PARK, februari 2012

De enige muzieksoort waarbij ik gedwongen word tot meezingen, omdat de woorden als vanzelf mijn strot doorgeduwd worden, is Vastelaovesmuziek. Limburgse Carnavalsmuziek, en zeer specifiek: uit Venlo. De subtiele teksten worden gedragen door dwingende tonen van blazers en trommels, en ik zing mee, word schor en verlies onherroepelijk mijn stem. Woorden die mij de woorden ontnemen. De Vastelaovesliedjes herbergen een taal die gedeeld moet worden met de mensen om me heen, en die sterker is dan mijn eigen stem.
Toen ik voor het eerst Vastelaovend in Venlo vierde en opging in het verschrikkelijke zuipen en feesten en het mooi uitgedost zijn – wat overal tijdens Carnaval gebeurt – hoorde ik in de Venlose kroegen de tranentrekkers en de snellere dansliedjes. Ik viel als een blok voor de leedjes, zoals ze in Venlo heten. Thuis in Amsterdam zocht ik de teksten op zodat ik het jaar erop mee kon zingen. Ik vond Lekker zunke (Lekker zonnetje) van Frans Boermans, de vader van regisseur Theu: ‘Weej springe gater in de lôch. Dat kan gerös, d’r is nog lôch genôg.’ Wonderbaarlijk eenvoudige wijsheid. Vrolijk en geruststellend tegelijk.
Om de wortels van countrymuziek te voelen moet je naar Austin in Texas, of naar Nashville. De basis van de fado vind je in Portugal en in Sevilla kun je de flamenco voelen zoals die muziek bedoeld is. Het fundament van de Venlose Vastelaovesmuziek leerde ik kennen bij een joekskapel (blaaskapel – red.) in de Gasthuisstraat. Handschoenen met afgeknipte vingers, ventielen die op en neer deinden, wangen die bliezen, het trommelen. In de kou van de Gasthuisstraat verzamelden zich een paar honderd Vastelaovesvierders en er werd gezongen en gedanst. De teksten werden de lucht in geslingerd, niemand kon zich aan de liedjes onttrekken.
Toen ik daar mijn stem verloor en keek naar de man met de schuiftrompet die met samengeknepen ogen de noten eruit tetterde, naar de trompetist die tussen de nummers in zijn handen opwarmde onder zijn oksels, naar de grote trom die zwaarder en zwaarder werd maar niet bezweek, begreep ik: op deze plek komt het momentum van Vastelaovend samen met jaren oefenen, met zweten en voorbereiden. Alles voor de joeksige muziek.
Ook wist ik: hier ga ik een roman over schrijven en die roman moet hier beginnen, buiten bij een joekskapel. (…)

Binnen de traditie van de Vastelaovendliedjes nemen de liedjes uit Venlo een bijzondere plaats in. Het Limburgs Vastelaovesleedjes Konkoer (LVK) is sinds de oprichting in 1977 elf keer (joeksig!) gewonnen door een liedje uit Venlo, waarvan de laatste vier jaar drie keer. En in oktober 2011 streden tijdens de Venlose Leedjesavond (een begrip in Limburg) in de Maaspoort elf nieuwe Vastelaovesliedjes om de titel. Drie leedjes gingen over ‘thuis’, in het Venloos: thoés. In ‘As Jocushaan weer kreit’: ‘Staon ik stil veur ’t stadhoes, vuel ik Venlo, Venlo is mijn thoés.’ In ‘Thoés’: ‘Ik mis ôs gesmoés, wanniér kin ik nao hoés.’ En ‘Weej bliéve thoés’ gaat over een slak die zich met Vastelaovend overal thuis voelt omdat hij zijn huis bij zich heeft.
Nu is Vastelaovend thuiskomen. Na maanden sparen en voorbereiden mogen we weer. Zenuwen, en dan is het zo ver. De bekende sfeer is er, de muziek is er, het bier is er, de joeks is er.
Trio de Toddezék, LVK-winnaars uit Grubbenvorst nabij Venlo, schreven met Heej bliéf ik plekke, een lied dat letterlijk gaat over het vastgeplakt staan tijdens Carnaval, in de confetti en in het bier. Je kunt niet weg.

Heej bliëf ik plekke, heej gaon ik stekke, heej bliëf ik staon
Heej bliëf ik plekke, de veut verzette, det zal ni gaon
Want miën zaole zitte vasgeplek in allemaol daen driët
Zoë heb ik met de vastenaovend alle tiëd

Vooral de link naar de tiëd (tijd) is belangrijk, want tijdsbeleving is tijdens Vastelaovend totaal anders. Een uur duurt een middag, een avond kan in een zucht voorbij zijn. Kortom: als je je thuis voelt bestaat de tijd niet.
Ondanks de sfeer en de ambiance tijdens de Leedjesavond voelde ik er enige afstand tussen de Vastelaovesmuziek en het bezongen thema. Op de tafels stonden schaaltjes nootjes en bloemstukjes. De stoelen op de tribune waren van pluche. Het evenement was live te zien op Omroep Venlo. Het was een joeksige avond, maar wat gebeurt er daarna met de liedjes? Wie zorgt ervoor dat ze niet alleen hier klinken en in de kroegen, maar ook tijdens de Vastelaovend op straat en daardoor in de hoofden en harten van de mensen een plekje veroveren, en klassiekers worden?
De blaaskapellen; zij zorgen ervoor dat de liedjes thoés komen. Afgelopen september kreeg ik de kans hier heel dichtbij te komen. De organisatie van de Nach van het Limburgs Leed vroeg of ik samen met een joekskapel wilde optreden: D’n Heiten Haspel. Zij spelen, ik voorlezen. Ik zei meteen ja.
D’n Heiten Haspel bleken jonge vriendelijke gasten. In het achterzaaltje van Hotel American las ik fragmenten uit de roman voor en de muzikanten speelden de leedjes die als vanzelf in de tekst aangekondigd werden, want zij dragen de roman.
Naar aanleiding van de Nach ben ik uitgenodigd voor de jaarlijkse feestavond van D’n Heiten Haspel. Een kans die ik met beide handen aangrijp, dus ga ik op weg naar de Boostenhof, een kroeg en feestzaal in het gehucht Boekend, achter Blerick.

Jeroen Engels, voorman en zanger van D’n Heiten Haspel heet me welkom met de woorden: ‘Dit is ons thuis.’ Er is een barretje met een steunrand voor je voeten, een dartbord, een biljart. Statafels. Veel bier. De instrumenten liggen in de ruimte links achter twee grote deuren. Hier geen achthonderd toeschouwers zoals in de Maaspoort. Geen pluche. Hier staan twaalf vrienden me op te wachten, in gekleurde shirts, met rode en zwarte pruiken, zonnebrillen, sommigen in afgeknipte spijkerbroek. Het is alsof ik in mijn Brabantse dorpje ‘t Wapen van Emmickhoven ben binnengelopen: een zaal voor de gemeenschap en voor iedere aangelegenheid, van bruiloft tot biljartavond.
Jeroen laat me de bekers zien die ze met de joekskapel gewonnen hebben. Ze staan boven de bar. Hij zegt: ‘Hierboven spelen we, en daarna zitten we daar.’
Hij wijst.
In de hoek is alleen een tafel te zien, maar het lijkt alsof hij met een soort genegenheid naar die plek wijst en hij zegt op zo’n warme toon ‘daar’ dat ik begrijp dat die plek voor hen heel belangrijk is. Hij laat mij niet die tafel zien, hij laat hun leven zien. Hier repeteren ze iedere vrijdag, hier drinken ze bier.
Als ik in Londen ben sla ik liever Buckingham Palace over en wil ik in zo’n pub een biertje drinken. Op Schiermonnikoog geniet ik een uurtje van het Wad en daarna vijf uur van zo’n café. In Hyères, aan de Franse Côte d’Azur, loop ik het protserige haventje uit en tref voorbij de rotonde in een bar-dancing mijn Franse voetbalvrienden die jaarlijks een toernooi organiseren. Dit is hun thuis.

We drinken een paar biertjes. Ik krijg twintig muntjes in een plastic zakje, als een schooljongen die fruit meekrijgt van zijn moeder. Om de tien minuten komt er een iemand langs met een blad bier. Ze zeggen niet veel, deze jongens. ‘Hier,’ als het bier eraan komt. En: ‘Proost.’ En: ‘Goeie reis gehad?’
De vraag die ik het meeste hoor: ‘Ben jij nou helemaal uit Amsterdam hier naartoe gekomen?’ Vol schaamte bijna, omdat Boostenhof geen hippe club is en niet aan het Leidseplein ligt.
Voor het optreden spreek ik vriendinnen van D’n Heiten Haspel. Aanhang. Ze vragen of ik het wel leuk vond hier, zo’n eind van Amsterdam. Ik knik. Ik wijs naar een man en een vrouw aan de bar. Ze leunen tegen elkaar aan, hun handen in elkaar verstrengeld. Tegen de meisjes zeg ik: ‘Die handen, daar kan ik het complete land voor afreizen.’
Op een beeldscherm wordt de jubileum-dvd vertoond die de jongens van D’n Heiten Haspel maakten toen ze vijf en een half jaar bestonden (de ‘Helluf van Elluf’), met een episch intro en hilarische zwembadscène. Jeroen, die in het dagelijks leven brandweerman is, vertelt me dat het zwembad afliep en dat de sousafoon volstroomde met chloorwater terwijl die jongen speelde. Hij moest zijn sousafoonspeler uit het water vissen.
Dit is geen literair verhaal, maar een anekdote van vrienden die samen iets doen, iets maken. Iets meemaken.
Ik sta weer aan de toog van mijn Wapen van Emmickhoven, waar ik biljart speel en naar de rollende stukjes fruit op de gokkast kijk. De mensen zijn hetzelfde, de verhalen zijn hetzelfde. Daar leerde ik geen verhalen schrijven, daar leerde ik naar verhalen luisteren.

D’n Heiten Haspel werd zes jaar geleden opgericht. De jongens waren geen muzikanten, ze wilden gewoon de leedjes spelen. Mee in de optocht, spelen op straat. Ze wilden dicht op de sfeer zitten, zélf de sfeer maken en levendig houden. ‘We beginnen een joekskapel.’
Dat gebeurde: instrumenten aanschaffen, oefenen. Hun naam werd afgeleid van een verlengsnoer dat te warm werd en smolt. Inmiddels doen ze mee aan joekskapellenkonkoersen en rijden ze ieder jaar met hun joeksmobiel mee in de optocht van Blerick en in de Grote Optocht op Vastelaovesmaandag in Venlo.
Die joeksmobiel is een bus met plat dak, gebouwd door Puck Derckx. Toen op 15 februari 2010 vlak voordat de optocht begon de bus niet wilde starten bleek dat die ochtend Puck overleden was. Het leek een signaal van de bus, een eerbetoon van de joeksmobiel aan de bouwer. Iedereen was stil. Even later startte de bus wel en reden ze de optocht, met vier vaten bier aan boord die allemaal op gingen.
In de rouwadvertentie stond: ‘Vastelaovesmaondaag is ôzze pap, schoënpap en opa euverleeje. Kiékend nao de wiés wie heej in ut leave stônd, hat ut genne andere daag kinne zien.’
De sterfdag van Puck Derckx is niet die datum in februari, het is de Vastelaovesmaandag. En die valt ieder jaar op een andere dag.
Op deze avond gaan buiten aan de statafel ook verhalen rond die schuren langs leven en geluk, langs de dood en het verdriet. De vriendin van Jeroen is er ook. Twintig weken zwanger en dolgelukkig. Een andere jongen is er niet omdat de zwangerschap van zijn vriendin is afgebroken. Ze verloren het kindje.
‘Hoe gaat het met hem?’ vraagt iemand.
‘Het gaat,’ zegt een ander.
Kort, en toch warm, zo gaan ze hier met elkaar om. Ze denken aan elkaar, zijn bij elkaar.

Een half uur later beklimmen de jongens het podium. Draaiende gekleurde lichten. De grote trom vraagt aan de barman een groot kratje fris – leeg. Hij zet het gele kratje voor het podium en plaatst zijn grote trom er schuin op. ‘Past altijd.’
We spelen hetzelfde programma als tijdens de Nach, maar nu voor een paar vrienden en aanhang en heel veel glazen bier. Achter in de zaal staat een groepje te praten, en ze stoppen daar niet mee omdat een Amsterdamse schrijver gaat voorlezen. Het is niet erg. Ik ben hier niet als schrijver, ik ben hier voor de Vastelaovesmuziek, en die muziek is er, en ik zing mee, samen met Jeroen, die naast het podium op een rechthoekige biertafel zit, zijn benen bungelen als een schooljongen. Hij zingt maar de microfoon komt niet boven het geweld uit van drie saxofoons, drie trompetten, twee schuiftrompetten, een sousafoon en twee trommels. Naast hem ligt een map met alle teksten. Overbodig.
We spelen ‘As de sterre’, ‘D’n disco dens’ en ‘Venlo stedje’. Dat laatste lied zong mijn dochter in de microfoon tussen de toespraakjes door bij mijn boekpresentatie, ook in Venlo.

Venlo, stedje van lol en plezeer
Dich kan ik toch noëts vergaete

Ik vertelde erbij dat we het liedje oefenden op weg naar school door de Amsterdamse Pijp. Zij zat voorop, op het stoeltje op de stang, haar handen aan het stuur en ik zong: ‘Venlo, stedje…’
En zij maakte de regels af, steeds moest ze die zingen, de regels die ik op deze novemberavond in Boekend zing samen met Jeroen en samen met alle mensen in dit warme zaaltje die niets anders kunnen dan meezingen. Hier zijn de liedjes thuis, en gelukkig zijn er in Limburg heel veel vergelijkbare plekken waar de mensen leven voor de muziek en waar de muziek leeft in de mensen. Ze dragen de liedjes met zich mee zoals een slak zijn slakkenhuis.

Jan van Mersbergen