Cossee lustrumbundel, juni 2007

Ik ben beroofd.
Wat zegt u?
Ik ben beroofd.
Kunt u iets duidelijker praten?
Ze hebben mijn geld gejat.
Iets langzamer misschien, iets langzamer praten.
Mijn portemonnee.
Oké. Gaat u daar even zitten. Begint u alstublieft bij het begin. Waar is uw geld gejat?
In de metro. Het was een donkere jongen.
Oké oké. Was het in de metrotrein of op een metrostation?
Op het perron. Hier bij het station. Hij had een mes. Die gast had een mes.
Goed goed. Wilt u misschien een kop koffie?
Ik wil geen koffie.
Doet u toch maar.
Wat?
Kunt u even bijkomen. Een beetje rustig worden. Ik zal even iemand laten komen. Wat zit er in uw haar? Aan de andere kant, op uw schouder?
Godver.
Plakt het? Het lijkt wel kauwgom.
Au.
Niet aan trekken, u kunt het er beter uitknippen, straks. Als zometeen de koffie komt zal ik vragen of iemand dat regelt. Goed? Waar komt u vandaan? U heeft een accent.
Birmingham.
En u was hier voor de wedstrijd?
Ja.
Verloren toch?
Ja. Luistert u eens. Iemand heeft mijn geld gejat en me bedreigd. En jij vraagt me naar die klotewedstrijd.
Verloren dus.
Wat gaan jullie doen?
Wat bedoelt u?
Om mijn geld terug te krijgen.
Om hoeveel geld gaat het?
Meer dan vijfhonderd.
Euro’s?
Ja.
Dat had u op zak?
Ja, en wat dan? Vergeet dat mes niet.
U bent bedreigd, zei u?
Ja, met een mes.
Als u in de metro een zakkenroller tegen bent gekomen dan wordt het moeilijk uw geld terug te krijgen.
Godver.
Hier is uw koffie. Iets erin?
Ja.
Alles?
Alles ja.
Hier, alles erop en eraan. Ik zal nog een keer iemand laten komen met een schaar. Wanneer was het precies?
Vanochtend. Heel vroeg.
Hoe laat?
Het metrostation was net open.
Zes uur?
Zoiets ja.
En u wilde met de metro.
Nee.
U wilde niet met de metro? Wat deed u dan op het metrostation?
Ik ben in slaap gevallen.
Op het perron?
Ja. Ik ben denk ik op zo’n bankje gaan zitten. We kwamen van het stadion en we wilden de stad weer in. Hierachter, weet u wel.
Wie zijn we?
Mijn maten uit Birmingham.
Waren die ook bij de wedstrijd?
Ja.
En die hebben u op dat bankje achter gelaten?
Ja.
Dat zijn uw maten?
Ze zijn hier de stad nog ingegaan.
Had u gedronken?
We hadden allemaal gedronken.
Zit u in een hotel?
Een hotel? Nee. We zijn gisterenmiddag aangekomen met de boot en we zouden vandaag weer terug gaan. Dan slapen we wel op de boot.
Hoe laat gaat die boot?
Die is al weg.
En uw geld ook.
Wat zegt u?
Sorry. U heeft gezien wie uw portemonnee gestolen heeft?
Ja, anders kon ik dat mes toch niet zien.
Heeft u hem goed gezien? Zou u hem herkennen?
Reken maar. Hij had donker haar en donkere ogen en hij had een trainingsjas aan.
En verder? Of wilt u eerst die kauwgom uit uw haar knippen?

Volgens iemand die bij jullie de roosters maakt werkte u afgelopen zondagochtend hier bij de toegangscontrole.
Dat klopt.
U was de hele ochtend hier?
Ja.
Wij hebben beelden opgevraagd van de bewakingscamera’s en daar heb ik een paar stills van bij me. Kunt u die bekijken?
Ja natuurlijk.
Momentje.
Doet u rustig aan. Als u een pas opzij doet dan kunnen de mensen de roltrap op. Zo ja. Bedankt.
Dit zijn ze.
Oké. Wat moet ik erop zien?
Die jongen. Die met die blauwe trainingsjas aan met die capuchon. Dat is blauw.
Ik weet het niet.
Kunt u zich herinneren of u hem hier binnen hebt zien komen? Hij kwam uit het station en hij is hier de roltrap afgegaan.
Er lopen hier zo veel mensen.
Ook op zondagochtend?
Ook op zondagochtend.
U stond hier de hele ochtend, zei u.
Ja.
U staat niet op de beelden.
Dat kan goed. We staan niet alleen bij de roltrap. Als er daar iets is dan gaan we daar naartoe en soms zitten die junken daar bij die trap en dan moeten wij ze vragen ergens anders naartoe te gaan.
Dan staat hier niemand meer?
Ik kan het ook niet helpen.
Dat begrijp ik.
Weet je wat? Je kunt bij het station boven naar Mourad vragen, die werkt op de perrons en in de hal. Bij de schoonmaakdienst. Die weet alles.
Mourad, zei u?
Ja.
Bedankt.

Goedemiddag meneer agent.
U bent Mourad?
Ja.
Van de schoonmaakdienst?
Ja. Waar kan ik u mee van dienst zijn?
We hebben gehoord dat u hier alles ziet en hoort.
Zeg maar jij.
Jij. Ik heb gehoord dat jij alles ziet.
En u wilt zien of ik echt alles zie?
Zoiets ja. Kunt u deze foto’s bekijken? Ze zijn van de beelden van de bewakingscamera’s, beneden in de metro. Het gaat om die jongen met die capuchon die daar de trap afgaat.
Die?
Ja.
Wanneer was dit?
Zondagochtend. Was u toen hier?
Ik ben altijd hier.
Dat zal wel. Zegt die jongen u iets?
Eens even kijken. Er komen hier veel mensen weet u.
Dat hebben we gehoord ja. Ook op zondagochtend geloof ik.
Precies.
Kijkt u eens rustig.
Is dat een Marokkaan?
Dat weet ik niet.
Ik heb hier wel een Marokkaan gezien in zo’n jackie. Hij was met een meisje.
Een meisje?
Ja. Hij deed zijn best om niet op te vallen, maar een Marokkaan met een blond meisje, dat valt altijd op weet u. Ik heb ze hier op het perron gezien. Op perron één. Ik was aan de andere kant, met de kar. Ze stonden op de trein te wachten.
Op perron één?
Ja. Daar boven.
Lang? Stonden ze lang te wachten?
Nou ja, tot de eerste trein kwam. Die vertrekt om een uur of zes. Kwart over misschien. En toen ging ze met de trein mee.
Ging ze?
Ja. Alleen dat meisje.
Hij niet?
Nee. Hij nam afscheid van haar en toen ging de trein weg met haar erin en toen ging hij ook weg, de trap af.
Naar de metro dus.
Ja.
En dat meisje. Vertelt u eens, hoe zag ze eruit?
Zeg maar jij. Ze was blond.
Dat zei u al. Sorry, dat zei je al. En verder. Hoe lang was ze? Hoe oud? Wat voor kleren droeg ze? Dat soort dingen.
Ze had een joggingbroek aan, en een spijkerjasje. Ze was opgemaakt zoals, nou ja, zoals die dames hierachter, weet u wel.
Hoe oud was ze?
Jong. Heel jong nog. Nog geen twintig. Of misschien begin twintig. En die jongen, die Marokkaan bedoel ik, was niet veel ouder.
Hoe ging dat met die twee?
Wat?
Heb je een idee waarom ze hier waren? Waarom hij haar op de trein zette?
Nee. Nou, ik kan wel zeggen dat het een normaal afscheid leek. Bijna dan, want altijd als je eentje van ons met zo’n blonde ziet dan weet je al dat er iets niet in de haak is. Ik bedoel, het zijn geen broer en zus en meestal is het ook geen stel dat elkaar op school heeft leren kennen.
Wat viel je op?
Hij gaf haar iets.
Kon u zien wat?
Jij. Kon jij zien wat?
Sorry. Het is moeilijk. Ik bedoel, je bent geen twintig meer.
Dat is zo. Maar hij gaf haar iets en ik kon niet zien wat het was. Iets kleins. Geld of zo. Dat denk ik tenminste, dat het geld moet zijn geweest. En toen ze de trein instapte en naar de coupé wilde lopen gaf hij haar een boek.
Een boek?
Ja, duidelijk een boek.
Weet u dat zeker?
Ik denk het. Ze wilde het eerst niet hebben, maar hij drong aan en gaf het haar toch, drukte het haar in haar handen. Vlak voordat de deuren dichtgingen.
Wie geeft er nou iemand een boek op zondagochtend, hier?
Ja, dat zult u aan die jongen moeten vragen. Of aan dat meisje.

Weet u zeker dat hij hier geweest is en dat ze hem hier gezien hebben of heeft u de anderen ook al gevraagd?
Ik weet dat hij hier geweest is, en ik heb de anderen ook gevraagd.
En?
Die hadden hem niet gezien, zeiden ze.
Ik weet het ook niet hoor. Het is al weer even geleden.
Kijkt u maar rustig.
Ja. Hij kan natuurlijk ook bij de automaat een kaartje hebben gekocht.
De automaten heb ik het ook al gevraagd.
En?
Die zeiden allemaal dat ik bij u moest zijn.
U hebt wel lol in je werk, hè?
Ik doe mijn best. Op die foto kunt u zijn gezicht het beste zien.
Ook niet echt duidelijk.
Tsja.
Ik weet het niet hoor.
Hij moet hier rond zessen geweest zijn. Er was een meisje bij hem. Een blond meisje dat hij naar de trein bracht. Naar de eerste trein van perron één. Volgens de dienstregeling was het de stoptrein naar Utrecht en Rotterdam, die via Amstel.
Oké, een meisje, zei u?
Ja. Blond.
Even kijken hoor. Ik herinner me wel een Marokkaan met zo’n trainingsjas. Weet u wat er op stond? Voorop die jas bedoel ik.
Kappa. Het was een Kappa jas.
Precies ja, dat was het. Mijn zoon heeft ook zo’n jas, maar dan een andere kleur en ik wilde dat nog tegen hem zeggen, maar dat deed ik niet. Als je hier zit dan wil je de hele tijd dat soort dingen zeggen, maar dat doe je dan niet.
En dat meisje?
Ik herinner me geen meisje.
Volgens een man van de schoonmaakploeg heeft hij dat meisje op de trein gezet.
Misschien wachtte ze ergens anders.
Dat kan ja.
Waar zoekt u hem voor?
Dat kan ik niet zeggen.
Heeft het met dat meisje te maken?
Niet direct. Maar misschien heeft dat meisje er zelf iets mee te maken. We weten het niet.

Met een meisje zeg je? Die jongen is hier geweest. Die heb ik hier zaterdagavond laat aan de balie gehad.
Dat meen je niet.
Ja. Hij bracht haar binnen. Dat was hem hoor, met die capuchon.
Echt?
Kan niet missen. Godallejezus. Zoek je iemand, is die hier een paar uur daarvoor hier binnen geweest.
Hij bracht dat meisje binnen?
Ja, ze heeft aangifte gedaan.
Waarvan.
Ze zei dat ze verkracht is.
Dat meen je niet? Door die vent?
Nee, niet door die van jou.
Waar heb je die spullen?
Die liggen daar nog. Het zit nog niet eens in een map. Ze zei dat ze in Hotel Winston verkracht is door een Engelsman en die Marokkaanse jongen ving haar op, op straat, en bracht haar hier naartoe.
Jezus, een Engelsman zeg je. Waar liggen die spullen?
Daar zei ik toch.
Hoe omschreef ze die Engelsman?
Staat er allemaal in. Een klein kaal ventje was het.
Klein?
Net zoiets als zij.
Een supporter?
Dat zijn ze allemaal.
Maar had ie zo’n shirt aan?
Dat weet ik niet uit mijn hoofd. Moet je even nalezen.
Eens kijken. Wat staat er? Kaal, klein. Engelse kop. En zij? Tippelde ze?
Ja.
Hier in de buurt?
Ja. Ze zei dat ze niet achter Centraal kwam. Dat vond ze te gevaarlijk, zei ze.
Heb je haar gegevens?
Op het volgende blad.
Uit Woerden komt ze?
Ja.
Dus daar ging die trein naartoe. Die kwam daar langs tenminste.
Welke trein?
Waar die Marokkaan haar op heeft gezet, ’s ochtends.
Begint me te dagen.
Mij ook.
Ga je haar opzoeken?
Dat lijkt me wel.
Hoe lang zijn ze hier geweest?
Niet zo lang. Gerrie heeft met haar gepraat in een van die kamers en bij Gerrie duurt dat meestal niet zo lang. Die jongen heeft hier zitten wachten. Een hele normale jongen leek me. Hij zei alleen geen woord.
En toen zijn ze samen weggegaan?
Ja.
Enig idee waar naartoe?
Wij vroegen haar of ze naar huis wilde en ze zei dat ze de eerste trein zou pakken. Wij zeiden dat dat nog wel even duurde en zij zei dat ze ergens iets kon gaan eten.
Met hem?
Ja. Ze had de hele avond en nacht niks gegeten. Ze had honger.
Zei ze waar ze naartoe wilde gaan?
Ze had het over een broodje bal.
Dat bedoel ik.

Broodje bal, zegt u? Ook zonder broodje bal had ik nog wel geweten dat zij hier waren. Henk was er ook bij. Die Marokkaan met dat meisje. Henk zei dat hij er iets van gehoord had, dat jullie hem zochten, dus ik dacht ik zal me even melden. Later of zo.
Dat stellen we zeer op prijs. Dat was zaterdagnacht?
Zaterdag was het ja. Het was al laat hoor. Ze zaten aan dat tafeltje daar. Wat heeft hij gedaan?
Wat zegt u?
Wat heeft hij met haar uitgevreten?
Dat weten we niet, maar we zoeken hem voor iets anders.
O.
Als u informatie heeft die ons verder kan helpen dan hoor ik het graag, andere zaken kunt u beter binnen de muren van uw café houden.
Nou, we dachten dat hij wel iets met haar uitgevroten had, dat dacht Henk tenminste. Die heeft daar nog gesproken die avond. Hij zat op de hoek van de bar en zij ging een paar keer naar de wc en kwam langs hem. Hij sprak haar aan.
Wie is Henk?
Een stamgast.
Waar hadden ze het over?
Henk? Die heeft het maar over een ding.
En dat is?
Als ik dat hier zeg, komt zijn vrouw het dan te weten?
Waarschijnlijk niet.
Nou, hij had het met haar niet over voetballen.
Oké. Maar vertelt u eens over die jongen en dat meisje. Wat dronken ze bijvoorbeeld, als u dat nog weet. Was er iets tussen hen?
Hij dronk cola. Dat weet ik nog wel. Hij at niks.
Wie betaalde?
Hij.
En wat dronk zij?
Dat weet ik niet meer. Wijn geloof ik. Witte wijn.
Hoe laat gingen ze weg?
Tegen sluitingstijd. Ze hebben heel lang aan die tafel gezeten.
Dank u wel.
Succes. Ik hoop dat u hem pakt.

Ik praat er liever niet over als mijn moeder erbij is.
Dan praten we ergens anders.
Nu?
Ja.
In de bijkeuken. Is dat goed?
Wat jij wilt.
Als u even wacht. Ik zal er even een stoel bij pakken. Ik ga wel op het krukje zitten. Wacht even.
Ik wacht.
Zo.
Prima.
Weet u iets over die Engelsman?
Daar kom ik niet voor.
Ik dacht dat u hem gevonden had.
We zoeken iemand anders. We zoeken een Marokkaanse jongen die met jou gezien is die avond. Na Hotel Winston bedoel ik.
Niet die Engelsman? Die kale.
Dat is een andere zaak. Weet je over wie ik het heb?
Ja.
Weet je hoe hij heet?
Dat heeft hij me niet verteld.
En hij? Weet hij hoe jij heet?
Hij weet hoe ik in Amsterdam heet.
Ik begrijp het, Tanja.
Hoe weet u dat?
Dat staat in de aangifte. Waar ken je hem van?
Ik kende hem nog niet. Ik heb hem die avond ontmoet. Voor het eerst.
Waar?
Eh.
Wat zeg je?
Ik vind het moeilijk.
Dat geeft niet. Neem gerust je tijd.
Het was in de Warmoesstraat.
Op straat?
Ja. Ik was op straat nadat, je weet wel, die kale.
Dat weet ik. En toen ontmoette je die jongen?
Hij zag me. En hij sprak me aan. Ik ben omgevallen. Dat denk ik tenminste. Ik voelde me ziek. Hij heeft me geholpen. Hij heeft me geholpen en hij vroeg me hoe het ging en zo. Hij bleef hij me staan op straat. Als enige. Hij praatte met me. Daarna heeft hij me naar het bureau geholpen en daarna heeft hij me naar de trein gebracht. Dat was pas veel later. Hij heeft wat te eten voor me gekocht want ik had geen geld meer.
En verder?
Hij was aardig voor me. Hij was een beetje vreemd, maar hij heeft me wel geholpen.
Waarom was hij vreemd?
Hij praatte vreemd.
Waarover?
Over wat hij deed. Hij deed ook vreemd. Hij was op de wallen en hij vertelde wat hij daar deed. Hij had het over een peepshow. En hij vertelde dat hij graag iets wilde doen, dat hij niet kon toekijken, dat zei hij. Dat soort dingen. Ik begreep er niet veel van.
Is dat alles wat je er van weet?
Ja.
Ik hoorde dat hij je een boek gegeven heeft. Toen je de trein instapte. Klopt dat?
Ja.
Heb je dat boek nog?
Ik heb het in de trein laten liggen.
Laten liggen?
Ik wist niet wat ik ermee moest. Het leek wel een bijbel.
Een bijbel?
Ja. Het had zo’n kaft. Als een bijbel. Maar dan voor hun. Ik heb het laten liggen. Wat moest ik ermee doen? Ik bedoel, ik lees toch niet.
Waarom heb je het aangenomen?
Ik wilde het eerst niet hebben. Dat zei ik. Hij drukte het gewoon in mijn handen.
Dat zei die man die bij de trein werkt ook. En over die peepshow.
Wat is daarmee?
Wat zei hij daarover?
Niet veel.
Nou?
Het was raar. Hij zei dat hij de meisjes in de peepshow aankijkt.
Dat is niet raar, dat doen mannen in peepshows.
Niet zoals hij. Hij zei dat hij ze wil bekeren of zo. Dat idee kreeg ik tenminste.
En verder?
Dat was het wel. Het was een rare snuiter. En als ik die avond niet zo’n klote avond had gehad dan was ik nooit met hem mee naar jullie gegaan en al helemaal niet naar dat café. Het kwam allemaal net zo uit, verder niks. Begrijpt u?
Ja.

Die kwam hier regelmatig ja. We hielden hem in de gaten want we wilden hem niet meer hier binnen hebben, maar hij nam denk ik de achteringang daar aan het steegje en daar hebben we geen zicht op. Dan kon hij gewoon binnen komen zonder dat hij de jongens van de deur tegenkwam. Zo zit dat hier nou eenmaal in elkaar. Ik weet niet wat het was met hem, maar hij bracht altijd wel iets met zich mee.
Iets?
Gedoe, ophef, geschreeuw van de meisjes. Hij maakte dat ze zich, nou ja, dat ze zich niet meer op hun gemak voelden, daar.
En dat is niet de bedoeling?
Dat is niet de bedoeling, nee. Ik weet ook niet wat hij deed, maar de meisjes klaagden wel als hij geweest was. Die zeiden dat hij er een idioot binnen was, een mafkees met van die enge ogen. Daar keek hij ze mee aan, die meisjes. Met van die donkere ogen. Dat zeiden ze. Kijk, ik ben er nooit bij geweest, want ik zit altijd hier en wat ze daar allemaal doen dat geloof ik wel. Ze weten zelf heel goed wat ze wel en wat ze niet moeten doen. Dus. Maar ze klaagden wel.
Alle meisjes?
De meesten.
En die vanavond hier zijn?
U kunt het ze vragen. Ze zijn achter. Maar doet u een beetje voorzichtig, ze hebben niet veel op met mensen van de politie, maar dat wist u waarschijnlijk al. Ja? Charly hier kan wel even met u meelopen. Charly. Deze meneer moet even iets aan de meisjes vragen. Nee, achter natuurlijk. Wat denk je, dat ik hem de hele avond hier aan de balie wil hebben?

Is het deze? Bedoelt u deze?
Ja.
Misschien is hij het. Misschien niet. Over wat u zei. Over dat hij kijkt en zo, maar ik weet het niet precies. Ik let nooit op die kerels. Dat lijkt me niet goed om te doen. Dan wordt het hier echt vervelend, als je dat zou doen. Maar sommige meisjes doen dat wel. Die zien alles. Zelfs in die donkere hokjes. Misschien Angelique. Die is altijd helder. Die let goed op. Ik bedoel, haar ontgaat niks. Zal ik haar even halen?
Als je wilt. En als ze tijd heeft.
Ik zag haar net binnenkomen. En ze kan nog net begonnen zijn. Eén moment.
Goed.

Jij bent Angelique.
Aha.
Herkent u deze man?
Geef eens hier. Nou, die ken ik wel. Stop maar gauw weer weg.
Dank je. Je kent hem van hier?
Ja. Dat is die jongen die in je ogen kijkt. De meeste mannen hier komen ergens anders voor, en ik weet niet precies wat hij ermee wil, maar hij komt hier zo af en toe binnen en dan gaat hij een hokje in en kijkt hij de meisjes in hun ogen. Heel lang.
Waarom denk je dat hij dat deed?
Weet ik veel.
Heb jij dat een keer meegemaakt?
Ja, maar mij deed het niks. Ik ken dat wel, dat gedoe. Ik trek me daar niks van aan. Ik doe mijn werk en als mijn werk erop zit dan ga ik naar huis. Net als u.
Ja.
Maar andere meisjes hadden echt last van hem. Dan staarde hij ze aan en als je daar niet tegen kunt en je bent aan het werk dan kan dat je helemaal gek maken. Een paar keer is een meisje echt opgehouden. Die moest even naar achter. Laatst nog. Laura, die was de laatste denk ik. Die dacht dat ze inderdaad gepiepeld werd door die snuiter.
Wanneer was dat?
Zaterdag denk ik.
En deed hij dan veder nog iets?
Nee. Nou, ik heb wel eens van Charly van de deur gehoord dat hij buiten iets opschreef, in een boekje.
Weet je ook wat?
Nee. Charly had hem een keer hier binnen gezien en hem de deur uit zien gaan en toen heeft hij hem gevolgd tot hij hier de hoek om was en toen haalde hij een boekje uit zijn rugzak en daar schreef hij iets in, heel kort. Toen liep hij verder.
Oké.
Weet je wat het is, dat soort lui wil iets doen, maar is gek in hun hoofd. Ze denken dat ze de mensen helpen, maar ze helpen alleen zichzelf. Ik denk dat het goed bedoeld is hoor, maar de mensen waar het om gaat, dat zijn alleen dingen, waar je naar kunt kijken.
Dat klinkt goed.
Dat is wat ik denk.
Ik bedoel, dat klinkt goed op deze plek.
Dank u wel. Ik ken mijn werk.
Werk ze dan maar.
U ook.

Jan van Mersbergen