Het zijn geen vervelende momenten: de gesprekken met mensen die horen dat ik schrijver ben maar mij niet kennen. Meestal wordt dat zeer schuchter en haast verontschuldigend uitgesproken, heel vaak met een vraag: Sorry, maar waar moet ik je dan van kennen?
Daaraan liggen twee zaken ten grondslag: ik heb geen bekende schrijvershoofd en die ander kent vaak wel een paar bekende schrijvers maar overschat zijn of haar kennis van het Nederlandse schrijverslandschap.
Laatst was ik bij een presentatie waar een vrouw erachter kwam dat ik het carnavalsboek had geschreven dat zij gelezen had. Is dat boek van jou? vroeg ze. Ik knikte. Ik vond het heerlijk dat ze mijn hoofd niet direct in verband bracht met die roman. Er staat trouwens ook geen auteursfoto op dat boek. Dat is geen opzet maar wel een fijne bijkomstigheid. Ook zij kende mij niet, dat gaf me een zeer vrij gevoel. Ze kende het boek.
Lezers denken vaak dat ze zeer goed op de hoogte zijn van literatuur. Ze lezen af en toe een roman, soms de boekenbijlagen, ze zien wel eens een schrijver op televisie. Als ik die vraag krijg – waar moet ik jou van kennen? – vertel ik dat ik zeker honderd schrijvers kan opnoemen die ze ook niet direct ergens van kennen.
Dan zijn ze verbaasd. Zo veel schrijvers?
Ja, er zijn zo veel schrijvers, en die maken allemaal boeken, en daar hoor ik ook bij.
En toch is de rust die er na het wegnemen van de verontschuldigingen in het gesprek komt erg prettig. Er zijn in Nederland vijftien schrijvers met een bekend gezicht. Schrijvers die op straat herkend worden en bij een aantal van hen kunnen de passanten ook nog een boektitel opnoemen. Vijftien. Van de vierhonderd.
Op mijn gemak geef ik dan een titel. Lees dat maar. En ik geef mijn mailadres. Laat weten wat je ervan vond. Dat doen ze dan, een tijdje later.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen