt aan de zaag. Theo doet mee, maar zijn hand ligt slap om de beugel en Sjef voelt dat de zaag zwaar loopt, alsof er iets hangt.
Ze stopt. Hoi, zegt ze.
Hoi, zegt Theo. Kom je van muziekles?
Piano, zegt ze.
Pianoles ja.
Het is koud, zegt ze. Toen ik daar kwam waren mijn vingers te koud om te spelen. Haar vingers bewegen om de handvaten van het stuur.
Ja, zegt Theo. Het is koud.
Hebben jullie die omgezaagd?
Ja, zegt Theo.
En Sjef zegt: Dat heeft onze Theo in zijn eentje gedaan.
Hou je kop.
Het meisje stapt van haar fiets en als ze met de fiets in haar hand op het grind van de oprit gaat staan zegt ze: Het was zo’n mooie boom.
Hij werd te groot, zegt Sjef en hij kijkt naar zijn broertje.
Het meisje knikt. Ze is een jaar ouder dan Theo maar zit in dezelfde klas.
Jammer, zegt ze.
Ja, zegt Theo. Hij pakt de zaag steviger vast en trekt eraan. Ze zagen verder.
Voor de kachel, zegt Theo.
Het meisje knikt.
Dat gaat beter dan net, zegt Sjef zacht.
Hou je kop.
Het meisje kijkt toe hoe ze de boom doorzagen, hoe het Theo is die het laatste zetje geeft, hoe de schijf op de ontdooide grond valt.
Dat is een scherpe zaag, zegt ze.
Ja ja, mompelt Theo. Hij kijkt even naar het meisje. Dan bukt hij zich en pakt de schijf hout beet. De doorsnee is bijna zestig centimeter. Een schijf van dertig centimeter. Zwaar. Hij trekt aan het stuk hout, het schuift een stukje voor de modder.
Niet schuiven, zegt Sjef. Optillen. Anders wordt dat hout smerig.
Theo kijkt hem even aan. Dan gaat Sjef aan de andere kant van de schijf staan en samen tillen ze hem op en leggen hem op het hakblok.
Gaan jullie hem fijn hakken?
De stem van het meisje klikt helder in de koude lucht.
Ja, zegt Theo.
Sjef heeft al een wig op de schijf gezet en slaat hem in het hout. Theo gaat iets van het hakblok vandaan staan. Hij ziet dat het meisje haar handen tegen haar oren drukt, haar rode wangen tussen haar handschoenen. Theo lacht. Als de schijf in twee stukken gespleten is, een groot stuk en een kleiner stuk, splijt hij eerst het grote en daarna het kleine. Theo pakt de bijl.
Wat ga je doen?
Zal ik dat stuk eerst doen?
Jij doet helemaal niks, zegt Sjef. Hij praat zacht en hij praat in de richting van het huis zodat het meisje het niet horen kan.
Laat me nou.
Eerst deze nog in tweeën, zegt Sjef. Zet die bijl maar weg.
Hij pakt een wig, zet hem op het hout en slaat hem er met een paar klappen in.
Theo laat de bijl met zijn kop op een van de stukken hout leunen, die bij zijn voeten liggen.
Dan zegt het meisje tussen het tikken van de hamer door: Is die zwaar?
Wat?
Die bijl.
Voel maar.
Het meisje loopt naar Theo toe. Hij reikt haar de steel van de bijl aan. Ze neemt hem aan, pakt de steel met twee handen beet en tilt hem op.
Zo.
Het is een kloofbijl, zegt Theo als ze hem de steel weer teruggeeft.
Wat is dat?
Om hout mee te kloven. Hij is in het midden dik en aan de achterkant iets smaller, zie je?
Ze knikt.
Een gewone bijl is om bomen om te hakken, zegt Theo. Om stukken hout weg te slaan, uit een stam of zo.
Ze staat vlakbij Theo. Hij zet een van zijn gymschoenen op de bijl.
Hebben jullie die boom omgehakt?
Nee. Gezaagd.
Hij wijst naar de beugelzaag die bij de boom ligt.
Sjef slaat een tweede wig in het blok en als het hout splijt slaat hij met de hamer tegen de zijkant van het blok tot dat in twee stukken aan weerskanten van het hakblok valt. Hij pakt de wiggen op en legt ze een stukje verderop in het gras. Dan zet hij een stuk hout op het hakblok, kijkt naar Theo en zegt: Geef die bijl maar.
Dat doet Theo. Hij gaat weer bij het meisje staan en ze kijken hoe Sjef de kloofbijl boven zijn hoofd tilt en hem op het blok laat neerkomen. Een smal stuk hout springt weg. Sjef zet het grote blok recht en slaat opnieuw, tot het blok klein gemaakt is. Dan zet hij de bijl in het hakblok, verzamelt hij de stukken en legt ze tegen de muur.
Er rijdt een auto over de weg. De claxon klinkt en Sjef en Theo kijken naar de weg en allebei steken ze hun hand op. Het meisje zwaait niet.
Mag ik een keer hakken?
Sjef kijkt het meisje aan. Het is gevaarlijk, zegt hij.
Een keer proberen.
Liever niet, zegt Sjef. Hij pakt de steel van de bijl en wrikt hem uit het hakblok. Het meisje laat haar schoen over een vlak stuk zwarte grond schuiven.
Laat haar toch eventjes, zegt Theo.
Met die bijl? vraagt Sjef.
Gewoon een keer proberen.
Denk eens na Theo.
In het huis blaft de hond.
Telefoon, zegt Sjef. Hij zet de bijl weer in het hakblok en loopt naar het huis. Niks doen, zegt hij tegen zijn broertje. Hij loopt over het grind naar de deur aan de zijkant van het huis, gaat naar binnen, legt zijn hand op de kop van de herder die een keer blaft en om zijn benen draait, en dan pakt hij in de hal de telefoon op.
Hallo.
Met mij.
Hoi pa.
Lukt het, met die boom?
Jawel. Ik heb er al een paar stukken af.
En Theo, helpt die een beetje?
Een beetje.
Hoezo?
Hij heeft lang in zijn nest gelegen.
Dan moet je hem roepen. Je weet hoe-ie is.
Sjef doet de deur naar zijn slaapkamer open. Door het raam aan de voorkant van het huis ziet hij het meisje staan. De zon staat laag achter haar en om haar muts en om haar haren die onder de muts uitkomen ligt een cirkel van flets licht. Dan hoort bij een klap. Godver, zegt hij.
Wat is er? vraagt zijn vader.
Wacht even.
Hij pakt de telefoon op, trekt aan het verlengsnoer en loopt zijn kamer in. Door het andere raam ziet hij dat Theo zich bukt om een stuk hout van de grond te pakken. In zijn andere hand heeft hij de bijl. Het meisje zegt iets en Theo kijkt over zijn schouder en zegt iets terug.
Sjef loopt naar het raam en tikt er met zijn vinger een paar keer tegen. Theo en het meisje kijken naar hem.
Is het voor mij? roept Theo.
Zet die bijl terug.
Theo lacht en hij zegt weer iets tegen het meisje.
Wat doet-ie? vraagt zijn vader door de telefoon.
Zet die bijl terug, roept Sjef weer, maar Theo reageert niet en Sjef ziet hem het houtblok nog een keer draaien, ziet hem een pas naar achteren doen en de bijl optillen. Eerst met twee handen voor zijn borst, dan boven zijn hoofd. Het meisje kijkt. Theo laat de bijl heel langzaam op het hout neerkomen, kijkt naar het meisje en zegt iets. Hier, leest Sjef af aan zijn mond.
Sjef tikt weer tegen het raam.
Wie is het? vraagt Theo.
Ophouen, roept Sjef, maar zijn broertje maakt een gebaar met zijn hand, tilt de bijl op, weer boven zijn hoofd en laat hem op het hout neerkomen. Het hout splijt. De bijl blijft vastzitten en Theo moet de bijl met het houtblok eraan nog een keer optillen en op het hakblok neer laten komen voor het in twee stukken is. De blokken vallen. Het meisje klapt in haar handen.
Hij is aan het kloven, zegt Sjef en hij klopt met zijn knokkels op het raam.
Laat die sukkel ermee ophouwen, zegt zijn vader.
Sjef roept weer. Theo zet de bijl op de grond, laat de steel tegen zijn heup leunen, pakt een ander blok en lacht naar het meisje. Ze komt iets dichterbij, zegt iets.
Godver, zegt Sjef. Hij klopt niet meer op het raam en hij zegt tegen zijn vader: Wacht even pa.
Hij legt de telefoon en de hoorn op zijn bed, gaat naar de hal, doet de deur open, en samen met de herdershond rent hij het grindpad op. Als hij bij de hoek van het huis is ziet hij nog net dat Theo de bijl met twee handen boven zijn hoofd houdt, een moment wacht en naar het blok hout kijkt, en dan de bijl laat dalen, bijna zonder kracht te zetten, zoals hij dat zijn vader en zijn broer al zo vaak heeft zien doen, en de bijl komt tegen de zijkant van het blok, ketst af en schiet door naar zijn linkersportschoen. Er is geen geluid, er is geen beweging meer. De bijl blijft onbeweeglijk staan. Theo houdt zijn handen om de steel en kijkt naar de schoen. Zijn adem condenseert in de lucht, de ademwolk lost op in de lucht en dan is er geen wolk meer te zien. Theo houdt zijn adem in. Het meisje wendt haar hoofd niet af en gilt. Ze gilt heel hoog en heel hard en de hond blaft. Sjef draait zich om en gaat naar binnen, naar zijn kamer. Hij pakt de telefoon van het bed en door het gegil van het meisje en het geblaf van de hond heen die buiten langs de rand van het grindpad draalt, zegt Sjef: Ik moet ophangen pa.
Wat is er?
Ik moet ophangen.
Hij hoort zijn vader nog iets vragen, maar drukt op de haak en houdt die even ingedrukt, voelt dat hij een paar keer diep adem moet halen, maar doet dat pas als hij de drie cijfers ingetoetst heeft, de hoorn tegen zijn oor drukt en luistert hoe de telefoon overgaat.

Jan van Mersbergen