‘Het is onmogelijk om niet mee te voelen met deze jonge, gevoelige Billy en het rauwe, liefdeloze leven dat hij leidt. Hines heeft met zijn Kes de staat van perfectie benaderd,’ zo luidt de quote van Alex Boogers op de achterkant van de hardcover van A kestrel for a knave, van Barry Hines, vertaald als Kes, omdat de verfilming uit 1969 simpelweg Kes heette. Moeilijke woorden, maar een kestrel is een valk, en een knave is een boer. Of een pummel. In ieder geval, ik heb Alex Boogers hoog zitten als lezer, evenals een van mijn deelnemers aan Schrijfcafé die me wees op dit boek.
Lezen dus.
Het boek gaat over Billy, een jongen die opgroeit in een mijnstreek. Hij kijkt graag naar de valken die biddend in de lucht staan, die nesten bouwen, die jagen. Hij is van plan een jonge valk te vangen en af te richten. Mooi gegeven voor een verhaal, dat bovendien in erg sterke zinnen is uitgewerkt, zonder uitleg, zonder vervelende belerende passages, zonder postmodernistische uitstapjes naar filosofie of kunst.
Het kan, met een mooie heldere vertelstem een verhaal vertellen en zo de lezer meenemen, in plaats van afstoten. Billy brengt kranten rond. Zijn strijd met de chef van het verspreidingskantoortje is aandoenlijk, vooral de beknopte suggestieve beschrijvingen van een ontmoeting met een gezin tijdens zijn krantenronde zijn goed gelukt:
‘Toen de voordeur van het huis openging deed hij snel een paar stappen terug en draaide zich om. Er kwam een man in een donker pak naar buiten, gevolgd door twee kleine meisjes in schooluniform. Ze stapten alle drie voor in de auto en de meisjes zwaaiden naar een vrouw in een peignoir die in de deuropening stond. Billy gaf haar de krant en keek langs haar heen naar binnen. Er lag vloerbedekking inde hal en op de trap. Langs een van de muren stond een radiator onder een glasplaat en op die plaat stond een vaas met versgeplukte narcissen. De auto reed kalmpjes de oprit af en draaide de weg op. De vrouw zwaaide met de krant en sloot de deur. Billy liep terug, lichtte de klep van de brievenbus op en gluurde naar binnen. Hij hoorde het geluid van een bad dat volliep. En van een radio die aanstond. De vrouw liep de trap op met een transistor in de hand.’
Wie hier expliciete uitleg mist, intellectuele of emotionele duiding of verwijzingen naar grote filosofen of kunstenaars is als lezer niet in staat deze schijnbaar eenvoudige woorden op hun waarde te schatten, en vooral niet om achter dit verhaal de karakterschets van Billy aan te vullen, want in iedere passage maakt Hines door dit soort beschrijvingen zijn personage groter. Billy heeft waarschijnlijk geen radiator thuis, of een oprijlaan en er staan ook geen bloemen in een vaas. Hij is nieuwsgierig. Hij is niet bang. Ook van het gezin wordt in een paar zinnetjes een compleet beeld geschetst, door genoemde voorwerpen en luxe, maar ook door het geluid van het bad. Man gaat geld verdienen, veel geld. Kinderen gaan naar school. De vrouw gaat in bad, met een muziekje erbij.
Niet alleen valken zijn belangrijk. Hines weet hoe hij vogels moet beschrijven, zelfs een duif:
‘Een houtduif liet een paar reeksen hese koergeluiden horen, die stuk voor stuk eindigden met een abrupt ‘koe’, alsof hij opeens niet verder kon omdat zijn krop te zeer deed.’
Let maar eens op een duif, op een dakrand, die roept. Roe-koe-koe, koe koe, koe. Roe-koe-koe, koe koe, koe. Altijd twee reeksen, van drie naar twee, naar een ‘koe’ om mee te eindigden. Ik ben geen vogelkenner, ik heb alleen mijn halve jeugd duiven in de dakgoot gehad, dus ik kan dat riedeltje wel dromen, en het is fijn dat er een Engelse schrijver is die heel precies dat deuntje vastlegt in een voortreffelijke roman.
Dat meevoelen, waar Alex Boogers het in de quote over heeft, is erg belangrijk. Je kunt van alles verwachten van literatuur, van romans, van al het mogelijke proza, als de lezer niet mee kan voelen of mee kan leven met de hoofdpersoon, dan wordt het moeilijk die lezer toch te bereiken. Dan zijn trucs op andere niveaus nodig: slimmigheden, theorieën, politieke ideeën, wereldoverkoepelende samenhang. Hoe minder meevoelen, hoe groter de wereld van de roman, hoe onpersoonlijker het boek. Hines snapt dat. Zijn Billy leeft zijn leven, heeft bescheiden ambitie, handelt naar die ambitie, knokt voor die ambitie. Dat hij het moeilijk heeft, gezien zijn achtergrond, mag geen verrassing zijn. Dat geeft de lezer nog een factor: de hoop dat het lukt.
Als Billy een boek over valken probeert te lenen in de bieb wordt hij weggestuurd, hij is geen lid. In de boekhandel jat hij daarna een vergelijkbaar boek, en je hoopt dat het hem lukt. Een kleine misdaad, maar zijn inzet en passie om een jonge valk te gaan vangen en africhten, zijn zo helder en subliem overdrachtelijk beschreven, dat je moeiteloos meegaat in deze kruimeldiefstal. Dat hij vervolgens thuis door zijn broer wordt uitgelachen dat hij een boek heeft gejat en geen geld, is prettig voorspelbaar.
De mooiste passage is op school, een scène na een tijdssprong. Billy heeft de valk gevangen en loopt later met de vogel door het dorp. Hij heeft hem afgericht. Hines vertelt niet hoe de jongen dat heeft gedaan, dat slaat hij over, maar als Billy op school de kans krijgt iets te vertellen, door een slimme onderwijzer die het verschil onderzoekt tussen waarheid en fictie, houdt de jongen waar niemand van verwacht dat hij ook maar iets kan, laat staan iets vertellen, een gloedvol verhaal over het africhten van de vogel, hoe moeilijk en ingewikkeld dat is, en welke eigenschappen je daar als mens voor nodig hebt. Hines laat het de jongen zelf vertellen, in een onverwachte setting. Heel slim. Het blijft een echte scène, maar de schrijver geeft voor even over een paar bladzijden het woord, via de onderwijzer.
Er volgt nog een lang stuk over een voetbalwedstrijd op school, en dat deel bewijst dat schrijven over sport erg moeilijk is. Het is het minste stuk van de roman. Door de hoeveelheid aan actie en personages raak ik Billy uit het oog. De indirecte verteltruc over het africhten van de valk waarover Billy vertelt op school was hier misschien ook op zijn plaats geweest. Dan had Billy thuis tegen zijn vervelende moeder kunnen zeggen: ‘Op school moesten we voetballen.’ En dat is het dan. De scène waarin Billy na het voetballen gaat douchen, in een kleine overzichtelijke ruimte en vooral zintuiglijk door het hete en erg koude water, is daarentegen prachtig. Daarin volgen we de jongen weer, en daarna spoedt hij zich naar huis, naar zijn schuurtje, naar zijn valk.
Aan het einde komen de verhouding tussen Billy en zijn valk en Billy en zijn vervelende broer mooi samen: een roman met een slot dat rond gemaakt is zonder dat het klef wordt of anderzijds storend is.
Het vreemde aan de roman is dat ik pas nu ik het boek uit heb en ik hier op tafel de rug lees, een verband leg tussen Barry en Billy: de schrijver en de hoofdpersoon. Geen moment dacht ik tijdens het lezen dat ik het verhaal van Barry Hines las. Ik las het indrukwekkende verhaal van een jongen met zijn valk.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen