Ophef over een kinderboek, dat gebeurt eigenlijk alleen als literaire schrijvers iets zeggen over kinderboeken.
Peter Buwalda schreef in de Volkskrant dat hij kinderboekenschrijvers, of kinderboekenlezers, dat weet ik niet meer precies, niet vertrouwde. Waarom een kinderboek lezen als er nog heel veel andere dingen te lezen zijn? Vind ik een goeie vraag. Het ging dus om lezers, let wel: volwassenen die kinderboeken lezen.
Vorige week schoof Tommy Wieringa aan bij Pauw en zei hij van alles over het vaderschap, over schrijverschap, en over het kinderboek van Jochem Myjer: De Gorgels. Dat was de ondergrens. Het werd me niet precies duidelijk waarvan die boeken de ondergrens zijn, de ophef was groot want er reageerden opeens heel veel mensen die Myjer kenden, die zijn boeken kenden, ouders met kinderen die De Gorgels geweldig vinden, en mensen die Wieringa nu dus niet geweldig vinden.
Maar dat boek over de Gorgels, wat is dat voor boek?
Boeken moet je lezen, daarna kun je erover kletsen. Dus dit leesfragment biedt uitkomst.
Een jongen wordt wakker en ziet een beestje op de rand van zijn bed. Prima verteld, spannend, geen kind kan zich hierbij geen voorstelling maken. Dat is precies waar het over gaat: willen kinderen zich kunnen herkennen in een verhaal of een personage dan is expliciet vertellen een beproefd middel. In literatuur wordt dat minder gewaardeerd.
Wat dus opvalt: de precieze beschrijvingen en de overdreven mimiek.
‘Zonder te bewegen keek Melle naar links,’ is een spannend zinnetje dat aangeeft dat hij naar het gordijn en naar de maan keek, dat het gordijn dus een stukje geopend is, en dat hij alleen met zijn ogen draait. Heel mooi.
Maar ‘Melle tuurde door zijn wimpers naar rechts,’ vertelt me dat hij de andere kant opkijkt en dat zijn wimpers erg lang zijn, want als je uit je ooghoeken kijkt zie je wimpers van normale lengte niet.
Dan de mimiek. ‘Melle deed zijn ogen zo wijd mogelijk open.’ En een paar regels verder: ‘Melles mond viel open.’ Alles is actie en groot en open, als een professionele mimespeler die de kindertjes wil laten zien dat hij schrikt of dat er in ieder geval iets met hem gebeurt. Is dat de expliciete manier van vertellen waar Wieringa over struikelt als ondergrens?
In het volgende hoofdstuk is het ochtend. Het jongetje moet uit bed komen, sokken zoeken. Myjer vertelt over de oude wekker van Melles ouders. Heel leuk verhaal. Op school vertelt de jongen van de wezentjes. Ook een leuk verhaal, want de juf vindt dat hij veel fantasie heeft. Ze geloven hem niet.
Ook sympathiek dat de vader van Melle, die bioloog is, zijn zoontje om half vier bij school kan komen ophalen. Hij had een vrije dag of werkt kort. Dat zal nog wel blijken.
Zoals beloofd gaat de vader met zijn zoon Melle naar de duinen om vogels te kijken. Hij is misschien een hobbybioloog.
In ieder geval leest De Gorgels erg goed, kunnen kinderen zich zeker in het ventje herkennen en is het tempo goed. Ik zie niet goed wat er vervelend is aan dit boek, behalve de beschrijvingen van de gezichtsuitdrukkingen, maar dat hoort nu eenmaal bij kinderboeken. Kinderen moeten weten dat monden openvallen en dat ogen wijd opengesperd worden. Dan is er iets aan de hand: angst, paniek, spanning. Thrillers staan er ook vol mee.
Ik zou er zelf voor waken dat zo op te schrijven, maar aan de andere kant wil ik eigenlijk een keer heel graag een expliciet boek schrijven waarin al dat soort dingen lekker vet en expliciet beschreven kunnen worden. Waarom niet?
Ik ga dat boek aanschaffen en ik ga mijn zoontje het voorlezen. Ik weet zeker dat hij de spanning van een poppetje op zijn bed en hoe dat poppetje vast gaat zitten in de gedachten van een jongen zal herkennen. Dat is eigenlijk de enige ondergrens en dat is precies de belofte die literaire romans niet kunnen geven: de zekerheid van effect.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen