‘Het aangrijpende ivf-verhaal van een man die zichzelf nooit als vader zag,’ staat direct onder de titel van het eerste boek van Carlo Groot geschreven: Izar. Dit type genreduiding komt vaker voor en geeft de lezer direct inzicht in wat het boek brengen zal. Dit is geen roman die hogere literatuur wenst te zijn, en soms is het heel fijn een boek in handen te hebben zonder die pretentie. Dit boek is persoonlijk, gaat over de verandering die de hoofdpersoon en schrijver onderging en mikt op het aangrijpende van het verhaal. Helder.
Schrijven over dit boek betekent dus eigenlijk alleen een antwoord zoeken op de vraag: Lukt dit?
Natuurlijk lees ik ieder boek met de wens een sterke dominante verteller te ontmoeten die mij meeneemt in het verhaal, of dat nou de schrijver is die zich onzichtbaar waant of een ik-verteller die midden in het verhaal staat, maar dat zijn literaire kwalificaties waar ik doorgaans erg streng op ben, maar die ik net zo makkelijk kan laten vallen als een boek me bij het oppakken al duidelijk maakt wat er gaat gebeuren. Dit is Carlo’s verhaal, ik wil dat verhaal weten. Lezen dus.
Dat er vervolgens hoofdstukjes terugkomen die in de ik-vorm zijn afgewisseld met hoofdstukjes met dezelfde ik maar dan volledig in dialoog dan voel ik steeds wel het schipperen van de verteller, maar ik voel ook dat Groot al deze middelen inzet om zijn eigen verhaal over te brengen.
In Komt een vrouw bij de dokter gebruikt Kluun allerlei stijlmiddelen om het verhaal van Stijn te vertellen, zelfs kleine inzetjes over de Amsterdamse horeca, straten, hypes. Het werkt, het draagt bij aan de vertelling. Lezers gaan voor de bijl.
Carlo Groot gebruikt ook beelden en verbanden die de lezer moet koppelen. Als Carlo en Lisette in Canada net gehoord hebben dat zij zwanger is – haar wens – varen ze langs…:

‘Op de terugweg varen we langs een zeeleeuwenkolonie, waarvan vooral de ondraaglijke stank indrukwekkend is. Een groot mannetje richt zich op en laat een paar grote littekens op zijn buik zien. Hij opent zijn bek en geeuwt zijn tanden bloot. Een gaap aan het einde van de paartijd.’

Er is voldoende informatie gegeven om die koppeling moeiteloos te maken, maar dat is dan ook de opzet. We gaan richting de ontroering, het ivf-gevecht van een stel dat daar midden in zit. Het woord ‘ondraaglijk’ komt trouwens vaker terug, en liever voel ik dat woord zonder dat het er staat. ‘De stilte was ondraaglijk.’ Ik weet ook dat die duiding hoort bij een ziekenhuis, bij het verhaal van deze twee geliefden, bij hun wens en worsteling. Dat maakt dit woordje effectief. Alleen die stilte, en het boek was een vreemd soort literaire roman geworden. Juist zonder duiding wordt een ander gevoel geraakt.
Wat iedere twijfel wegneemt: Groots directheid en onverbloemdheid:

‘Het is donderdag en het is twee dagen geleden dat Izar is geboren. Wakker worden is zo verschrikkelijk dat ik niet meer wil slapen. Een gevoel dat direct herinnert aan iets minder dan een jaar geleden. Je zou denken dat een dode baby het verdriet van een miskraam relativeert, maar nieuw verdriet laat zich prima optellen bij oud zeer.’

Of je bekend bent met deze verhalen, ooit zelf zoiets hebt meegemaakt, van geboorte, tot miskraam, tot dood, het doet er allemaal niet meer toe. Bij deze passages, waar het boek onverbiddelijk op af dendert, wordt iedere lezer stil.
Een antwoord op de vooringenomen vraag of het dit boek lukt aangrijpend te zijn zal geen lezer meer kunnen geven. Het verhaal heeft die vraag verdrongen. Er is alleen aan toe te voegen: Bedankt voor het delen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen