In de dynamische wereld van de Letteren is een mooi verloop te zien van jonge schrijvers die de plekken van oudere schrijvers innemen, en nog oudere schrijvers die weer terugkeren aan het front. Een stoelendans. Nu ik in die middengroep terecht ben gekomen is het even schakelen, maar ook geeft het rust.
Vlak nadat ik debuteerde verschenen er veelbelovende overzichten van schrijvers voor de komende jaren, de beste nieuwkomers, de schrijvers die over tien jaar de dienst uit zouden maken. Leuk om in genoemd te worden, maar van de schrijvers uit die oude lijstjes is inmiddels meer dan de helft verdwenen, en die overzichten verschijnen nu, bijna twintig jaar later, natuurlijk ook. Zelfde verhaal.
De dertigers maakten toen de dienst uit, de dertigers maken nu de dienst uit, al gaat het tegenwoordig wat sneller. Toen ik debuteerde waren de dertigers bedeesde schrijvers die rustig wachtten op hun kans. Nu schrijven dertigers meteen na hun debuut de kranten vol, geven lezing na lezing, worden direct gerecenseerd, zijn zichtbaar en bepalend. Kortgezegd: ze zijn hot.
Dat is geen probleem, het verloop is heel begrijpelijk. De net-twintigers van nu die goed schrijven zitten over tien jaar op die stoeltjes, dat is een zekerheid. En dat gaat nog sneller.
Het geeft rust, zei ik al. Dat is zeker zo, want toen ik op de plek van de aanstormende dertiger zat had ik dat overzicht niet. Dat is wel een probleem, dat ik nu pas door heb hoe dat verloop in elkaar steekt. Had ik dat destijds geweten dan heb ik wel wat eerder op de deur geklopt.
Bij mijn boekpresentatie las ik een column voor van Elke Geurts, generatiegenoot. Dat was ontstaan bij een andere boekpresentatie, die van Maartje Wortel. Zij heeft een boek geschreven over een hondje.
Elke en ik stonden we naast elkaar. Nina Weijers – met een kringeltje op de tweede n – las op haar beurt daar een column voor over Maartje, en dat was een mooi liefdevol verhaal van de ene jonge schrijver aan de andere, en ik dacht: Dat wil ik ook.
Dus ik vroeg Elke of ze iets wilde zeggen bij mijn boekpresentatie.
Dat deed Elke. Althans, ik las het stuk voor dat zij schreef, want ze was zelf met vakantie. Het verhaal ging over de presentatie van Maartje:

‘Jan en ik stonden erbij. Zij aan zij, armen over elkaar, wij hoorden bij de: dik-in-de-veertigers. Ouwe meuk. Nukkig. Gesloten. Een generatie die elkaar een stuk minder leek te gunnen. Er was bij ons meer haat en nijd. We waren banger. Minder overtuigd van onszelf. Wij deelden minder.
Wij verdienden ook minder. Wij vroegen minder geld. We kregen gewoon wat we vroegen. We durfden niet meer te vragen.’

Dat laatste ging over mijn roman. De vertelster heeft een gezin, ze deelt de zorg voor haar zoon, ze vraagt weinig hulp. Ze is ook een veertiger.
Elke en ik spraken tijdens die eerste presentatie over de verschillen tussen de schrijfgeneraties en over het gezin. Dat laatste maakt het verschil.
De dertigers hebben een ongelofelijke voorsprong. Zij staan midden in deze tijd, ze hebben de tijd voor deze tijd. Weijers vertelde dat ze Maartje Wortel iedere week opzoekt om in het park te gaan wandelen met een hondje. Daar moet je tijd voor hebben. Met een druk gezin lukt dat wel, maar slechts één keer in de twee maanden.
Veertigers ontdekken net wat Instagram is maar zweren nog bij de veiligheid van facebook. Dertigers hebben Insta uitgevonden en keren facebook massaal de rug toe. Dat moet terugkomen in romans, in de kranten, in de boekwinkel. Veertigers kunnen dat niet. Niemand zit te wachten op de suffe visie van veertigers. Wat de mensen willen lezen: nieuwe stemmen, of echt oude stemmen.
Het grote verschil: kinderen.
In de aanloop naar mijn presentatie mailde ik Elke over wat wij meegemaakt hebben, een waslijst aan toestanden:
‘Ze hebben nog geen gezin. De dertigers. Hoogstens een hondje. Daar gaan zij het allemaal nog heel moeilijk mee krijgen en dat heb ik al gehad, en jij ook.’
De positie van de schrijver is niet zo belangrijk, dat schrijversverloop is voorspelbaar en natuurlijk. De positie in de samenleving is belangrijk, in je eigen samenleving. Veertigers staan in een gezin. Dertigers schrijven over middelbare scholen, veertigers bezoeken met hun kinderen open dagen van middelbare scholen.
De samenleving, daarom komen de zestigers ook terug. Romans, het lezingencircuit en kranten hebben behoefte aan de blik van de zestiger. Zeker in deze grijze tijd. Zestigers hebben afstand. Hun kinderen zijn de deur uit, dan is facebook noch Instagram belangrijk, dan is er weer tijd en de nodige wijsheid, ook al kruip je naar het einde. Misschien wandelen met een hondje.
De periode tussen dertig en zestig, daar zit ik precies tussenin, is interessant omdat schrijven op het eerste oog ondergeschikt is. Het gezin bepaalt. Het gezin vult in. Het gezin is de rijkdom van het schrijven van dit moment, voor de veertigers.
Verloop is niet moeilijk of lastig. Het is enkel een kwestie van erkennen, op het rustigste moment van de dag waarom de oudste kinderen naar school zijn en de jongste slaapt, het eten in de maak is en de avond zal bestaan uit wat tv kijken en om tien uur gaan slapen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen