Vakantiedoeboek, mei 2012

juli 1992
Ik probeer me te focussen op de vangrail naast me, de dwarrelende lijn net boven de strook gras, de grens tussen het asfalt en de struiken, de akkers, maïsvelden, een enkele boom. Het is erg warm, het raampje staat open, mijn elleboog op het portier. Soms is de vangrail werkelijk kaarsrecht gemaakt, over honderden meters bijna waterpas, en dan danst de bovenkant van het ijzer niet op en neer, dan is het echt een lijn die door het landschap getrokken wordt, tot hij opeens in de grond verdwijnt. In mijn verbeelding gaat de vangrail door, ingegraven, om straks weer boven te komen, en daar wacht ik op, het moment dat die reling weer begint. Daar is-ie weer. Er zitten deuken in. Het is een recht stuk snelweg vlakbij Dijon en er zijn veel ongelukken geweest hier. Olie op de vluchtstrook, op een enkele plek is de vangrail volledig ingedeukt en overreden, en de aanblik van die opgefrommelde lijn blijft langer hangen dan de trillende lijn tussen de lucht, grond en weg.

juli 1992
Ik ben een keer in een gebied geweest met bergen – vrij bescheiden bergjes, maar voor iemand die is opgegroeid in een polder die op -1 NAP ligt is zo’n Mont Lozère een hele hoge berg. Het was er verschrikkelijk. In het dal bij het riviertje ging het nog wel, daar lagen de dorpjes en daar lagen de wegen waarover ik weer weg kon komen uit dit gebied, naar het noorden of zuiden, dat maakte niet uit, naar de snelweg, naar een spoorlijn. Ik at een pizza in Gènolhac of in Villefort, dat weet ik niet meer precies, en die pizza was erg lekker, vooral omdat ik hem at op een terras dat uitkeek op de bergen, en omdat ik niet op die berg zat en uitkeek op het dorp. Maar die bergen… Je kon totaal niet zien welke piek welke berg was en wat nou het hoogste punt was. Niet zoals een dorp met een kerktoren, dat is helder. Je kon ook nooit weten wat er achter zo’n berg was, en dat was tamelijk verlammend. Er liepen geiten en koeien en er stonden nergens paaltjes met een draad erlangs. Prikkeldraad hoeft nou ook weer niet meteen, maar gewoon een afrastering helpt al om me wat thuis te laten voelen. De dorpjes waren schitterend. Daar was meestal wel een bakker die vers brood verkocht, en een camping en een kroeg met oude mannetjes.

juli 1992
Over de autoroute naar het zuiden en het was tegen de middag en de zonneklep was naar beneden, het was warm in de auto, de zon brandde op mijn armen, op mijn elleboog die op het portier lag. Ik luisterde naar de radio. Het was heel rustig op de weg, in de spiegels geen andere auto’s of vrachtwagens, en voor alleen een Golf die me voorbij gereden was en nu langzaam kleiner werd. Een rode Golf. Ik reed langs graanvelden, langs loodsen, langs een dorpje. Het asfalt trilde. De zon broeide en in mijn hoofd broeide het ook en langzaam zag ik alles wazig. Ik ging niet harder rijden en ook niet zachter, en de auto zoemde en de borden die langs de weg stonden kwamen op me af. Ik kon ze net ontwijken. Die vogel ook. Die auto op dat viaduct. Toen kwam er nog een viaduct en weer even was de zon even weg en waren er alleen de vlekken voor mijn ogen, en daarna was hij er weer, de zon, en begon op de radio een mooi liedje.

juli 1994
Ik zat al tien uur bij hem in de cabine, bij deze zwijgende vrachtwagenchauffeur uit Marseille, en we naderden zijn stad en ik moest nog een stukje verder. Hij had geen radio in de wagen. Hij luisterde naar het zoemen van de motor en naar het geluid van de wielen over het asfalt. Dat zei hij, dat vond ik mooi. Muziek laat de tijd sneller gaan, deze chauffeur was echt op weg. Letterlijk. Hij voelde iedere meter van zijn rit, wilde dat ook voelen, en toen hij na die achthonderd kilometer die ik met hem meegelift was uit de wagen stapte en ik hem koffie aanbood, voor de rit, bedankte hij me vriendelijk. Hij moest alleen even tanken en dan door. Naar huis. De wagen op z’n plek zetten en naar huis. Koffie drinken met zijn vrouw. Brood met jam erbij. Misschien nog een restje warme hap. Ik schudde hem de hand, pakte mijn rugzak en liep naar het tankstation waar ik een broodje kocht en koffie.

maart 1998
Ik reed door het donker over een vierbaansweg en ik keek naar de borden langs de weg waar op stond hoe ver het nog was en ik keek naar de loodsen van de industrieterreinen, en ik wist dat er geen file was en de man die de auto reed wist dat ook. Ik kende hem niet. Ik had staan liften ergens buiten Lyon, op een naargeestig stuk snelweg en daar had hij me opgepikt en dat was eigenlijk een wonder, want ik had er heel lang gestaan en wilde al terug naar de stad lopen, naar een station waar misschien een nachttrein zou komen, en toen stopte deze groene Citroën en nu zat ik al een paar uur naast deze man en na de eerste paar beleefde zinnetjes hadden we niks meer gezegd. Ik ging naar het noorden, ik ging naar huis. Hij had twee hele grote tassen op de achterbank staan en een doos waar een fotolijst uit stak. Op de foto, die ik voor de helft kon zien, stond hij zelf en een meisje. De man keek alleen naar de weg voor ons. Hij ging weg.

juli 2005
Ik volg de witte lijn rechts van me, hij draait steeds naar me toe en schiet dan weg onder de auto, en de lijn is in de andere richting eindeloos lang en ook het asfalt is eindeloos, en het is midden in de nacht en stervensdonker en heel erg rustig op de snelweg. De auto die voor ons rijdt is vanaf de oprit bij kilometerpaal 20,1 voor ons komen rijden en nu zitten we bijna bij de 90 en gaat hij daar nog steeds, die kleine Renault, als een niet in te halen prooi. De rust van deze nachtelijke snelweg en het zoemen van de auto en het zwijgen van de mannen in de auto is werkelijk fenomenaal en ook al slaap ik die nacht slecht, de volgende ochtend ben ik fit en goed uitgerust en dan denk ik terug aan de rit over deze zwarte strook, dan weet ik precies waar ze voor dienen, niet voor iets banaals als vervoer, maar voor een type rust dat de natuur niet bieden kan, want natuur kent doorgaans onrust en stress. Alleen een plan zoals het snelwegennet geeft deze rust, zoals ook het functioneren van een vliegveld dat kan, en een draaiende kraan in de haven, een brug die open gaat en waarbij het niet uitmaakt of je ervoor moet wachten of eronderdoor vaart.

juli 2007
Een korenveld, en het koren striemde mijn blote benen. De grond onder mijn blote voeten was koel, veel koeler dan de lucht, veel koeler dan het onverharde pad met puin en stenen, en glas, waar ik eerst op liep. De hemel was blauw en hoog en beangstigend, dus ik keek zo’n beetje voor me uit, naar de toppen van het koren en naar de struiken in de verte, waar een ander pad tussen moest liggen, en helemaal beneden de rivier.
Wat is koren hard. Wat is koren gevoelloos en droog. Scherp.
De opties van een grasveld bestonden hier niet. Gewoon gaan liggen. Iets doen, rennen. Zelfs insecten lieten zich hier niet zien, of verstopten zich diep in de koele bodem. Alles was stil.
Een sikkel heb ik nodig. Een machine. Slachten dat graan, hoe het ook heet. Het stof hoog in de warme lucht, die grote ronde schoepen die draaien en piepen. Een blazende dieselmotor.
Dorsmachines zijn monsterlijk mooi.

Jan van Mersbergen