De Muur, maart 2011

Ik heb ooit eens op televisie een man in een enorme bak ijs zien staan. De man droeg alleen een zwembroek en de bak was van het formaat douchecel, en daar stond hij in. Ik vond het bijzonder dat hij dit kon, dat hij zijn hartslag onder controle kon houden en daarmee zijn lichaamstemperatuur, maar tegelijkertijd deed het me niks.
Datzelfde ervoer ik tijdens het lezen van boeken over bergbeklimmers die allerlei ontberingen doorstaan, zoals Joe Simpsons Over the edge. Spannend, maar deze mannen waren goed voorbereid, hadden zuurstofflessen en musketonhaken en touwen en de beste kleren. Ze wisten wat er komen ging en kozen voor de ontbering.
Pas als een ontbering ongepland is leef ik mee.
Over de film Titanic kun je zeggen wat je wilt, tijdens de slotscène, wanneer het meisje op het vlot zit en Leonardo DiCaprio in het ijskoude water ligt, zit je toch echt mee te bibberen.
Ook de jongens van het rugbyteam uit Uruguay die in de Andes neerstortten en 72 dagen op een berg doorbrachten – ook een waar gebeurd verhaal, naar het witte doek vertaald in de film Alive – brengen kou over en schaamte, vanwege de thermostaat die op 20 graden staat. En dus schakel ik op een gegeven moment de thermostaat uit en zet ik de ramen open.
Het is de middag van de verschrikkelijke Kuurne-Brussel-Kuurne, zondag 28 februari 2010.
Koers kijken met een kan koffie en wat te knabbelen kan vandaag niet. De beelden van de wielrenners die het Vlaamse land doorkruisen roepen het gevoel van schaamte op van Alive en Titanic.
Ramen open, verwelkom de kou. Ook in Amsterdam is het slecht weer. Regen, wind. Zelfs de hond wil niet naar buiten. Zelfs de hond kijkt koers.
Met een deken over mijn benen zit ik voor de tv. Alle ramen van mijn etagewoning heb ik opengezet en van achter naar voor blaast een straffe wind door het huis. Het is erg koud.
Op deze laatste dag van februari kijken op Sporza in Nederland en België bijna een miljoen mensen naar Kuurne-Brussel-Kuurne. Het weer is te slecht om naar buiten te gaan.
Ik wil de kou ervaren, een fractie van de kou die de renners die dag voelen. En daarmee de heroïek, want na een paar uur koers ziet het er al naar uit dat deze editie van Kuurne-Brussel-Kuurne één van de meest heroïsche koersen van dit seizoen zal worden.
Vandaag is er één dominante factor: Xynthia.
Eind februari 2010 trekt deze orkaan vanuit de Golf van Biskaje richting de Noordzee en brengt storm, regen en kou. Xynthia geselt het land van Portugal tot Polen en Zweden. In de Pyreneeën worden windsnelheden gemeten van boven de 240 kilometer per uur. Xynthia eist vijfenzestig mensenlevens en er raken honderden mensen gewond.
Dit zijn de omstandigheden waarin de ware Flandriens opstaan, waarin geschiedenis geschreven wordt.

De ochtend na de Omloop het Volk van 2010 verzamelt het profpeloton zich in Kuurne voor bijna 200 kilometer koers door West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Vlaams Brabant. Tot vlakbij Brussel en weer terug.
Kuurne is niet de grootste Vlaamse koers. Dat komt wellicht door de kalender. Traditioneel wordt Kuurne een dag na de grote Vlaamse opening van het wielerseizoen, de Omloop Het Volk (nu Omloop Het Nieuwsblad), verreden. Dan wordt je al snel gezien als herkansingskoers. Kuurne is een 1.1 koers, net onder de UCI 1.HC koersen zoals de Omloop, Parijs-Roubaix, de Ronde van Vlaanderen en Luik-Bastelaken-Luik. Kuurne is vergelijkbaar met de Brabantse Pijl, de E3 Prijs Vlaanderen, Dwars door Vlaanderen of de Scheldeprijs: altijd een mooie harde wedstrijd op die typische Vlaamse wegen, en altijd een mooie winnaar. Soms in slecht weer, zoals in 1995 toen het sneeuwde en Frédéric Moncassin won.
De omstandigheden van vandaag maken volgens Wilfried Peeters, de sportdirecteur van Quickstep, Kuurne tot een Hors Categorie-wedstrijd. ‘Het is niet alleen maar mentaal sterk zijn, als je lichaam niet tegen de kou kan kun je deze wedstrijd simpelweg niet uitrijden.’
De zaterdag voor Kuurne won Antonia Flecha de Omloop. Er eindigde er slechts één Belg in de Top 10 (Niko Eeckhout op plaats 7). Dat zijn de Vlamingen niet gewend en in Kuurne moet dit wielerweekend goed gemaakt worden. Een Vlaming moet zegevieren. De boeken spreken in het voordeel van de Belgen. Net als de Omloop is Kuurne heel vaak door een Belg gewonnen, in totaal 50 keer.
Het loopt anders. Door Xynthia.

Ik heb ooit eens op televisie een man in een enorme bak ijs zien staan. Deze man – Wim Hof – droeg alleen een zwembroek en de bak was van het formaat douchecel, en daar stond hij in. Ik vond het bijzonder dat hij dit kan, dat hij zijn hartslag onder controle kan houden en daarmee zijn lichaamstemperatuur, maar tegelijkertijd deed het me niks. Ik leefde niet met Wim Hof mee.
Datzelfde ervoer ik tijdens het lezen van een boeken over bergbeklimmers die allerlei ontberingen doorstaan, zoals Joe Simpsons Over the edge. Spannend, maar deze mannen waren goed voorbereid, hadden zuurstofflessen en musketonhaken en touwen en de beste kleren. Ze wisten wat er komen ging en kozen voor de ontbering.
Pas als een ontbering ongepland is leef ik mee.
Over een film als de Titanic kun je zeggen wat je wilt, tijdens de slotscène, wanneer het meisje op het vlot zit en Leonardo DiCaprio in het ijskoude water ligt, zit ik toch echt te bibberen.
Ook de jongens van het rugbyteam uit Uruguay dat in de Andes neerstortte en 72 dagen op de berg doorbrachten – ook een waar gebeurd verhaal, naar het witte doek vertaald in de film Alive – brengt precies dat gevoel over: als kijker voel je de kou, en ik op mijn beurt schaamde me voor de mijn thermostaat die tegen de 20 graden stond toen ik deze film op DVD keek. En dus schakelde ik op een gegeven moment de thermostaat uit en zette ik de ramen open, zoals ik dat na een uur Kuurne-Brussel-Kuurne ook doe.
Een middag koers kijken met een kan koffie en wat te knabbelen, dat kan vandaag niet. De beelden van de wielrenners die het Vlaamse land doorkruisen roepen een gevoel van schaamte op dat ik ook had bij Alive en bij de Titanic.
Ramen open, verwelkom de kou. Ook in Amsterdam is het slecht weer. Regen, wind. Zelfs de hond wil niet naar buiten. Zelfs de hond kijkt koers.

Iedere wielerliefhebber herinnert zich de beelden van de schitterende overwinning van Erik Breuking in de Giro d’Italia van 1988, toen hij de Gavia en de sneeuw en de kou en het beroerde wegdek overwon. Van zijn klim over de Gavia weet ik niet veel meer, maar ik zie hem daarna de berg afdenderen en winnen. Ik zie hem nog in zijn groene jasje op het podium staan, met blauwe lippen, en een Panasonic petje op zijn hoofd.
Hij was een held, en je zou op dat glorieuze moment bijna vergeten dat Johan van de Velde op kop lag maar letterlijk geveld werd door de kou. Ik zie hem nog opduiken uit de sneeuwstorm, in zijn blote armen op de flanken van de Gavia. Hij was compleet gesloopt, en na een uur of twee wordt bij de Kuurne-Brussel-Kuurne van 2010 duidelijk dat vandaag ook grote renners gesloopt gaan worden.
Dat is tragiek: Je weet wat er komen gaat. Je wilt het niet. En het gebeurt toch.
Het is onvermijdelijk.
Na die Giro-rit van Breukink en Van de Velde moesten huilende renners opgevangen worden, eindeloos over hun rug gewreven om wat warm te worden. Het is al lang geleden maar nog zie ik de twee handen van een verzorger voor me, die hij tegen de wangen van zijn renner houdt, en hij blijft ze daar tegenaan houden om er weer wat bloed doorheen te krijgen.
Andy Hampsten pakte die dag het roze. Tegen de Italiaanse verslaggever kon hij alleen maar zeggen: ‘Incredibile, incredibile.’

De piek van Xynthia is voorspeld tussen 14 en 16 uur in de middag, dus bij de start van Kuurne-Brussel-Kuurne valt het allemaal nog mee. Het regent en het is een graad of negen. De stevige westenwind is het eerste deel van de koers in de rug.
Na afloop van de wedstrijd duiken er twijfels op of de organisatie niet een te groot risico heeft genomen door de wedstrijd van start te laten gaan, maar in de ochtend is er geen reden om niet lekker te gaan fietsen.
Later zegt Roger de Vlaeminck in een TV show: ‘Dan zie je de echte Flandriens hè.’
Eddy Planckaerd voegt eraan toe: ‘Een wielerwedstrijd kunt ge eigenlijk niet aflasten.’
Dat is helder. In deze omstandigheden worden helden gemaakt.
Natuurlijk weten de renners van de storm. Ze verwachten een zware koers. Voor de camera’s van Sporza blijken sommigen daar tegenop te zien. Antonio Flecha, die met een overwinning in dit prille seizoen aan de start staat, zegt dat het zwaar wordt, maar dat Team Sky gemotiveerd is om er iets moois van te maken. Uiteindelijk blijkt de Brit Ian Stannard hun beste man, verrassend. Ook Tom Boonen, die de koers voor de derde keer kan winnen – een record – wordt geïnterviewd: ‘Een beetje pech van het weer vandaag, maar ik voel me goed en we zullen zien.’ Het bekende idioom.

In het eerste uur, met rugwind, wordt gemiddeld 48 gehaald, een vliegende start. Een groep van vierenveertig renners waait uit het peloton en is nooit meer terug gezien. Onder hen Pozzato, Flecha, Steegmans en Eeckhout. Ze letten niet op en zijn weg. Of ze daar rouwig om zijn, achteraf waarschijnlijk niet.
Na het keerpunt in Ninove staat de wind vol op kop en is de temperatuur gedaald naar een graad of drie. In deze wind is het moeilijk koersen. De renners moeten moeite doen hun stuur recht te houden en niet van de weg te geraken. De knokkels verbeten wit.
Xynthia blaast Stijn Devolder tegen een vuilnisbak.
Nog voor halfkoers geven bijna alle favorieten er de brui aan. De finale wordt gereden zonder Boonen, zonder Flecha, zonder Van Aervermaet, zonder Nuyens, zonder Pozzato.
Wielrennen anno 2010 is nog altijd vol verrassingen. Na honderd kilometer rijdt ook Rony Martias, van Saur-Sojasun, nog vooraan mee. Hij is geboren op Guadeloupe. Wellicht is hij goed bekend met orkanen, de kou zal hem vreemd zijn.
Er rijdt een man alleen over de Oude Kwaremont: Bobbie Traksel. Hij kan dan nog niet weten dat hij twee dagen later als held op de bank van De Laatste Show zit, samen met twee beroemde Flandriens: Roger de Vlaeminck en Eddy Planckaerd.
Er worden beelden getoond van Bobbie Traksel op het Kuurne-podium met een pluche ezel in zijn handen. De winnaar van Parijs – Roubaix krijgt een kassei op een voet, de winnaar in Kuurne krijgt een ezel.
In die uitzending wordt het moment in de koers teruggehaald waarop Traksel alleen op kop komt te zitten, met nog ruim negentig kilometer te gaan, tegen de storm in.
Presentator Michiel Devlieger: ‘Wat dacht je toen?’
Traksel hoofdschuddend: ‘Ik dacht: Wat een ezel.’

Terwijl Traksel ploetert op de Kwaremont raast Xynthia over het Vlaamse land, en door mijn etagewoning. De gordijnen zoeken een weg naar buiten.
Op de volgende helling, de Côte de Trieu, wordt een boom geveld. De organisatie reageert snel en haalt deze helling uit het parcours. Traksel kan op de Kwaremont rechtsaf, in plaats van links. De mensen die met busladingen naar de Côte de Trieu zijn gekomen hebben dubbel pech: ze zien geen renners en hebben toch een nat pak. Hopelijk ze snel een café binnen gegaan en hebben ze iets kunnen drinken wat warmte brengt.
Die boom is niet het enige dat de organisatie die dag bezig houdt. Aan de finish moet een tribune ontruimd worden, die dreigt weg te waaien. Ook dat vinden de toeschouwers niet leuk, want precies die tribune is de enige overdekte plek vanwaar de finish te zien is.
Ook is er discussie of de twee plaatselijke rondjes in Kuurne allebei verreden moeten worden. Om het lijden van de renners iets te verminderen kan dat tweede rondje er wel af. Echter, op dat moment bestaat de kopgroep uit: Bobbie Traksel, de Nederlander Rick Flens en eerder genoemde Stannard. Zij worden achtervolgd door de Cervelo’s Hunt en Hushovd, en de verrassend sterke Nieuw-Zeelander Roulston, die slechts vijfenveertig seconden goed moeten maken. Zij worden benadeeld als de koers ingekort wordt.
Op het moment dat bij koersdirecteur Jos Callens de derde paraplu uit zijn handen waait wordt er besloten toch de twee rondjes uit te rijden.
Hushovd doen ze er geen plezier mee. Hij is totaal leeg. De man die later dit jaar wereldkampioen wordt en een dijk van een Tour de France aflevert, zit trillend op zijn fiets en ondanks de talloze minibars die hij uit de wagen van zijn ploegleider aangereikt krijg (het wikkel er al afgescheurd, zelfs dat kan de coureur niet meer) is de Noor niet te redden.
De verslaggever van Sporza, ziet het aan en analyseert: ‘Als het kacheltje geen blokjes meer heeft, komt er ook geen warmte meer uit.’

Het is niet eens de bedoeling van de drie koplopers om weg te rijden, ze maken slechts tempo om warm te blijven en de anderen kunnen niet volgen. Traksel achteraf: ‘Het was geen koes om achteraan te rijden, daar krijg je geen moraal van.’
Dat doet me denken aan Lance Armstrong die in 1992 helemaal achteraan reed in de Classica San Sebastian, ook in de kou en in de regen. Een van zijn eerste wedstrijden in Europa. Hij was kapot maar reed de koers uit. In zijn boek It’s not about the bike schrijft Armstrong dat deze wedstrijd heeft hem veel karakter heeft gegeven. In 1995 won hij de Classica.
In de TV-studio een dag later zegt zegt Traksel: ‘Op de Kwaremont deed ik zo’n stomme actie, maar ik bleef wel in de koers, terwijl heel veel andere renners in het peloton bleven en die zaten maar te klagen. Ik zat in de koers en dan moet je ook blijven rijden en dat is de enige manier om warm te blijven. maar op dat moment dacht ik wel: Jongejonge, wat ga ik hier nou doen?’
Deze Kuurne is inderdaad geen wedstrijd om achteraan te rijden. Er geven zo veel renners op dat de organisatie een logistiek probleem heeft. In de profkoers en bij de junioren, ook op deze dag verreden, moeten ruim 300 afstappers van het parcours gehaald worden. Er zijn te weinig bussen en er moeten renners verkleumd in de kou blijven staan. Zij zullen de kou nog meer voelen dan mannen in de voorhoede.
Bij de junioren finishen vijfentwintig van de 175 renners. Bij de profs is dat percentage nog lager: van de 195 gestarte renners halen zesentwintig dapperen de eindstreep.
Commeyne neemt een drinkbus aan en houdt seconden lang contact met de ploegleiderswagen, alsof het een Alpenklim is in de Tour. Het wordt door de jury door de vingers gezien.
Van de mannen die op plaats vier, vijf en zes rijden geeft Hunt ook op, 35 kilometer voor het einde. De warme stem van Sporza: ‘Geef hem een koekje, een kopje thee en een deken.’

Mijn benen schuilen ook onder een deken, in een inmiddels koud huis. De koplopers gaan het uitmaken. Hushovd is uitgeblust en alleen Roulston peddelt dapper voort maar komt niet dichter.
Aan de kop trekt Traksel zich op gang. Het is geen demarrage, het is enkel kwestie van tempo behouden. Toch worden er spendenprikjes geplaatst. Ian Stannard gaat en de Nederlanders kijken naar elkaar. Traksel schakelt moeilijk. Flens en Traksel kijken en dan is het toch Flens die de Brit terughaalt in een hoekige stijl. Traksel speelt het slim. We zitten vijf kilometer voor de meet. Stannard is geschoold op de piste en die moet je geen gat geven. Flens moet werken.
Tijdens de uitzending weten de mannen van Sporza een wielerbericht te melden: ‘Riblon wint de Sud d’Ardeche.’
Het lijkt een bericht uit de subtropen, maar in die streek in het zuidoosten van Frankrijk zal het ook een hel zijn geweest.
Meteen na deze melding weer een demarrage van Stannard, korter dan de eerste. Hiervoor heeft Flens ook demarrages geplaatst, waarbij de Brit moeizaam terug kwam. De Nederlanders kunnen hem eraf rijden, maar dat gebeurt niet.
Op vier km voor de streep recht Traksel opzichtig zijn rug. Is dit ook een spel?
Dan, op een strook asfalt met in het midden een kasseienrandje, demarreert Flens en Traksel gaat direct mee. Hij is sterk. Een minuut lang rijden ze samen. Er staan ronde gele borden langs de weg, borden met onleesbare teksten die er even hulpeloos uitzien dan die enkele toeschouwers onder hun paraplus, capuchons, de handen die in de jaszakken.
Weer hardnekkig schakelen van Traksel. Zijn rechterhand bonkt tegen het stuur. In het licht van de auto’s zijn ze alledrie totaal kapot, dood, en bang. De voorsprong is ruim een minuut.
De omstandigheden doen denken aan Ronde van Vlaanderen 1969, toen Merckx 75 kilometer tegen de wind in beukte. Ook dat historische fragment zat in de serie over de Flandriens. De Vlaamse commentatoren weten te melden dat die klassieker natuurlijk nog veel straffer was. Ze missen duidelijk een Vlaming aan de kop. Dat zal snel veranderen, want deze Kuurne brengt respect voor alledrie de koplopers en zeker voor winnaar Traksel, die in de dagen na Kuurne terecht overspoeld wordt met media-aandacht.
Op ruim twee kilometer voor de finish zie ik thuis onder mijn dekentje de koers vanuit een volgwagen. Daar staat Kuurne op een bord. Een verlossing, maar waar ligt de meet? Er is niks dan die troosteloze weg, er zijn amper toeschouwers, en ik wil de vod, ik wil de streep, ik wil dat alledrie de coureurs verlost worden. Laat het bad maar vollopen.
Karl Vannieuwkerke vanaf de motor, met trillende stem: ‘Geef toe, we hebben geen Vlaming nodig, dit is een prachtig schouwspel.’
Flens trekt de boel op gang twee km voor de streep, en weer gaat Stannard eraf.
‘Hij ligt eraf met zijn patatten. Hij is piepedood, stikkapot.’
De Nederlanders slopen hem. Weer moet de Brit een minuut achtervolging doen. Traksel en Flens pakken vier, vijf, zes seconden, dan houden ze weer in.
De laatste kilometer. Traksel neemt niet meer over en rekent op zijn spurt. Een meter of 800 van de streep, tegenwind. Niks anders dan tegenwind. Er is nog geen finish te zien, nog geen publiek, niks.
Het is alsof ze koers daar ergens in het niets stopt en verdwijnen zal in een zwart gat.
Ik zie de koplopers inhouden. Van 12 uur in de middag tot bijna 5 uur zijn hun lichamen gegeseld, zijn ze geestelijk gesloopt. De auto’s hebben de koplampen ontstoken en in dat hellelicht kruipen ze naar de finish.
Ik wil niet dat er iemand wint. Ik wil dat ze alledrie winnen, zoals bij de Elfstedentochten waarbij vijf schaatsers hand-in-hand de eindstreep gleden.
De renners rijden langs twee grote witte bollen die in de tuin bij een bedrijf staan. Een huis met dichtgemetselde ramen, een lekkende goot.
Traksel heeft weerlast met schakelen.
Daar gaat Stannard, alweer. Zijn laatste leven.
Dan zijn ze bij rode dranghekken die een meter van de stoep staan, compleet nutteloos want er staat geen hond te kijken hier. Dan tien mensen met paraplu’s, dan gaat Traksel aan en bij de finish staan enkele honderden mensen die een zwak gejuich laten horen als Traksel wint.
‘Traksel, je bent een kraan van een vent man,’ zegt de ene commentator.
‘Proviciat,’ zegt de andere commentator.
Bobbie Traksel rijdt precies tegen zijn vrouw aan, die een baby van een maand oud bij zich heeft, in een draagzak. Gelukkig was er een overschot aan thermodekens, zodat de baby er ook een kon krijgen.
Een verbijsterde Michiel Wuyts: ‘Zo leidt je Flandriens op.’
Traksel is getrouwd met de Christa, de dochter van Frits Pirard, ooit ritwinnaar in de Ronde van Frankrijk. Het wielrennen zit deze kleine in het bloed.
Overwinnaar Traksel steekt zijn linkervuist in de lucht. Hij heeft zijn vrouw, zijn kind, zijn overwinning. Even is de kou er niet meer. Even is de kou alleen te zien bij de mensen om Traksel heen. De politieman die de winnaar naar een tentje begeleidt houdt zijn rode helm op.
Ik trek mijn dekentje wat verder over mijn bovenbenen. Geen kracht om thee te gaan zetten, ik kan alleen nog maar kijken naar de historische beelden van Kuurne, zo veel was op deze laatste februaridag van 2010 wel duidelijk.

Terwijl de drie helden opgevangen worden druppelen de andere renners binnen. Daar komt Hayden. Dan Roulsten, op een minuut. Dan de Fransman Rollin, die Hushovd gepasseerd is. Nummer zeven is Turgot, achtste wordt de eerste Belg Commeyne, op plaats negen Rast, en Sebastian Langeveld complementeert de Top 10.
Het slagveld is enorm. Veertig renners moeten verzorgd worden door het Rode Kruis, twaalf renners moeten met onderkoelingsverschijnselen naar het ziekenhuis worden gebracht.
In de prachtige TV-serie over de Flandriens vertelt Bernard Hinault over zijn heldentocht tijdens Luik-Bastenaken-Luik van 1980, toen hij solo won en zo hard trapte dat alle tegenstand op minuten en minuten gereden werd. Hij hield er twee gevoelloze vingers aan over.
Over Kuurne 2010 wordt over dertig jaar nog gesproken. Dat weet ik zeker als ik de TV uit heb gezet en de ramen gesloten, en onder de douche sta. Die beelden worden over dertig jaar nog getoond. De hoofdrolspelers wordt gevraagd hierover te vertellen. Hopelijk ben ik dan oud en heb ik vanuit mijn herinneringen enkele aanvullingen bij de beelden van deze schitterende koersdag, en is er iemand bij me aan wie ik dat vertellen kan.

Met dank aan: Jos Callens en Karl Vannieuwkerke.

Jan van Mersbergen