En toen viel ik van het podium, maart 2007

Voor een schrijver betekent optreden: voorlezen. Bij voorkeur uit de laatst verschenen roman of dichtbundel. In de meeste gevallen voor een klein publiek, op leeftijd, geduldig en respectvol. Ik doe dit graag, maar ergens, diep vanbinnen zie ik hier vreselijk tegenop. Niet om de setting of het publiek, maar omdat ik in mijn jeugd gestotterd heb. Spreekbeurten voor de klas verliepen hakkelend. Ik kan me herinneren dat de lerares Duits me een eenvoudig vraag stelde en ik bewust een fout antwoord gaf omdat het juiste antwoord begon met een K of een M gevolgd door een A, lettercombinaties waar ik met geen mogelijkheid uit kon komen. Liever dom, dan een stotteraar.
Op mijn zeventiende pakte ik mijn stotterprobleem rigoreus aan. Ik ging toneelspelen. Dat hoor je wel vaker, stotteraars die wanneer ze op een podium staan opeens kunnen praten, zo ook in mijn geval. Acteren kon ik niet, maar zodra ik voor een publiek stond kon ik vlekkeloos uit mijn woorden komen. Dat was al heel wat.
Toen ik in Amsterdam woonde dook het stotteren heel soms nog op. De gevolgen waren minder drastisch dan in de Duitse les. In het slechtste geval kon het gebeuren dat ik van de bakker terugkwam met een half volkoren met sesam, in plaats van met maanzaad.
Hoewel ik huiverig ben voor voorlezen uit eigen werk heb ik daar in de praktijk weinig problemen mee gehad. In de meeste gevallen verlopen optredens zonder hakkelen en in de loop der jaren heb ik een bepaald vertrouwen opgebouwd dat van mijn stotterverleden slechts een herinnering maakt. Tot het optreden dat ik samen met de band De Rootsclub gaf tijdens een kunstmanifestatie in Bergen (Noord Holland).
Optreden met een band doe ik omdat langer dan tien minuten voorlezen zonder muziek saai wordt, omdat de muziek de tekst versterkt, de themathiek op gevoelsniveau direct kan worden overgebracht en de sfeer vele malen sterker wordt dan zonder muziek. Verder zijn de mannen van de Rootsclub goeie kerels en is het met band een stuk gezelliger naborrelen en sigaretten roken. Na ons eerste gezamenlijke optreden, tijdens de vorige editie van het Crossing Border Festival in Den Haag, kwamen er aanvragen voor optredens op andere locaties. Een daarvan was de kunstmanifestatie in Bergen.
Het betrof een expositie van twintig kunstenaars in een voormalige fysiopraktijk aan de rand van deze kunstenaarskolonie. In het laatste weekend van de expositie zouden wij een avond vullen. Een paar weken daarvoor was de opening. Samen met de zanger van de Rootsclub – ook een Jan – nam ik de bus naar Bergen. Het was volop zomer, de terrassen in Bergen zaten vol, her en der klonk het geplok van tennisballen en in spijkerbroek plus shirt slenterden Jan en ik tussen de villa’s door naar het slooppand. Het was er vreselijk druk. Dat kwam niet in de laatste plaats door de aanwezigheid van bijna vijfhonderd flessen wijn en twintig vusten bier die gratis leeggeschonken werden. Half Bergen was uitgelopen om te komen zuipen, naar de DJ in de tuin te luisteren, op de houten tuinmeubels te hangen en van de zon te genieten, en om op weg van en naar de wc de schilderijen in de gang te bekijken. Nog nooit zo’n hilarische opening meegemaakt. Mensen in strand-outfit, in tenniskleren, kunstliefhebbers met zijden sjaaltjes om de hals en een opvallend jonge of opvallend oude vrouw aan de arm, heel veel jeugd, lekkere hapjes en zoals gezegd overdadig veel gratis drank.
Twee weken later was het onze beurt. In de enorme blauwe Suburban van gitarist Bert trokken de vier muzikanten, de vriendin van drummer Louis die tijdens dit optreden banjo zou spelen, en de schrijver naar Bergen. Het afgesproken honorarium was in orde, er zou voldoende te eten en te drinken zijn, het was wederom prima zomerweer, en door de verhalen van de opening hadden ook de andere muzikanten goede zin.
De mensen van de organisatie hadden al een voorschot genomen op de drank die zou vloeien. We sloten ons hierbij aan, aten pizza, staken de envelop met geld al ruim voor het optreden in een kontzak van een spijkerbroek, en in de tuin zochten we een hoekje waar we konden opbouwen. Toen het tijdstip van optreden naderde bleek echter dat er naast de vriendin van de banjo-speler, de twee mannen van de organisatie, de vriendin van de gitarist, onze vaste geluidstechnicus en wat mensen van de catering niemand de moeite genomen om naar ons te komen luisteren. Wat een verschil met die opening. Het vragen van entree en twee euro voor een drankje bleek voor het kunstminnende publiek in Bergen een enorme drempel.
Een oude theaterwet luidt: er wordt gespeeld zo lang er meer mensen in de zaal zitten dan er op het podium staan. Zoals gezegd, het geld was binnen, alles was opgebouwd, de zon kwam nog net boven de bomen achter het gebouw uit, en dus besloten we maar te gaan spelen en het optreden te beschouwen het als repetitie voor de Uitmarkt waar we twee maanden later zouden staan.
Meer dan eens krijg ik de vraag hoe dat in zijn werk gaat, optreden met muzikanten. Welk instrument speel jij dan? Zing jij ook? Helaas speel ik geen instrument en zingen durf ik slechts af en toe een refrein en dan alleen nadat ik de microfoon een stuk van me vandaan gedraaid heb. Ik hou het bij lezen, de muzikanten begeleiden me.
In Bergen begon het optreden met een redelijk opzwepend stukje gitaar waar doorheen ik de eerste alinea van mijn nieuwe roman las. Daarna las ik een passage waar op een gegeven moment het intro van Losing End van Neil Young werd ingezet en na de laatste regels van die passage volgde het volledige nummer. Zo speelde de band een vlotte uitvoering van White Freight Liner Blues van Townes van Zandt, Slow Train, een nummer van gitarist / bassist Rik van Doorn en het jodelnummer Truckdrivin’ Man. De band speelde zoals ik van ze gewend ben: geconcentreerd, intens en krachtig. En zo las ik voor het eerst passages uit Morgen zijn we in Pamplona voor publiek.
Dat lezen begeleid door de band ging qua timing en tempo prima, en de paar mensen die zaten te luisteren werden zichtbaar gegrepen. Tot er boven de coniferenhaag aan de andere kant van de tuin twee hoofden verschenen. Een man en een vrouw. Twee opgezwollen koppen met geërgerde blikken, met rode wangen en vlekken in de nek, niet van de zon. Over het publiek heen zagen wij die koppen opduiken en meteen wisten we: Die komen klagen over de muziek. Die wonen in een van die vrijstaande huizen. Die zaten in de tuin te eten, of een wijntje te drinken. Te genieten van hun rust. Misschien zelfs iets te lezen. En dan waait op zo’n mooie zomeravond opeens muziek hun tuin in. Versterkte countrymuziek nog wel.
Eerst een liedje aanhoren. Ah, het houdt op. Ik hoor iemand praten. Nee, nog een liedje. En nog harder dan net. Weer stopt het. Heh heh. Daar beginnen ze verdomme weer.
Zo ongeveer bij Slow Train moeten ze gedacht hebben: En nou is het genoeg! We gaan eropaf!
Dus gingen ze op het geluid af en keken ze over de haag.
En ik begon te stotteren.
Wanneer een schrijver voorleest, met of zonder band, dan vraagt de schrijver respect, aandacht. Je slingert daar toch maar even een stuk van een roman de wereld in, en deze roman was niet eens af, laat staan gepubliceerd. Als er dan opeens twee koppen verschijnen verandert de setting compleet, dan zijn je woorden opeens ongewenst. Dan wil je ophouden, verdwijnen, wegkruipen. Dan wil de schrijver naar huis, naar de veiligheid van vier muren en een computer.
Muzikanten zien dat heel anders. Die zijn gewend aan rumoerige kroegen, spelen op buitenpodia tussen kermisattracties, op festivals. Wat er ook in de zaal gebeurt, de muziek blijft dominant en de houding is: We blazen iedereen omver.
Dus toen Jan de zanger die koppen zag riep hij: Loop even om, en pak een wijntje.
Dat is de taal die in Bergen gesproken en begrepen wordt. De koppen verdwenen en niet veel later schuifelden de man en de vrouw door de achterdeur van het gebouw de tuin in en werden ze hartelijk verwelkomd door de mannen van de organisatie, inmiddels aardig dronken. Het paar schoof aan, nam een gratis wijntje en luisterde naar het gratis optreden. Tijdens het één na laatste liedje zag ik de vrouw heen en weer deinen. De uitdrukking op de gezichten veranderde, ik was al verloren. De laatste passage die ik las, waarin de liftende hoofdpersoon en zijn liftgever een gesprek hebben over de reden van zijn vertrek uit Nederland en het reisdoel Pamplona, rammelde aan alle kanten. Ik pakte de stotteraarstruc weer op waarbij ik naderende woorden waar ik over zou kunnen gaan struikelen tijdens het lezen veranderde in synoniemen, of ze domweg oversloeg. Waarschijnlijk merkte niemand het, zelfs de muzikanten niet, maar het voelde niet prettig.
Na het optreden werd er in hetzelfde tempo gedronken als bij de opening. Het echtpaar bleef nog even hangen. De vrouw zei tegen de mannen van de organisatie: Als ik dit geweten had had ik de andere buren ook meegevraagd.
Ze nam nog een slok wijn.
Tegen de muzikanten die hun spullen aan het opruimen waren zei de man: Mijn vrouw en ik houden erg van countrymuziek.
De vrouw zei tegen mij: Mooi gelezen hoor.
D-d-d-dank u wel.

Jan van Mersbergen